(Uitgesproken op 17 sept., vredeszondag, met dank voor de tekst van Bram Grandia in de PAX liturgiekrant)
Bijbellezing: Jesaja 56: 1-8.
U bent hier verzameld in een huis van gebed, een huis om God te ontmoeten. U bent ingegaan op de uitnodiging om vanavond hier te vergaderen. U dacht, waarschijnlijk: bij het begin van de vredesweek moet ik dáar zijn.
Ik vraag maar even: Voelde u zich nou geroepen door de God wiens aanwezigheid u hier vermoedt, of werd u gestuwd door de tijd en omstandigheden waarin we ons bevinden -een wereld vol tumult en geweld en oorlog?
Droomt u een droom van vrede en hebt u legitimatie van hogerhand nodig, van een hogere macht van buitenaf die ons nou ns de ultieme motieven aanreikt om nou eindelijk ns aan de vrede te beginnen, of hebben we daartoe genoeg aan de ont-waarding van medemensen die we indringend te zien krijgen, elke dag; en voelen we dat ook bij onszelf -mijn eigen waardigheid wordt aangetast-?
Hoe het ook zij, ík heb behoefte aan gezamenlijke ‘verheffing’. We zijn hier bijeen, lijkt mij, als ‘gemeente van Jeshaja’ (God is goed), in het ‘huis van gebed voor alle volken’.
Zo’n tekst aangereikt krijgen, dat is toch prachtig. Jesaja doet ons dromen; mij wel tenminste.
In de diverse media in onze tijd buitelen ideeën over elkaar heen: ‘de grenzen moeten dicht, nee open. We moeten het Wilhelmus gaan zingen; je moet je aanpassen, of nee, toch liever jezelf blijven; geen hoofddoek op, wel haar op je tanden’. Respectvol luisteren is er vaak niet bij, verschillen lijken groter dan ooit.
Midden in dergelijk tumult horen we dat God tot de profeet Jesaja spreekt over Zijn huis: één huis (van gebed) voor álle volken. Een haast onmogelijke droom.
Het volk Israël is na jarenlange ballingschap weer teruggekeerd naar hun eigen land. Het is een gemeenschap in opbouw, op zoek naar wat hen te doen staat, op zoek naar de eigen identiteit. En dan geeft Jesaja een Godsspraak door.
Een vredesorganisatie, een verzamelde groep vredelievende mensen, temidden van wan-orde en oorlogen, kan niet zonder mensen met verbeelding. In situaties van ogenschijnlijke uitzichtloosheid, hebben we mensen nodig die beelden hebben van rechtvaardigheid, én vreedzame plaatsen, scholen, buurten en steden.
Jesaja laat weten: Dit zegt God, de Eeuwige: Handel rechtvaardig, handhaaf het recht.
Dé voorwaarde voor álle handelen is: rechtvaardig handelen en gerechtigheid handhaven. Daar gaat het de God van Israël om. Omdat het volk dat niet deed, is het ver van huis geraakt -in ballingschap-. Nu wil men niet weer in dezelfde fout vallen. Hoe kun je dan goed en rechtvaardig leven? Door de sabbat, de rustdag, te houden en je verre te houden van al het kwaad. Gelukkig de mens die zo handelt.
Indrukwekkend hoe open dit beeld van het gebedshuis voor alle volken is. Het gaat om volken die recht doen. Bij deze God horen, is recht doen; hongerigen te eten geven, dorstigen te drinken geven, vreem-delingen opnemen, naakten kleden, zieken en gevangenen bezoeken.
In Palestina heb ik ze gezien. Mensen die de hoop levend houden. Gezamenlijk. Een gezamenlijk gebed, op straat, op vrijdag, moslims, christenen en joden samen. Op shabbat, op straat, joden, moslims en andere mensen van goede wil, in een vreedzame, gezamenlijke demonstratie voor vrede. Op zondag, bij de muur, in Betlehem, mensen uit alle volken samen in gebed vóor de opheffing van de illegale bezetting.
We hebben ze hier gezien, vorig jaar, in de Koorkerk, een bisschop, een imam, een dominee, uit de Centraal Afrikaanse Republiek. Middenin de ontketende oorlog van burgers tegen medeburgers, werken zij aan verzoening.
Ik citeer een collega: In mijn kerk is de tegenstelling niet meer die tussen geloof en ongeloof, maar gaat het om geloof versus cynisme. “Verlangen we naar een andere, betere wereld? Hebben we het nog níet opgegeven? Laten we dan samen gaan. ‘Als je mensen wil leren varen, leer ze dan geen boten bouwen, maar leer ze verlangen naar de eindeloze zee.’
Het gaat er vooral om dát je het gaat doen, omdát je er op vertrouwt dat dit het goede is; geen cynisme, maar geloof.
Om ook Etty Hillesum te citeren: ‘Er moet na deze tijd toch gezegd kunnen worden dat God hier is geweest. En waarom zou ik dat stukje verbeelding van God niet zijn? Een plek, een lichaam, een geest voor God om te verblijven.’ Het is niet de vraag ‘wat doet God voor mij?, God heeft óns nodig; als handen en voeten op aarde. Dat er aangewezen kan worden: Hij leeft, Hij is er. Dat je mensen ziet die dingen doen. Dat het er om gaat wie je bent: kind van deze God.
Wie hoort er eigenlijk allemaal bij? Gaat het God primair om het eigen volk?
In de Bijbelse oudheid was een gecastreerde man, een eunuch, iemand die een hoge overheidsfunctie kon bekleden, maar door zijn verminking niet meer geschikt bevonden werd om in het heiligdom van God te komen. Ook zou hij, bij gebrek aan nakomelingen, na zijn dood niet meer voortleven in de gemeenschap.
Een man zonder God, zonder toekomst, dus. Jesaja geeft nu juist aan deze mens de belofte, dat ook zíjn
naam voor altijd herdacht zal worden, in de tempel van God. De gangbare wereld omgekeerd.
De nieuwe toekomst waar Jesaja over spreekt, is er dus óok, of eigenlijk allereerst, voor de outcasts in de samenleving. Ook voor de gecastreerde man aan het hof die zegt: “Ik ben maar een dorre boom, ik heb geen nageslacht…” God ziet de situatie van deze mensen. Misschien zijn ze in de ogen van anderen en van zichzelf ‘nietsnutten’. Maar God verbindt zich ook aan hen: “De mensen die zich houden aan mijn wetten, zij die gerechtigheid doen en de sabbat houden, hen geef ik iets beters dan zonen en dochters: een gedenk-teken [Yad] en een naam [Shem] ín mijn tempel én binnen de muren van mijn stad.
Het woordje Yad betekent letterlijk hand, maar kan ook teken, gedenk-teken betekenen. Dan gaat het er om dat God aan deze uit-gestotenen een naam en een teken in de tempel geeft. Hun naam gaat niet verloren. Het is als de naam op een grafsteen, op een plaquette. Yad krijgt ook de betekenis van ‘plaats, deel, aandeel’. Dan betekent het dat juist zij een plaats en een functie in de gemeenschap krijgen.
Wie vandaag Yad Va Shem zegt, denkt meteen aan het Holocaustmonument in Jeruzalem. Het is de officiële staatsinstelling van Israël voor het herdenken van de Joodse slachtoffers van de Holocaust en van de redders van Joden. Het gevolg van het bezoeken van dit museum is dat je als je Yad Va Shem hoort, je niet ogenblikkelijk meer denkt aan de ontmanden en de vreemdelingen in Jesaja 56. Vanaf nu denk je aan alle vermoorde Joden in de Tweede Wereldoorlog.
Betekent die naam een nationalisering van de Jesajatekst, enkel over Joden, en daarmee een inperking van het universele karakter van de tekst? Avraham Burg zegt daar wat van.
Abraham Burg is schrijver en voormalig parlementsvoorzitter, van de Knesset. Hij schrijft: ‘Het museum zal in zijn toekomstige vorm een gedenkteken zijn voor al het onrecht dat mensen is aangedaan. Het zal een plek zijn die uitstraalt hoe krachtig de strijd is tegen geweld, waar ook ter wereld. Er zal een Armeense
vleugel zijn en een Servische vleugel, er zullen voorwerpen uit Rwanda en Namibië tentoongesteld
worden, er zal een presentatie zijn ter ere van de oorspronkelijke bewoners van Noord-Amerika, die werden
uitgeroeid door blonde generaals met blauwe ogen. Een Internationaal Hof voor de Berechtiging van Misdaden tegen de Mensheid zal gevestigd worden in Jeruzalem, de Stad van Vrede, en de rechters zullen afkomstig zijn uit de hele wereld. […] en boven de poort zal de profetie van Jesaja worden gegraveerd.
Een plaats dus waar Jesaja gewag van maakt; voor álle volken.
De nieuwe toekomst waar Jesaja over spreekt, geldt ook voor de vreemdeling. Als de vreemdeling de verbinding zoekt met Israëls God, God dient en Gods naam liefheeft -vrede en recht in praktijk brengt, dus-, dan hoort die vreemdeling er helemaal bij. Dat is het veelbelovend perspectief.
Aansluiten bij God, betekent echter niet per se dat de vreemdeling ook Joods moet worden. Het gaat erom dat zij, net als iedereen, geroepen zijn hun naaste lief te hebben en recht te doen. Afkomst of religie doet er niet toe: gerechtigheid doen, is voorwaarde om deel uit te maken van Gods verbond met de mens. Dit betekent een einde aan de uitsluiting. Tenminste, zegt de profeet, zó kijkt God daar tegen aan. (Profetie is dus niks anders dan ‘met Gods ogen naar de wereld kijken’.)
Er staat geen bordje ‘verboden voor vreemdelingen‘ op Gods huis. Gods huis staat open voor alle volken. Dat is een statement in een tijd – vlak na de ballingschap - waarin juist ook gezocht werd naar de eigen identiteit als volk ten opzichte van vreemdelingen. Een tijd waarin gemengde huwelijken verboden werden. Bij Jesaja ligt het criterium om bij God te horen niet in het behoren tot één bepaald volk, maar in het luisteren naar Gods geboden en het in praktijk brengen daarvan. Ieder die zich houdt aan Gods wetten, gerechtigheid doet dus, zal God naar de heilige tempelberg brengen. Zo ziet de nieuwe toekomst eruit: één huis voor iedereen.
Dat is volgens mij het hart van de joodse en christelijke traditie, én ook van de islamitische, zo durf ik wel te zeggen. Een inclusief hart, waarbij uitsluiting uit den boze is. Een reuze actueel thema in een tijd van nadruk op eigen volk en eigen volksidentiteit.
Hebben we hier nu legitimatie van hogerhand gekregen om voor vrede en gerechtigheid te gaan -omdat we die in onszelf en in onze samenleving toch niet zomaar weten te vinden-, of hebben we -toch in elk geval- extra aansporing, inspiratie, ‘vermaning’ ontvangen, uit een wel zeer bijzondere bron?
Vertrouwen we er op dat ‘leven in Gods verbond’ zin heeft? Vertrouwen we er op dat actief om vrede roepen, zal helpen, om de oorlog in Syrië te stoppen, bv., of die in Yemen, of blijven we bij zulke praktisch-politieke vragen dan toch ineens nog cynisch, of wórden dat weer, bv. bij de oorlogsretoriek rond Noord-Korea? -Waar overigens veel Zuidkoreanen hard roepen: hou daarmee op!
Roepen, het heeft weldegelijk zin; samen. We laten ons niet uit elkaar spelen. En ook dit moet luid geroepen worden: joden, christenen en moslims in Israel en Palestina houden niet op om -zelfs na 50 jaar bezetting van de Westbank en Gaza- te roepen: stop er mee, wij willen gewoon samen leven als goede buren.
En, omdat het dicht op onze huid komt, ook dit moet gezegd, gebeden: wij zijn niet bang, wij laten ons niet bang maken, niet door IS en aanverwanten, en ook niet door extreem rechts -dat hier in onze eigen omgeving brutaal de straat opeist, vandaag in Enschede-. We laten ons niet bang maken. We laten ons als mensen van goede wil bijeen roepen in een huis van gebed voor alle volken.
En vanavond voel ík me hier ‘opgetild’, boven m’n verwarring uit, hier wordt het beste van onszelf naar boven geroepen én te binnen gebracht.
We bidden: God van Vrede,
U laat U raken door wat mensen meemaken, U wilt hen nabij zijn.
Wij danken U dat U ons nabij gekomen bent, in een volk, in een mens; telkens opnieuw in mensen. Wij danken dat U een God bent die mét ons gaat op de weg door het leven, in vrolijke en in harde tijden. We danken dat U ons draagt als een moeder en leidt als een vader. Geef dat wij ons door U láten leiden en láten dragen.
Dank U wel, God, dat bevrijding iets is van alle tijden, van vroeger en net zo goed van nu, van vandaag. Dank U wel dat bevrijding ook mógelijk is; geen mooie droom om naar te verlangen, maar werkelijkheid daar waar mensen, vol van uw Geest laten zien dat niets hen kan knechten, klein maken of louter en alleen slachtoffer van omstandigheden of van andere mensen.
Om uw Vrede bidden wij, wij hier bijeen, samen met mensen wereldwijd,
voor een wereld waar wél plaats is voor uw Visioen, voor mensen die dromen hebben afgeleerd, stomgeslagen door al het geweld.
God van alle mensen, om uw Vrede bidden wij, voor hen die moeten leven te midden van onrecht en haat,
aanslagen en oorlogen, verwoesting en verwarring, racisme en discriminatie, uitbuiting en vernedering,
honger en armoede, ziekte en dood, angst en onzekerheid.
Gelukkig zijn er groepen mensen, in de Centraal Afrikaanse Republiek, in Palestina, in Hongarije, in Frankrijk, in Berlijn, in Enschede, in Middelburg, die samen zeggen Wij laten ons niet bang maken.
Goede God, om uw Vrede bidden wij, dat wij mogen spreken tot elkaars verbeelding, dat wij mogen oplichten in uw Licht bij een ander, dat wij mogen bewegen in uw Geest, mensen verbindend -naar uw beeld en gelijkenis.
We bidden om bezieling en begeestering in ons leven. Bezieling en enthousiasme bij alles wat we doen, opdat onze samenleving een bezielde en aantrekkelijke samenleving zal zijn waar vertrouwen in het leven aanstekelijk werkt, waar geloof en hoop inspiratie geven, waar liefde ons samenbindt. Mogen de kerk, de synagoge en de moskee daarvan een werkplaats zijn, waar we samen komen om te oefenen in geloof, om hoop op te doen, om liefde te leren en om dit alles in onze gemeenschappen en daarbuiten met hart en ziel in praktijk te brengen.
Welkom
Welkom op mijn weblog.
Hier vind je allereerst bevindingen (berichten) van mij tijdens mijn verblijf in Israel/Palestina; op de pagina Waarnemer in Yanoun, te beginnen op 13 november 2012 (zie: Blogarchief). Verder vind je teksten die ik voor kerk en maatschappij heb geschreven; korte op dezelfde genoemde pagina en wat langere op andere pagina´s.
Laat ajb weten of ze je boeien.
Hier vind je allereerst bevindingen (berichten) van mij tijdens mijn verblijf in Israel/Palestina; op de pagina Waarnemer in Yanoun, te beginnen op 13 november 2012 (zie: Blogarchief). Verder vind je teksten die ik voor kerk en maatschappij heb geschreven; korte op dezelfde genoemde pagina en wat langere op andere pagina´s.
Laat ajb weten of ze je boeien.
zaterdag 30 september 2017
maandag 4 september 2017
Samen leven vieren
Onderstaande tekst, gehoord hebbend het lied 'Mag ik dan bij jou? van Claudia de Breij
en gelezen: uit O.T. Toraboek Deuteronomium 14: 22-29 en uit N.T. Geschriftenboek Handelingen 4: 31-35. (De aanwezigen hebben eten meegebracht voor de voedselbank en voor de gezamenlijke lunch.)
Laten we eten en drinken en vrolijk zijn.' - Dat is nou niet bepaald een calvinistische uitspraak. Feestvieren, dat hebben stijle calvinisten altijd overgelaten aan de Roomsen.
In Dt 14 is het een opdracht aan Israel: "gij zult voor het aangezicht van de Heer, uw God, eten en u verheugen...", zo staat er. Elk jaar moet Israel naar het heiligdom gaan met een tiende van z'n inkomen, om daarvan te eten en te drinken en vrolijk te zijn.
In de voorbereiding van deze startzondag kregen we het over -als we een open kerk willen zijn, voor het dorp bv., dan zullen we een open gemeenschap zijn in de zin van 'ieder is welkom -kom maar binnen’- en ook: open ‘naar buiten’, mede-deelzaam met de minder-bedeelden. We delen bv. met de voedselbank, ...
Zo kwamen we op de bijbeltekst in Handelingen over de eerste christengemeente in Jerusalem waar men alles samen deelde. ‘De groep mensen die het geloof had aanvaard, leefde eendrachtig samen. Geen van hen beschouwde zijn bezittingen als zijn persoonlijk eigendom, want ze hadden alles gemeenschappelijk. Niemand onder hen leed enig gebrek’.
We lazen de tekst en ontdekten dat de beschreven praktijk voor ons nu in onze hedendaagse levenspraktijk, ook voor ons kerkelijken, niet zo vanzelfsprekend is. Integendeel.
Enkelen van u kennen wellicht de rockband Queen nog? De roemruchte zanger, Freddy Mercury, schreeuwde het uit: ´Is this the world we created? We made it all wrong! If there´s a God looking down on us, what will he say: What have you created! ´Wat hebben wij er een verschrikkelijke wereld van gemaakt! En Bob Dylan zong lang geleden: ´´The times, they are a-changing´´. En Frank Boeijen zingt :´Het leven is anders sinds de dag dat God is doodverklaard´.
En we lezen nu in Handelingen, over de eerste christengemeente in Jerusalem, dat daar in de stad de naam van Jezus veel verzet oproept. De leiders van het volk verbieden de mensen om die naam nog te gebruiken!
Is het bij ons ook zo ver gekomen? Dat God niet meer in het openbaar zichtbaar en hoorbaar mag zijn? ‘Geloven dat doe je maar thuis, in je eigen besloten kring, zo wordt ons voorgehouden, door velen van onze economische, politieke en filosofische leiders. De plaats waar God nog in de samenleving te vinden was, is leeg verklaard. We kunnen wel zonder. We redden ons prima, Zo horen we.
Totdat we op grenzen stuiten; en vervolgens toevlucht zoeken -nee, niet eens bewust, maar stilletjes-, bij andere ‘hogere’ krachten. En zo wordt de lege plaats -bijna ongemerkt- bezet; bezet door krachten die zich aan ons voordoen, of die aan ons gepresenteerd worden, als de ware verlosser. Vrijheid, dat moeten we hebben. ‘Laat het maar aan de vrije markt over, dan komt het allemaal goed’. En d’r worden ook zondebokken aangewezen -aan wie we de schuld kunnen geven voor alles wat niet goed gaat.
Het is dus niet de sekularisatie -vrij van betuttelende godsdiensten-, die erg is; het zijn de afgoden -ja, zo mogen we ze wel noemen- die we toelaten om de lege plaats op te vullen. We redden het níet -alleen-, maar we hebben niet door bij welke mens-ont-erende krachten -die zich als dé redders voordoen- we onze toevlucht zoeken. Het zijn die zogenaamd ‘hogere machten’ die de goede God nog verder in de verdachten-hoek zetten. En het zijn zij die de centrale lege plek gaan innemen -als we niet oppassen.
Wat doen mensen van de goede God als ze ontkenning en ontkrachting ondervinden?
In Handelingen 4 in die gemeente in Jerusalem, is dat volkomen duidelijk: bidden! Er worden geen doe-het-zelf-strategieën bedacht, maar de God van hemel en aarde wordt aangeroepen.
Geleid door de Geest zien ze dat Psalm 2 op deze situatie van toepassing is. Wat ze om zich heen zien gebeuren, is te benoemen als ‘verzet tegen de gezalfde van de Eeuwige’. Het juk dat in naam van on-machten wordt opgelegd, moet dus afgeweerd, afgeworpen worden. ‘Van de boeien moeten we ons bevrijden’, zo staat er in de psalm.
Wat doet de gemeente in Jerusalem? Er wordt gebeden, gebeden dat -ondanks de sterk opkomende afgodische krachten- Gods plan wél in vervulling gaat, zelfs dwars door alle vijandschap heen!
Na dit gebed wordt op drie manieren duidelijk dat Gods Geest wel werkt! Zijn kracht gaat stromen als antwoord op het gebed van de leerlingen van Jezus die samen zijn om te zoeken naar het plan van de Eeuwige.
1 De plaats waar ze bijeen zijn, begint te beven.
2 Allen worden vervuld van de heilige Geest. Volstromen met de Geest is kennelijk steeds opnieuw nodig.
3 Allen spreken vrijmoedig over de boodschap van God.
In Dt 14 gaat het over de tienden. Een tiende deel van de opbrengst van het land, van het koren, de druiven, de olijfolie, samen met de eerstgeborenen van de runderen en het kleinvee-, een tiende deel zal de Israeliet elk jaar bij het heiligdom inleveren.
In het aanbieden van de tienden en de eerstelingen zit de gedachte dat je bezit ten diepste nooit enkel jóuw bezit is, maar dat Gód de eigenlijke bezitter van het land is. Het land, de aarde, die is niet van jou, maar die heb je van God gekregen,in bruikleen. Gód is de Gever van de oogst, van de opbrengst van het land, en daarom zul je God ook een tiende en de eerstelingen van het land en het vee geven.
De tienden hebben dus direkt te maken met hoe je omgaat met de aarde, met bezit, met rijkdom. Geloof en milieu, geloof en ekonomie: ze hangen direkt met elkaar samen.
Nou is het opvallende hier in Dt 14, dat de nadruk allereerst erop gelegd wordt dat je zélf, van je tienden, feest moet gaan vieren. Opvallend, want die opbrengst van het land en van het vee moet je dus wel aan jezelf besteden. En je moet er nog feest van gaan vieren ook!
Maar, wacht even. Het gaat niet om zomaar een feest; het gaat om een feest "voor het aangezicht van de Heer, uw God". Je moet wel degelijk eerst je tienden inleveren en er dan feest van vieren in het heiligdom, de plaats die God verkiezen zal -en dat slaat dan op de tempel in Jeruzalem.
Je moet wel degelijk eerst de tienden inleveren. Daar kom je niet onderuit. Als je te ver van Jeruzalem afwoont, of als God je zo overvloedig gezegend heeft dat het geen doen is om met een tiende daarvan naar Jeruzalem te sjouwen, dan kan het ook anders: dan verkoop je thuis je tiende en ga je met het geld daarvan naar Jeruzalem en koop je dáar vervolgens weer wat je maar lekker vindt om feest mee te vieren, koeien, schapen, geiten, wijn en sterke drank. Dat feest moet je dus wel degelijk vieren "voor het aangezicht van de Heer, uw God". Je kunt niet thuisblijven, want daar is dat aangezicht van God niet.
En er hoort nóg iets bij, namelijk dat je elk derde jaar je tiende volledig afstaat. Je moet het afstaan aan de mensen voor wie het leven meestal géén feest is; de armen, de zwakken, de kanslozen. Met name genoemd: de vreemdeling, de wees en de weduwe.
Opmerkelijk, hoe nauw dat dus met elkaar samenhangt: het aanbieden van de tienden aan God én het aanbieden van de tienden aan de armen en zwakken; het feestvieren met je eigen familie, én het er voor zorgen dat ook de mensen voor wie het leven bepaald géén feest is een beetje vreugde zullen ervaren; het delen in de gaven die God geeft én het delen daarvan met wie géén opbrengst hebben.
Opmerkelijk, hoe nauw dat met elkaar samenhangt; zelfs zó nauw, dat Gods zegen voor jou ervan afhangt. Want zo eindigt het: "...opdat de Heer, uw God, u zegene in al het werk, dat uw hand doet." De medemens zul je dus laten delen in de zegen die jij van God ontvangt. Daarvoor krijg je die zegen van God. De barmhartigheid die God jou bewijst zodat je genoeg hebt om tienden af te staan-, die barmhartigheid zul jij ook bewijzen aan wie er niet zo barmhartig aan toe zijn.
In de evangelieën klaagt Jezus de leiders aan omdat ze dát nou juist niet doen. Jezus bedoelt: het gaat ook bij de voorschriften voor de tienden er uiteindelijk om dat er recht geschiedt aan de rechtelozen; dat je hen barmhartigheid bewijst; dat geloof in God ook het liefhebben van je naaste inhoudt.
Feest vieren voor God en feest vieren samen met de minsten, daar gaat het dus om.
De eerste gemeente in Jerusalem heeft dus heel goed begrepen wat er in de Tora, in het boek Deutero-nomium bedoeld wordt. Dat wat je méer hebt dan wat je voor jezelf nodig hebt, dat stel je beschikbaar aan je leef-gemeenschap, in een samen-leef-vorm waar je ‘liefhebben van God en mens’ in praktijk kan brengen. Of waar je dat toch minstens met elkaar kan oefenen.
De kibbutz in Israel was ook -nog niet zo lang geleden- een mooie vorm van samen-delen. De sabbath op vrijdagavond beginnen met de gezamenlijke sabbathmaaltijd, ach, zo mooi. (Ik was er, jaren geleden.)
Feest vieren voor God en feest vieren samen met de minsten, daar gaat het dus om.
Waarom is dat belangrijk? - "...opdat u steeds opnieuw leert te leven in ontzag voor de Heer, uw God", zo staat er in vs 23. Dat brengen van de tienden om daarvan feest te vieren voor Gods aangezicht, samen met de zwakken en armen-, dat heeft dus een heel speciaal doel: het gaat direkt om je geloof, om je eerbied en ontzag voor God, om je liefde voor de Eeuwige. Dat feestvieren van de tienden, dat is er dus ook om te leren dat de Eeuwige de enige God is bij wie het heil te vinden is.
En om er aan vast te houden, het niet verloren te laten gaan, het niet uit handen te laten nemen, de plaats niet te laten bezetten.
Het gaat dus om een heel 'geestelijke' en 'spirituele' zaak: het leren vrezen van de Heer, je leven lang; maar tegelijk gaat het om een heel 'sociale' en 'materiële' zaak: het delen van je rijkdom met de armen om zo samen met de kanslozen van het leven een feest te maken.
En als we nu opnieuw gastvrijheid, een open huis, een open kerk, willen oefenen, dan hebben we vanmorgen toch al een mooie bede gehoord: ‘Als het onweer komt, en als ik dan bang ben, mag ik dan bij Jou ...?
Bidden wij ook maar weer, tégen de on-machten in: ‘Als er een clubje komt waar ik niet bij wil horen, mag ik dan bij Jou? Als er een regel komt waar ik niet aan voldoen kan, mag ik dan bij Jou? En als ik iets moet zijn wat ik nooit geweest ben, mag ik dan bij Jou? Als de oorlog komt en als ik dan moet schuilen, mag ik dan bij Jou?
God, blijf in ons midden. Dan blijven wij gastvrij, dan blijven wij dat oefenen; open kerk, open huis. En dan zorgen de diakenen dat onze tienden bij de voedselbank komen.
Zo gaan we samen verder. Nog vele jaren.
en gelezen: uit O.T. Toraboek Deuteronomium 14: 22-29 en uit N.T. Geschriftenboek Handelingen 4: 31-35. (De aanwezigen hebben eten meegebracht voor de voedselbank en voor de gezamenlijke lunch.)
Laten we eten en drinken en vrolijk zijn.' - Dat is nou niet bepaald een calvinistische uitspraak. Feestvieren, dat hebben stijle calvinisten altijd overgelaten aan de Roomsen.
In Dt 14 is het een opdracht aan Israel: "gij zult voor het aangezicht van de Heer, uw God, eten en u verheugen...", zo staat er. Elk jaar moet Israel naar het heiligdom gaan met een tiende van z'n inkomen, om daarvan te eten en te drinken en vrolijk te zijn.
In de voorbereiding van deze startzondag kregen we het over -als we een open kerk willen zijn, voor het dorp bv., dan zullen we een open gemeenschap zijn in de zin van 'ieder is welkom -kom maar binnen’- en ook: open ‘naar buiten’, mede-deelzaam met de minder-bedeelden. We delen bv. met de voedselbank, ...
Zo kwamen we op de bijbeltekst in Handelingen over de eerste christengemeente in Jerusalem waar men alles samen deelde. ‘De groep mensen die het geloof had aanvaard, leefde eendrachtig samen. Geen van hen beschouwde zijn bezittingen als zijn persoonlijk eigendom, want ze hadden alles gemeenschappelijk. Niemand onder hen leed enig gebrek’.
We lazen de tekst en ontdekten dat de beschreven praktijk voor ons nu in onze hedendaagse levenspraktijk, ook voor ons kerkelijken, niet zo vanzelfsprekend is. Integendeel.
Enkelen van u kennen wellicht de rockband Queen nog? De roemruchte zanger, Freddy Mercury, schreeuwde het uit: ´Is this the world we created? We made it all wrong! If there´s a God looking down on us, what will he say: What have you created! ´Wat hebben wij er een verschrikkelijke wereld van gemaakt! En Bob Dylan zong lang geleden: ´´The times, they are a-changing´´. En Frank Boeijen zingt :´Het leven is anders sinds de dag dat God is doodverklaard´.
En we lezen nu in Handelingen, over de eerste christengemeente in Jerusalem, dat daar in de stad de naam van Jezus veel verzet oproept. De leiders van het volk verbieden de mensen om die naam nog te gebruiken!
Is het bij ons ook zo ver gekomen? Dat God niet meer in het openbaar zichtbaar en hoorbaar mag zijn? ‘Geloven dat doe je maar thuis, in je eigen besloten kring, zo wordt ons voorgehouden, door velen van onze economische, politieke en filosofische leiders. De plaats waar God nog in de samenleving te vinden was, is leeg verklaard. We kunnen wel zonder. We redden ons prima, Zo horen we.
Totdat we op grenzen stuiten; en vervolgens toevlucht zoeken -nee, niet eens bewust, maar stilletjes-, bij andere ‘hogere’ krachten. En zo wordt de lege plaats -bijna ongemerkt- bezet; bezet door krachten die zich aan ons voordoen, of die aan ons gepresenteerd worden, als de ware verlosser. Vrijheid, dat moeten we hebben. ‘Laat het maar aan de vrije markt over, dan komt het allemaal goed’. En d’r worden ook zondebokken aangewezen -aan wie we de schuld kunnen geven voor alles wat niet goed gaat.
Het is dus niet de sekularisatie -vrij van betuttelende godsdiensten-, die erg is; het zijn de afgoden -ja, zo mogen we ze wel noemen- die we toelaten om de lege plaats op te vullen. We redden het níet -alleen-, maar we hebben niet door bij welke mens-ont-erende krachten -die zich als dé redders voordoen- we onze toevlucht zoeken. Het zijn die zogenaamd ‘hogere machten’ die de goede God nog verder in de verdachten-hoek zetten. En het zijn zij die de centrale lege plek gaan innemen -als we niet oppassen.
Wat doen mensen van de goede God als ze ontkenning en ontkrachting ondervinden?
In Handelingen 4 in die gemeente in Jerusalem, is dat volkomen duidelijk: bidden! Er worden geen doe-het-zelf-strategieën bedacht, maar de God van hemel en aarde wordt aangeroepen.
Geleid door de Geest zien ze dat Psalm 2 op deze situatie van toepassing is. Wat ze om zich heen zien gebeuren, is te benoemen als ‘verzet tegen de gezalfde van de Eeuwige’. Het juk dat in naam van on-machten wordt opgelegd, moet dus afgeweerd, afgeworpen worden. ‘Van de boeien moeten we ons bevrijden’, zo staat er in de psalm.
Wat doet de gemeente in Jerusalem? Er wordt gebeden, gebeden dat -ondanks de sterk opkomende afgodische krachten- Gods plan wél in vervulling gaat, zelfs dwars door alle vijandschap heen!
Na dit gebed wordt op drie manieren duidelijk dat Gods Geest wel werkt! Zijn kracht gaat stromen als antwoord op het gebed van de leerlingen van Jezus die samen zijn om te zoeken naar het plan van de Eeuwige.
1 De plaats waar ze bijeen zijn, begint te beven.
2 Allen worden vervuld van de heilige Geest. Volstromen met de Geest is kennelijk steeds opnieuw nodig.
3 Allen spreken vrijmoedig over de boodschap van God.
In Dt 14 gaat het over de tienden. Een tiende deel van de opbrengst van het land, van het koren, de druiven, de olijfolie, samen met de eerstgeborenen van de runderen en het kleinvee-, een tiende deel zal de Israeliet elk jaar bij het heiligdom inleveren.
In het aanbieden van de tienden en de eerstelingen zit de gedachte dat je bezit ten diepste nooit enkel jóuw bezit is, maar dat Gód de eigenlijke bezitter van het land is. Het land, de aarde, die is niet van jou, maar die heb je van God gekregen,in bruikleen. Gód is de Gever van de oogst, van de opbrengst van het land, en daarom zul je God ook een tiende en de eerstelingen van het land en het vee geven.
De tienden hebben dus direkt te maken met hoe je omgaat met de aarde, met bezit, met rijkdom. Geloof en milieu, geloof en ekonomie: ze hangen direkt met elkaar samen.
Nou is het opvallende hier in Dt 14, dat de nadruk allereerst erop gelegd wordt dat je zélf, van je tienden, feest moet gaan vieren. Opvallend, want die opbrengst van het land en van het vee moet je dus wel aan jezelf besteden. En je moet er nog feest van gaan vieren ook!
Maar, wacht even. Het gaat niet om zomaar een feest; het gaat om een feest "voor het aangezicht van de Heer, uw God". Je moet wel degelijk eerst je tienden inleveren en er dan feest van vieren in het heiligdom, de plaats die God verkiezen zal -en dat slaat dan op de tempel in Jeruzalem.
Je moet wel degelijk eerst de tienden inleveren. Daar kom je niet onderuit. Als je te ver van Jeruzalem afwoont, of als God je zo overvloedig gezegend heeft dat het geen doen is om met een tiende daarvan naar Jeruzalem te sjouwen, dan kan het ook anders: dan verkoop je thuis je tiende en ga je met het geld daarvan naar Jeruzalem en koop je dáar vervolgens weer wat je maar lekker vindt om feest mee te vieren, koeien, schapen, geiten, wijn en sterke drank. Dat feest moet je dus wel degelijk vieren "voor het aangezicht van de Heer, uw God". Je kunt niet thuisblijven, want daar is dat aangezicht van God niet.
En er hoort nóg iets bij, namelijk dat je elk derde jaar je tiende volledig afstaat. Je moet het afstaan aan de mensen voor wie het leven meestal géén feest is; de armen, de zwakken, de kanslozen. Met name genoemd: de vreemdeling, de wees en de weduwe.
Opmerkelijk, hoe nauw dat dus met elkaar samenhangt: het aanbieden van de tienden aan God én het aanbieden van de tienden aan de armen en zwakken; het feestvieren met je eigen familie, én het er voor zorgen dat ook de mensen voor wie het leven bepaald géén feest is een beetje vreugde zullen ervaren; het delen in de gaven die God geeft én het delen daarvan met wie géén opbrengst hebben.
Opmerkelijk, hoe nauw dat met elkaar samenhangt; zelfs zó nauw, dat Gods zegen voor jou ervan afhangt. Want zo eindigt het: "...opdat de Heer, uw God, u zegene in al het werk, dat uw hand doet." De medemens zul je dus laten delen in de zegen die jij van God ontvangt. Daarvoor krijg je die zegen van God. De barmhartigheid die God jou bewijst zodat je genoeg hebt om tienden af te staan-, die barmhartigheid zul jij ook bewijzen aan wie er niet zo barmhartig aan toe zijn.
In de evangelieën klaagt Jezus de leiders aan omdat ze dát nou juist niet doen. Jezus bedoelt: het gaat ook bij de voorschriften voor de tienden er uiteindelijk om dat er recht geschiedt aan de rechtelozen; dat je hen barmhartigheid bewijst; dat geloof in God ook het liefhebben van je naaste inhoudt.
Feest vieren voor God en feest vieren samen met de minsten, daar gaat het dus om.
De eerste gemeente in Jerusalem heeft dus heel goed begrepen wat er in de Tora, in het boek Deutero-nomium bedoeld wordt. Dat wat je méer hebt dan wat je voor jezelf nodig hebt, dat stel je beschikbaar aan je leef-gemeenschap, in een samen-leef-vorm waar je ‘liefhebben van God en mens’ in praktijk kan brengen. Of waar je dat toch minstens met elkaar kan oefenen.
De kibbutz in Israel was ook -nog niet zo lang geleden- een mooie vorm van samen-delen. De sabbath op vrijdagavond beginnen met de gezamenlijke sabbathmaaltijd, ach, zo mooi. (Ik was er, jaren geleden.)
Feest vieren voor God en feest vieren samen met de minsten, daar gaat het dus om.
Waarom is dat belangrijk? - "...opdat u steeds opnieuw leert te leven in ontzag voor de Heer, uw God", zo staat er in vs 23. Dat brengen van de tienden om daarvan feest te vieren voor Gods aangezicht, samen met de zwakken en armen-, dat heeft dus een heel speciaal doel: het gaat direkt om je geloof, om je eerbied en ontzag voor God, om je liefde voor de Eeuwige. Dat feestvieren van de tienden, dat is er dus ook om te leren dat de Eeuwige de enige God is bij wie het heil te vinden is.
En om er aan vast te houden, het niet verloren te laten gaan, het niet uit handen te laten nemen, de plaats niet te laten bezetten.
Het gaat dus om een heel 'geestelijke' en 'spirituele' zaak: het leren vrezen van de Heer, je leven lang; maar tegelijk gaat het om een heel 'sociale' en 'materiële' zaak: het delen van je rijkdom met de armen om zo samen met de kanslozen van het leven een feest te maken.
En als we nu opnieuw gastvrijheid, een open huis, een open kerk, willen oefenen, dan hebben we vanmorgen toch al een mooie bede gehoord: ‘Als het onweer komt, en als ik dan bang ben, mag ik dan bij Jou ...?
Bidden wij ook maar weer, tégen de on-machten in: ‘Als er een clubje komt waar ik niet bij wil horen, mag ik dan bij Jou? Als er een regel komt waar ik niet aan voldoen kan, mag ik dan bij Jou? En als ik iets moet zijn wat ik nooit geweest ben, mag ik dan bij Jou? Als de oorlog komt en als ik dan moet schuilen, mag ik dan bij Jou?
God, blijf in ons midden. Dan blijven wij gastvrij, dan blijven wij dat oefenen; open kerk, open huis. En dan zorgen de diakenen dat onze tienden bij de voedselbank komen.
Zo gaan we samen verder. Nog vele jaren.
woensdag 21 september 2016
Verbonden met Israel
Israel en kerk
De eerste zondag van oktober is in de kerk, zo lang ik weet, Israëlzondag; naast dat we Israël elke zondag tegen komen in de liturgie. In het besef dat zowel joden als christenen hun eenheid vinden in de God van Israël.
Ik acht het zinvol, als een vorm van permanente educatie, om middels een speciale zondag ons als christelijke gemeente wakker te houden en te bepalen bij de Joodse wortels van het christelijk geloof en de relatie met het levende Jodendom.
In 1949, net na de Tweede Wereldoorlog en de vestiging van de staat Israël, stelde de hervormde synode een jaarlijkse Israëlzondag vast. Het werd de eerste zondag in oktober. In die periode vallen de grote feesten in het Jodendom: Rosj Hasjana (Nieuwjaarsdag), Jom Kippoer (Grote Verzoendag), Soekot (Loofhuttenfeest).
Er zijn drie motieven voor zo’n aparte markering in het kerkelijk jaar: gestalte geven aan de verbondenheid met het volk Israël, bezinning op de relatie Kerk en Israël, en gebed voor het volk Israël.
Velen, buiten en binnen de kerken, denken heden ten dage bij Israël niet alleen of in eerste instantie aan de relatie met het volk Israël, maar aan de staat en aan het conflict tussen Israel en de Arabische buurlanden. Het conflict breekt door alles heen. Bidden voor het volk Israël kun je niet meer los zien van bidden voor Palestijnen in de door de staat Israel bezette gebieden. Hoe doe je dat? De roeping tot het gestalte geven aan in de Protestantse kerk zogenoemde ´onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël´ gaat samen op met de diaconale roeping en de roeping tot oecumenische verbondenheid met christenen wereldwijd, inclusief Palestijnse christenen.
Ook al kunnen deze roepingen botsen en schuren, de Protestantse Kerk kan geen van deze roepingen veronachtzamen. In de beleidsnota over het Israëlisch-Palestijnse conflict uit 2008 wordt nog eens verwoord dat de keuze voor het woord onopgeefbaar ‘verstaan dient te worden tegen de achtergrond van een eeuwenlange geschiedenis waarin de kerk zich sterk had vervreemd van haar wortels in het volk Israël, met alle voor Israël – en op een andere manier voor de kerk – desastreuze gevolgen’. Met andere woorden: in de kerk is theologische herbezinning een permanente must. In de eerste plaats om niet weer te vervallen in bijbelverstaan waarmee anti-semitisme (weer) gerechtvaardigd zou kunnen worden. En in de tweede plaats, daartoe geroepen door mede-christenen in Palestina, om niet illegale bezetting en schending van mensenrechten bijbels recht te praten.
Deze van twee kanten nodige bezinning brengt ons verlegenheid, waar we doorheen zullen moeten.
In de eerste plaats is er het besef, meestal onuitgesproken, met Israël dezelfde God te aanbidden. De God van Abraham, Isaak en Jakob is dezelfde als de Vader van Jezus Christus -de Zoon van David-. Israël is in de liturgie een vanzelfsprekende aanwezigheid in onze aanbidding van God. De liturgie is in al zijn facetten de aanbidding van Israëls God. Dat is niet zozeer een kwestie van meer aandacht maar van gelovig bewustzijn.
In de tweede plaats delen wij de Schriften met Israel. Het is daarom van belang ervoor zorg te dragen dat in elke eredienst die Schrift wordt gelezen. De gangbare leesroosters voorzien voor iedere zondag in lezingen uit het Eerste Testament. Die lezen wij en horen we nadrukkelijk als basis voor de verkondiging van het evangelie en de liedkeuze (waarin minimaal een psalm). Het nieuwe Liedboek neemt uitdrukkelijk de psalmen, de liturgie van Israël, op.
En ten derde is dus de vraag, van ons als christenen aan onszelf, en van Israel aan ons en van ons aan Israel: hoe lezen we, hoe verstaan we de -gezamenlijke- Schrift, de TeNaCh, het Eerste Testament?
Samen met joden, in Antwerpen, in Amsterdam, in Berlijn, in New York, in Jerusalem, putten we uit dezelfde bronnen, leven we vanuit dezelfde woorden. Mét alle weerbarstigheid kunnen we keer op keer leren en beleven dat de God van Israël een God van compassie en recht is, voor alle mensen.
(Met dank aan de landelijke werkgroep Kerk & Israel.)
Antisemitisme
Stel dat je vrienden de ´Protocollen van de wijzen van Zion´ hebben gelezen, samen met alle verhalen van middeleeuwse bloedsmaad, en dat zij elk woord geloven.
Je kunt protesteren- maar ze lezen het op het internet, in The Guardian en de Electronic Intifada, dus het moet waar zijn! Als je probeert uit te leggen dat de joden niet de banken en de media aansturen, noch dat zij achter 9/11 zaten, noch dat zij ISIS beheren, noch kinderen vermoorden (of hun organen stelen), jou wordt verteld dat je dit natuurlijk graag wil geloven over die verraderlijke mensen, maar je vriend weet het t best – en meer dan dat, jij probeert vrijheid van meningsuiting te verstikken.
Vervolgens wordt je getrakteerd op een discussie over hoe je vriend, in goede geweten moet opstaan en vrijmoedig zich moet uitspreken tegen de moord op kinderen en alle andere kwalen waarvan de protocollen (oude en nieuwe) de joden beschuldigen, omdat kinderen vermoorden verkeerd is, genocide verkeerd is, apartheid verkeerd is en wereldheerschappij proberen te krijgen ook te betreuren is.
Is er dan toch wel iets te zeggen dat hen ervan kan overtuigen dat ´de´ joden niet al deze verschrikkelijke dingen doen.
Hoe kennis maken met Israel en Israels God?
In ons dorp, waar ik ben grootgebracht, in de jaren 50, was een joods gezin; de man was onze slager, hij slachtte onze koe. Hij was een dorpeling als ieder ander, behalve dat hij een nakomeling was (in de diaspora) van het volk van die mooie bijbelse verhalen van de zondagsschool, over Jozef, David e.m. Spannend ! En overlevende (besefte ik later) van de uitroeingsstrategie van de nazi´s. En zo raakte ik geboeid door verhalen van Anne Frank en Etty Hillesum en ontdekte ik mooie literatuur van joodse schrijvers, zoals Chaim Potok en I B Singer. Waarin een mooie mengeling van joodse orthodoxie, weemoed, melancholie, vrolijkheid, humor; in Berlijn en New York, b.v. En muziek met dezelfde sfeer, kletzmer. Een mooie verfilming van het verhaal van Yentl ook; waarin de dochter van de rabbi van haar vader wel theologie mocht studeren, tegen de traditie in, maar met de gordijnen van de kamer dicht (want God mocht het wel zien, maar de buren niet). Het ademt gesprek, discussie, alle mogelijkheid om niet in dogma´s vast te gaan zitten (zo leek het), zelfkritisch. Ja, niet zo saai als mijn protestantse kerk op dat moment.
En wat was het een mooie kans om, weer wat later, naar het land Israel te gaan en daar als vrijwilliger in de kibbutz te ondergaan hoe het is om te leven in de ideaal-samenleving ´waar men alles gemeenschappelijk had´. ´Shalom´ als begroeting, waar ik ´moi´ gewend was (met ook, bij het weggaan, ´ajuu´; waarvan ik pas veel later begreep dat dat een verbastering was van ´a dieu´, ga ´met God´).
En dan ook nog hevig verliefd worden op een Israelisch meisje. En dan gaandeweg ontdekken dat in het jodendom ook diverse stromingen zich ontwikkeld hebben, net als in het christendom, met uitersten die niet meer met elkaar in gesprek zijn. En dan vervolgens bewuster en nadrukkelijk op zoek gaan naar die joodse achtergrond van Jezus. En zo ontdekken dat het zogenoemd Nieuwe Testament het Oude niet overbodig maakt, integendeel. Jezus en Paulus leven een specifiek joods geloof. De God over wie in de TeNaCh verteld wordt, daarover getuigt men dat het die God is die het volk uit de slavernij bevrijd heeft. Zo heeft het volk vervolgens, meerdere keren, het vertrouwen gekregen dat met die God bevrijding uit de machten van de dood mogelijk is; als ze zich maar (weer) op diens 10 aanwijzingen richten.
Via Jezus en Paulus m.n. kunnen ook niet-joden (gojim = uit ´de volken´ =´heidenen´) deze God voor hun leven van betekenis verklaren. Machten van de dood, on-geesten, kunnen met deze God overwonnen worden. En dat is wat ik vervolgens herken in de denkwijzen van christelijke theologen als Bonhoeffer en Miskotte en Veerkamp.
Israel heeft (me) een God leren kennen die geen god, of afgod, of on-geest, wil zijn; die daar niets mee te maken wil hebben (en die Abraham wegroept van de godenwereld van zijn vaderstam) en juist zo als een goede God functioneert, gericht op een toekomst van vrede en recht.
Zelfkritisch-zijn zit dus ook in deze traditie verweven. En het is dus vanwege de hedendaagse on-geesten die her en der de kop opsteken (terrorisme, racisme, anti-semitisme, islamofobie, fascisme, ...) dat we ons opnieuw zullen moeten bezinnen. Wat kunnen we (joden, christenen, moslims en andere mensen van goede wil) leren door de geschriften te lezen vanuit de vraag: welke aanwijzingen voor bevrijding worden ons aangereikt?
-Een dringende oproep daartoe hoor ik o.a. bij Palestijnse christenen, die te maken hebben met Israelische bezetters die hun onderdrukkende praktijk legitimeren met de bijbel in de hand (met hun interpretatie). En tot mijn verrassing reageren evangelicals (een christelijke stroming met een traditionele bijbelleeswijze) in ´Christ at the checkpoint´ in Betlehem, heel welwillend op deze oproep.
Intrigerend is ook dit: Op 7 en 8 november a.s. vindt in Utrecht een internationaal symposium plaats: Symposium Jezus en Paulus - joodse hervormers Jezus en Paulus: joodse broeders - joodse hervormers. Het is dit thema waarvoor Kerk & Israël uitgebreid aandacht vraagt.
Ik ben benieuwd naar de uitkomsten daarvan.
(Gepubliceerd in de najaarseditie 2016 van KiM, Kerk in het midden, Nieuws van de Nieuwe Kerk, Middelburg. jrg 6, nr. 13.)
De eerste zondag van oktober is in de kerk, zo lang ik weet, Israëlzondag; naast dat we Israël elke zondag tegen komen in de liturgie. In het besef dat zowel joden als christenen hun eenheid vinden in de God van Israël.
Ik acht het zinvol, als een vorm van permanente educatie, om middels een speciale zondag ons als christelijke gemeente wakker te houden en te bepalen bij de Joodse wortels van het christelijk geloof en de relatie met het levende Jodendom.
In 1949, net na de Tweede Wereldoorlog en de vestiging van de staat Israël, stelde de hervormde synode een jaarlijkse Israëlzondag vast. Het werd de eerste zondag in oktober. In die periode vallen de grote feesten in het Jodendom: Rosj Hasjana (Nieuwjaarsdag), Jom Kippoer (Grote Verzoendag), Soekot (Loofhuttenfeest).
Er zijn drie motieven voor zo’n aparte markering in het kerkelijk jaar: gestalte geven aan de verbondenheid met het volk Israël, bezinning op de relatie Kerk en Israël, en gebed voor het volk Israël.
Velen, buiten en binnen de kerken, denken heden ten dage bij Israël niet alleen of in eerste instantie aan de relatie met het volk Israël, maar aan de staat en aan het conflict tussen Israel en de Arabische buurlanden. Het conflict breekt door alles heen. Bidden voor het volk Israël kun je niet meer los zien van bidden voor Palestijnen in de door de staat Israel bezette gebieden. Hoe doe je dat? De roeping tot het gestalte geven aan in de Protestantse kerk zogenoemde ´onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël´ gaat samen op met de diaconale roeping en de roeping tot oecumenische verbondenheid met christenen wereldwijd, inclusief Palestijnse christenen.
Ook al kunnen deze roepingen botsen en schuren, de Protestantse Kerk kan geen van deze roepingen veronachtzamen. In de beleidsnota over het Israëlisch-Palestijnse conflict uit 2008 wordt nog eens verwoord dat de keuze voor het woord onopgeefbaar ‘verstaan dient te worden tegen de achtergrond van een eeuwenlange geschiedenis waarin de kerk zich sterk had vervreemd van haar wortels in het volk Israël, met alle voor Israël – en op een andere manier voor de kerk – desastreuze gevolgen’. Met andere woorden: in de kerk is theologische herbezinning een permanente must. In de eerste plaats om niet weer te vervallen in bijbelverstaan waarmee anti-semitisme (weer) gerechtvaardigd zou kunnen worden. En in de tweede plaats, daartoe geroepen door mede-christenen in Palestina, om niet illegale bezetting en schending van mensenrechten bijbels recht te praten.
Deze van twee kanten nodige bezinning brengt ons verlegenheid, waar we doorheen zullen moeten.
In de eerste plaats is er het besef, meestal onuitgesproken, met Israël dezelfde God te aanbidden. De God van Abraham, Isaak en Jakob is dezelfde als de Vader van Jezus Christus -de Zoon van David-. Israël is in de liturgie een vanzelfsprekende aanwezigheid in onze aanbidding van God. De liturgie is in al zijn facetten de aanbidding van Israëls God. Dat is niet zozeer een kwestie van meer aandacht maar van gelovig bewustzijn.
In de tweede plaats delen wij de Schriften met Israel. Het is daarom van belang ervoor zorg te dragen dat in elke eredienst die Schrift wordt gelezen. De gangbare leesroosters voorzien voor iedere zondag in lezingen uit het Eerste Testament. Die lezen wij en horen we nadrukkelijk als basis voor de verkondiging van het evangelie en de liedkeuze (waarin minimaal een psalm). Het nieuwe Liedboek neemt uitdrukkelijk de psalmen, de liturgie van Israël, op.
En ten derde is dus de vraag, van ons als christenen aan onszelf, en van Israel aan ons en van ons aan Israel: hoe lezen we, hoe verstaan we de -gezamenlijke- Schrift, de TeNaCh, het Eerste Testament?
Samen met joden, in Antwerpen, in Amsterdam, in Berlijn, in New York, in Jerusalem, putten we uit dezelfde bronnen, leven we vanuit dezelfde woorden. Mét alle weerbarstigheid kunnen we keer op keer leren en beleven dat de God van Israël een God van compassie en recht is, voor alle mensen.
(Met dank aan de landelijke werkgroep Kerk & Israel.)
Antisemitisme
Stel dat je vrienden de ´Protocollen van de wijzen van Zion´ hebben gelezen, samen met alle verhalen van middeleeuwse bloedsmaad, en dat zij elk woord geloven.
Je kunt protesteren- maar ze lezen het op het internet, in The Guardian en de Electronic Intifada, dus het moet waar zijn! Als je probeert uit te leggen dat de joden niet de banken en de media aansturen, noch dat zij achter 9/11 zaten, noch dat zij ISIS beheren, noch kinderen vermoorden (of hun organen stelen), jou wordt verteld dat je dit natuurlijk graag wil geloven over die verraderlijke mensen, maar je vriend weet het t best – en meer dan dat, jij probeert vrijheid van meningsuiting te verstikken.
Vervolgens wordt je getrakteerd op een discussie over hoe je vriend, in goede geweten moet opstaan en vrijmoedig zich moet uitspreken tegen de moord op kinderen en alle andere kwalen waarvan de protocollen (oude en nieuwe) de joden beschuldigen, omdat kinderen vermoorden verkeerd is, genocide verkeerd is, apartheid verkeerd is en wereldheerschappij proberen te krijgen ook te betreuren is.
Is er dan toch wel iets te zeggen dat hen ervan kan overtuigen dat ´de´ joden niet al deze verschrikkelijke dingen doen.
Hoe kennis maken met Israel en Israels God?
In ons dorp, waar ik ben grootgebracht, in de jaren 50, was een joods gezin; de man was onze slager, hij slachtte onze koe. Hij was een dorpeling als ieder ander, behalve dat hij een nakomeling was (in de diaspora) van het volk van die mooie bijbelse verhalen van de zondagsschool, over Jozef, David e.m. Spannend ! En overlevende (besefte ik later) van de uitroeingsstrategie van de nazi´s. En zo raakte ik geboeid door verhalen van Anne Frank en Etty Hillesum en ontdekte ik mooie literatuur van joodse schrijvers, zoals Chaim Potok en I B Singer. Waarin een mooie mengeling van joodse orthodoxie, weemoed, melancholie, vrolijkheid, humor; in Berlijn en New York, b.v. En muziek met dezelfde sfeer, kletzmer. Een mooie verfilming van het verhaal van Yentl ook; waarin de dochter van de rabbi van haar vader wel theologie mocht studeren, tegen de traditie in, maar met de gordijnen van de kamer dicht (want God mocht het wel zien, maar de buren niet). Het ademt gesprek, discussie, alle mogelijkheid om niet in dogma´s vast te gaan zitten (zo leek het), zelfkritisch. Ja, niet zo saai als mijn protestantse kerk op dat moment.
En wat was het een mooie kans om, weer wat later, naar het land Israel te gaan en daar als vrijwilliger in de kibbutz te ondergaan hoe het is om te leven in de ideaal-samenleving ´waar men alles gemeenschappelijk had´. ´Shalom´ als begroeting, waar ik ´moi´ gewend was (met ook, bij het weggaan, ´ajuu´; waarvan ik pas veel later begreep dat dat een verbastering was van ´a dieu´, ga ´met God´).
En dan ook nog hevig verliefd worden op een Israelisch meisje. En dan gaandeweg ontdekken dat in het jodendom ook diverse stromingen zich ontwikkeld hebben, net als in het christendom, met uitersten die niet meer met elkaar in gesprek zijn. En dan vervolgens bewuster en nadrukkelijk op zoek gaan naar die joodse achtergrond van Jezus. En zo ontdekken dat het zogenoemd Nieuwe Testament het Oude niet overbodig maakt, integendeel. Jezus en Paulus leven een specifiek joods geloof. De God over wie in de TeNaCh verteld wordt, daarover getuigt men dat het die God is die het volk uit de slavernij bevrijd heeft. Zo heeft het volk vervolgens, meerdere keren, het vertrouwen gekregen dat met die God bevrijding uit de machten van de dood mogelijk is; als ze zich maar (weer) op diens 10 aanwijzingen richten.
Via Jezus en Paulus m.n. kunnen ook niet-joden (gojim = uit ´de volken´ =´heidenen´) deze God voor hun leven van betekenis verklaren. Machten van de dood, on-geesten, kunnen met deze God overwonnen worden. En dat is wat ik vervolgens herken in de denkwijzen van christelijke theologen als Bonhoeffer en Miskotte en Veerkamp.
Israel heeft (me) een God leren kennen die geen god, of afgod, of on-geest, wil zijn; die daar niets mee te maken wil hebben (en die Abraham wegroept van de godenwereld van zijn vaderstam) en juist zo als een goede God functioneert, gericht op een toekomst van vrede en recht.
Zelfkritisch-zijn zit dus ook in deze traditie verweven. En het is dus vanwege de hedendaagse on-geesten die her en der de kop opsteken (terrorisme, racisme, anti-semitisme, islamofobie, fascisme, ...) dat we ons opnieuw zullen moeten bezinnen. Wat kunnen we (joden, christenen, moslims en andere mensen van goede wil) leren door de geschriften te lezen vanuit de vraag: welke aanwijzingen voor bevrijding worden ons aangereikt?
-Een dringende oproep daartoe hoor ik o.a. bij Palestijnse christenen, die te maken hebben met Israelische bezetters die hun onderdrukkende praktijk legitimeren met de bijbel in de hand (met hun interpretatie). En tot mijn verrassing reageren evangelicals (een christelijke stroming met een traditionele bijbelleeswijze) in ´Christ at the checkpoint´ in Betlehem, heel welwillend op deze oproep.
Intrigerend is ook dit: Op 7 en 8 november a.s. vindt in Utrecht een internationaal symposium plaats: Symposium Jezus en Paulus - joodse hervormers Jezus en Paulus: joodse broeders - joodse hervormers. Het is dit thema waarvoor Kerk & Israël uitgebreid aandacht vraagt.
Ik ben benieuwd naar de uitkomsten daarvan.
(Gepubliceerd in de najaarseditie 2016 van KiM, Kerk in het midden, Nieuws van de Nieuwe Kerk, Middelburg. jrg 6, nr. 13.)
vrijdag 24 juni 2016
Het Grote Verhaal
Ton Veerkamp vertelt de politieke geschiedenis van het ‘Grote Verhaal’. Het verhaal van jodendom en christendom, van Thora en Bijbel.
Ton Veerkamps heimwee naar een bewoonbare wereld. De Bijbel is per slot van rekening een eeuwenoude bron van sociaal denken, ook zinvol voor hedendaagse politiek betrokken mensen.
(Presentatie van: Ton Veerkamp, Deze wereld anders. Politieke geschiedenis van het Grote Verhaal, Uitg. Skandalon Vught.)
Het grote verhaal van de bijbel en van de tradities die daaruit zijn voortgekomen, is gericht op de bevrijding en emancipatie van mens en samenleving. Dat was ook de inzet van Verlichting en socialisme. Wat is daar nog van over en hoe gaan we verder? Rest ons nog enkel rouwverwerking, of kunnen nieuwe perspectieven rond bevrijding en emancipatie worden geformuleerd, in het verlengde van het grote verhaal en als nieuwe articulatie daarvan?
Ton Veerkamp, theoloog, voormalig Jezuïet. Na filosofie en theologiestudies in Nederland en de VS (Nijmegen, Maastricht, New York), ging hij van 1970 tot 1989 aan de slag als studentenpastor van de Evangelische Studentengemeinde voor buitenlandse studenten aan Berlijnse Hogescholen. Hij was jarenlang hoofdredacteur van het exegetische tijdschrift Texte und Kontexte. Hij publiceerde o.a. De vernietiging van de Baäl (1983) en Der Gott der Liberalen (2005).
Oorspronkelijk was de Tora een politiek ontwerp vanuit het Joodse volk voor een maatschappij met vrijheid en gelijkheid voor iedereen: niet een andere wereld, maar deze wereld anders! Een aards boek over aardse zaken, in de volledig andere taal van die tijd.
Het christendom richtte zich met dit Grote Verhaal op de hemel, de hemel van de volksreligies. De aarde werd bijzaak en daarvoor betaalde het christendom met een vaak buitensporige aanpassing aan een wereld van macht en onderdrukking. Ze hield met die leer stand tot ver in de moderne tijd.
Het verlangen naar menselijkheid en rechtvaardigheid is echter nooit gedoofd: het Grote Verhaal blijft.
Met zijn boek Deze wereld anders onderneemt Ton Veerkamp de verdienstelijke poging om, uitgaande van de historische bronnen, het 'Grote Verhaal' van Israël en de oorsprong van het christendom uit te leggen. Veerkamp vertelt in zijn boek het verhaal van het Joodse volk vanaf de verwoesting van Jeruzalem in 600 voor Christus, tot aan het einde van het Romeinse Rijk, rond het jaar 500. Het Griekse rijk van Alexander de Grote komt in beeld, met de cultuur van het Hellenisme, en veel later de komst van de Romeinen in de regio. En uiteindelijk betreden de christelijke keizers in Rome en Constantinopel het toneel.
Het gaat Veerkamp om de kritische rol die het Joodse volk speelde, wat tot uitdrukking kwam in hun religieuze geschriften. 'Deze wereld anders' is een oefening in een manier van lezen die tekst en context bijeenhoudt: Groot Verhaal en politieke economie. Een zeldzaam standaardwerk, met bijbels-theologische hoofdlijnen van praktisch elk bijbelboek. Het boek cirkelt om de overtuiging dat het Joodse volk de keuze maakte voor een alternatieve samenleving, gegrond op recht en gerechtigheid, autonomie en gelijkheid. De hooggestemde idealen werden echter bekritiseerd en weggehoond, ook door tegenstemmen in het volk zelf. Niettemin bleek een kleine groep trouw aan ‘het Grote Verhaal’.
Op vrijwel elke pagina van dit boek lees je over recht, bevrijding, autonomie, onderdrukking– of hoe de sociale orde ook wordt benoemd. Dat zal voor veel Bijbellezers een verrassende – of bevreemdende– benadering zijn. Christenen lezen de Bijbel doorgaans als een persoonlijk geloofsboek. Met het oog op je persoonlijke vragen, zorgen en verlangens lees je psalmen, profetieën en Bijbelse geschiedenissen. Wat je leest, vertaal je naar je eigen individuele situatie.
Een herderslied als Psalm 23 geeft je troost en bemoediging, terwijl de brieven van Paulus je motiveren om als vernieuwd mens te leven, geïnspireerd door de Geest. Maar is dat het hele verhaal? Of nog scherper gesteld, is dat wel het eigenlijke verhaal van de Bijbel? Ton Veerkamp vindt dat je de Bijbel vooral als een politiek geschrift moet lezen, een boek dat mikt op respectvolle sociale verhoudingen en op gerechtigheid in de samenleving.
Ook andere theologen trekken wel lijnen naar politiek en samenleving, maar Veerkamp gaat nog stappen verder. Hij is tamelijk radicaal in zijn opvatting dat het in de Bijbelse geschriften gaat om protest tegen zaken als grootgrondbezit en uitbuiting door de heersende klasse.
Tora-republiek
Het grote beginpunt van Het Grote Verhaal ligt wat Veerkamp betreft bij de periode rond het jaar 400 voor Christus. Toen keerden de Joden terug uit de ballingschap in Babel. Op dat moment neemt de profeet Nehemia de leiding en dan ontstaat -wat hij noemt- de ‘Tora-republiek’.
Volgens Veerkamp was dit een compleet nieuw initiatief: een maatschappijvorm die niet gebaseerd was op macht en geld, niet op hebzucht en gewin, maar op de principes die het Joodse volk ontleende aan zijn geloofstraditie.
Het Bijbelboek Deuteronomium bv., dat de bevrijding van Israël uit Egypte als achtergrond heeft, dringt erop aan om als bevrijde mensen zelf nu ook ‘het land te bevrijden van uitbuitings-verhoudingen en daardoor een orde van autonomie en gelijkheid te stichten’.
Rond het jaar 300 voor Christus kreeg het zogenoemde hellenisme vat op het Midden-Oosten. Het kwam erop neer dat de Griekse cultuur een grote verspreiding kreeg, die eeuwen zou duren.
De Joden die zich na de veroveringen van Alexander de Grote in het Egyptische Alexandrië hadden gevestigd, stonden daardoor voor de vraag hoe zij het eigene van hun geloofstraditie, het Grote Verhaal, in hun nieuwe context zouden kunnen vertolken.
Veerkamp noemt de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel, de zogenoemde Septuaginta, een ‘transculturele prestatie van het hoogste niveau’. Het eigen van het Tora-geloof werd nu beschikbaar in de taal van een radicaal andere cultuur. Maar juist de wisselwerking tussen de ene cultuur en de andere – het jodendom en het hellenisme – had fikse risico’s. Het eigen karakter van het Grote Verhaal kan verbleken, en volgens Veerkamp is dat toen -en daarna vaker- gebeurd.
De politieke geschiedenis van het Grote Verhaal van de bijbel is die van nederlagen met af en toe een nieuwe kans. Veerkamp wil laten zien dat de psalmen, b.v., teksten zijn over ‘de ideologische strijd die het Grote Verhaal met het hellenisme voerde’. In het Griekse denken was het rationele en het geestelijke van groot belang, meer dan de aarde en de modder van de samenleving. De psalmen zetten die manier van denken de voet dwars. Je kunt ze niet voor je innerlijke geestelijke behoeften benutten ‘zonder de verrotting van de maatschappij de oorlog te verklaren’, zo zegt Veerkamp.
Het betoog van Veerkamp is geen verhaal van vrolijk-makend succes. Het mooie begin van de Tora-republiek bleef klein, werd weggedrukt, miskend en slecht begrepen. Een nieuwe kans bood de messiaanse gemeente -die zich liet inspireren door het leven van Jezus van Nazaret. De apostel Paulus zag hier een alternatief voor een joodse opstand die alleen maar kon uitlopen op een verschrikkelijke nederlaag -zoals de twee ´joodse oorlogen´ ook bewezen (66-70 en 132-135).
De verovering en verwoesting van Jeruzalem in 70 door de Romeinen maakte duidelijk hoe precair ook dit messiaanse project was. De vier evangeliën willen duidelijk maken dat de nederlaag van de messias en het judese volk níet het laatste woord is. Daarom laten ze de opstanding horen als slotakkoord, niet triomfaal, maar toch als zege. De apostolische geschriften eindigen met het boek Openbaring: de zege van Israel op de Romeinse wereldorde.
De kerk in de eerste eeuwen van het christendom heeft het Grote Verhaal geen recht gedaan, maar wilde zich volgens Veerkamp maar al te graag aanpassen aan de machten die het in de wereld voor het zeggen hebben. Dit is tekenend voor het hele beeld gedurende de eeuwen die Veerkamp beschrijft. Het Grote Verhaal, zo kunnen we begrijpen, is altijd het verhaal van een kleine groep idealisten gebleven, die nauwelijks serieus werden genomen, noch door de wereld, noch door de kerk.
Als je de hele geschiedenis doorneemt, tot en met de kerkvaders, is duidelijk dat het project van
het ‘grote verhaal’ niet is gelukt. Het christendom heeft zich zelfs tegenóver het jodendom gepositioneerd. Er is wel altijd een kleine groep die het draaiende houdt en het verder brengt, in beide tradities, joodse en christelijke. De poging van Marcion om TeNaCh uit de canon te schrappen werd tot ketterij verklaard; hoewel je niet nu de christenen de kost zal moeten geven die het desondanks enkel met een Nieuw Testament-plus-de-Psalmen doen.
Ik, niet wij
Voor Veerkamp is niet de vraag óf God bestaat beslissend, maar de vraag wát in onze samenleving als God fungeert. God is datgene waarin alle maatschappelijke afhankelijkheidsrelaties zich concentreren, zegt Veerkamp. Solidariteit bijvoorbeeld kan dus ‘god’ zijn in een samenleving, maar ook: Eigenbelang, Kapitaal, … Een maatschappij zonder God, zonder een punt waarop alles betrekking heeft en waarvan alles afhangt, bestaat gewoonweg niet.
Datgene wat in de samenleving als ‘God’ wordt beschouwd, vormt een grondstructuur waarrond een ‘Groot Verhaal’ ontstaat. Zo’n ‘Groot Verhaal’ is het verhaal dat een maatschappij aanstuurt en samenhoudt, waarin elke mens zijn plaats en rol aangewezen krijgt –het wordt door de meerderheid van de leden van de maatschappij -bewust of onbewust- aangenomen als: te volgen ‘waarheid’.
Heeft het Grote Verhaal in onze tijd zijn verwerkelijking gevonden -tot op grote hoogte-?
Franse filosofen verkondigden in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw ‘het einde van de grote discoursen, van de grote verhalen’. We zijn zogenaamd levensbeschouwelijke neutraal geworden. Deze neutraliteit veroorzaakt echter, zo ziet Veerkamp, een zwart gat of een leegte, die maar al te graag wordt ingenomen door de alles behalve neutrale ideologie van het neoliberalisme dat geleidelijk de geesten van velen is gaan bezetten.
“Zoiets als een maatschappij bestaat niet, er zijn alleen maar individuen en families”, zo drukte Margareth Thatcher het uit in een interview in 1987. Het grote verhaal van het neoliberalisme doet alsof er geen groot verhaal meer is: geen samenhang, geen maatschappij meer. Het neoliberalisme, zegt Veerkamp, was van meet af aan een verkapt religieus concept. Dat blijkt ook uit het van Adam Smith gevolgde concept van de ‘onzichtbare hand’: ieder mag handelen uit eigenbelang, maar een onzichtbare hand zorgt ervoor dat uit al die individuele economische beslissingen een ‘common wealth’ ontstaat, een algemeen belang. Zoiets als: ´ieder voor zich, de Vrije markt voor ons allen´. De ware godsdienst van deze neoliberale god is de vrije concurrentie: Ik, niet wij.
Altijd een god
Dat Veerkamp de inspiratie voor zijn politieke analyse precies uit de bijbel haalt, verrast velen vandaag wellicht. Toch gaat het om één van de grondvragen in de joodse schrift: Welke god wordt hier aanbeden? Veerkamp illustreert het met een zin uit het boek 1 Koningen waar de profeet Elia heel het volk laat samenroepen en hen de vraag stelt: “Hoe lang willen jullie op twee takken dansen? Is JHWH God, loop hem achterna. Is het de Baal, loop hem achterna.”
Fundamenteel gaat het in de bijbel dus om slechts twee mogelijke keuzes: Ofwel aanbid je ‘JHWH’ – het vervoegde werkwoord ‘ik-zal-er-zijn’ waarmee Israël haar God omschrijft: “Ik ben het, JHWH, die jullie voerde uit het land Egypte, uit het huis van de slavernij” (Exodus 20,2). De keuze voor JHWH is de keuze voor een samenleving van vrijen en gelijken, voor het einde van de heerschappij van mensen over mensen.
Ofwel aanbid je de Baäl, die personaliseert de heer en bezitter, de echtgenoot als eigenaar van zijn vrouw. Hij staat voor een maatschappij van het grootgrondbezit en het patriarchaat.
Er wordt dus altijd een god aanbeden. De vraag is voor welke soort God de meerderheid in een samenleving kiest. En uiteraard ook: voor welke jij kiest.
De nieuwe postmoderne leus is die van het verdwijnen van de Grote Verhalen. Ondanks dit in onze jaren aangekondigde ‘einde van de grote verhalen’ stelt Veerkamp de vraag waarmee de leegte werd opgevuld, welke is werkelijk het dominerende ´religieuze´ verhaal?
En vervolgens stelt hij dat wij met de profetische verhaaltraditie van de bijbel toch nog een groot verhaal hebben dat het dominante verhaal van vandaag, met haar eigen god en priesters, kan helpen ‘ontmaskeren’ en het verzet ertegen helpt te organiseren. Het Verhaal blijft, en daarmee het verlangen naar vrijheid en gelijkheid.
Tekst in context
Nadenken over de concrete betekenis van die onuitsprekelijke NAAM van de God van Israël: wat betekent het ‘er te zijn’ voor mekaar, voor de zwaksten eerst, en weg te trekken uit slavernijen, uit onderdrukkende systemen - hier en nu, dat vraagt steeds intensiever het Grote Verhaal van JHWH lezen en herlezen.
De manier waarop Veerkamp een bijbeltekst benadert, wijkt danig af van de traditionele kerkelijke lezing. Hij benadert de Schrift als teksten die in een specifieke verhaaltraditie staan en steeds ingebed zijn in een concrete context. Daarbij is het uitermate belangrijk de samenleving waarin de teksten zijn ontstaan grondig te kennen en te verrekenen bij het zoeken naar de betekenis van de tekst. De tekst speelt altijd in –bewust of onbewust – op het sociale proces waarin mensen leven en bepaalde posities innemen. De tekst vormt dus ook steeds een standpunt in een specifiek maatschappelijk debat. Daarmee kant Veerkamp zich ook tegen de idee dat bijbelteksten eeuwige waarheden verkondigen. De waarheid die we daarin dan zouden moeten lezen, is niet zelden de waarheid van wie de bijbelteksten interpreteert en uitlegt.
Eén van de voorbeelden hiervan is de lezing van de Bergrede bij Mattheus: de visie die Jezus verwoordt (o.m. “Slaat iemand u op de wang, keer hem dan ook de andere wang toe”) wordt meestal uitgelegd als algemene waarheid voor iedereen, overal geldend. De woorden die Mattheus hier in de mond van Jezus legt, omstreeks het jaar 85 na Christus, worden losgekoppeld van de socio-politieke context, de bestaande machtsverhoudingen op het moment dat het verhaal geschreven werd én het moment waarover de tekst verhaalt. Resultaat is dat Jezus een pleidooi lijkt te houden voor een pacifistische houding ten aanzien van geweld; in elke situatie, altijd en overal. De tekst wordt zo vergeestelijkt, waardoor de woorden hun politieke lading kwijt spelen.
Via zijn contextuele lezing van de tekst komt Veerkamp tot andere conclusies: in de joodse strijd tegen de Romeinse bezetter was er discussie omtrent de te volgen strategie: diende het verzet manu militari vormgegeven te worden, of niet? De Jezus-beweging lag daarover in debat met andere joodse fracties, en verduidelijkt in de Bergrede de eigen strategie: geen gewapend verzet -want dat is momenteel zelfmoord : de overmacht van de Romeinen is op dit moment veel te groot. Maar we zullen ook niet buigen. Er wordt o.m. gepleit voor het zich niet laten ‘verdelen en beheersen’, voor het versterken van de onderlinge solidariteit, voor het overeind houden van de eigen identiteit (het geloof in een alternatief en in een andere God dan de Romeinse keizer!) en voor een solidaire praktijk onder de slachtoffers van de bezetting.
Teksten ánders
Ondanks het aangekondigde ‘einde van de grote verhalen’ hebben wij met deze profetische verhaaltraditie toch wel een groot verhaal dat het dominante verhaal van vandaag, met haar eigen god en priesters, kan helpen ‘ontmaskeren’ en het verzet ertegen helpt te organiseren. Toch moeten we niet naïef zijn, waarschuwt Veerkamp: “Natuurlijk dienen we allemaal de ene heer, de Baäl, het systeem van meedogenloze macht van mensen over mensen. Denken dat we de Baäl de rug toekeren, als we bananen eten of koffie drinken uit Fair Trade, biologische producten en elektrische stroom uit windmolens kopen, en we dus met een goed inkomen en met een gerust hart aan de goede kant zitten, is een illusie. We nemen deel aan het systeem van uitbuiting, vergiftiging (en doodgroeien, GB), of we dat willen of niet.”
Veerkamp wijst op de wijze waarop God, de Naam, reageert op de depressie van zijn profeet Elia. Elia vlucht, door koningin Izebel ten dode toe vervolgd en -naar hij denkt- door iedereen in de steek gelaten, volstrekt gedeprimeerd, de woestijn in, om daar te sterven. God, de Naam, roept hem tot de orde: ga, keer terug, naar de woestijn van Damascus (2Kon. 19:15). Terug naar de wereld waarin bevrijding de uitzondering, onderdrukking de regel is. We hebben eenvoudig onze plicht te doen: het Grote Verhaal te vertellen, door het met de wereld in verband te brengen.
Met dit kritische bewustzijn omtrent de eigen positie leert Veerkamp ons: “Theologie is geen wellness-christendom voor de burgerlijke ziel. Theologie is het antwoord op onze aardse vragen: wat zullen we eten, wat zullen wij drinken, hoe verdelen we wat we hebben. En die vragen mogen we niet aan de monotheïsten van ‘There is no alternative’ overlaten.
Ons verhaal tegen hun verhaal, dat is theologie. Steeds intensiever het Grote Verhaal van JHWH lezen en herlezen.” Nadenken over de concrete betekenis van die onuitsprekelijke NAAM van de God van Israël: wat betekent het ‘er te zijn’ voor mekaar, voor de zwaksten eerst, en weg te trekken uit slavernijen, uit onderdrukkende systemen - hier en nu, in deze concrete politieke situatie waarin we ons bevinden?
Het boek Deze wereld anders gaat over hoop en over zinvolle perspectieven voor de samenleving. ´Israël heeft andere ‘teksten' geschreven, anders dan het Gilgamesj-epos van het oude Mesopotamië, anders dan de Griekse Ilias, anders dan de Avesta van het oude Iran, anders dan de Upanishaden van het oude India´; anders ook dan ons hedendaagse ´there is no alternative´.
´Ik´ weer tot ´wij´
In Veerkamps Grote Verhaal is God die een zelfstandige rol speelt slechts indirect te vinden, omdat er zo sterk gedacht wordt vanuit maatschappelijke, sociale en politieke processen. God als Heer van de geschiedenis is verborgen aanwezig. De verwachting is gericht op menselijke inspanningen voor een betere wereld, maar die inspanningen zijn altijd dubbelzinnig en feilbaar.
Het betoog van Veerkamp is innemend te noemen, omdat hij het aandurft ‘het grote verhaal’ weer te vertellen. Dat dreigt de kerk tegenwoordig weleens wat te vergeten. Hij heeft ook zeker een punt in de zin dat de Bijbel een ‘partijdig’ boek is. Als je ‘ja’ zegt tegen de Messias kies je ook positie in maatschappelijke vraagstukken.
Het boek van Veerkamp is uitnodigend geschreven, het doet een appel op je om de Bijbel niet alleen op de innerlijke mens te laten slaan, met troost voor het individuele hart in droevige dagen. Geloof is ook een maatschappelijke factor, dat is een heel sterk en overtuigend punt bij Veerkamp. De vraag mag gesteld in hoeverre men in de kerk bezig is met de maatschappij, terwijl sociale en politieke betrokkenheid goede Bijbelse papieren heeft.
Dit is precies waartoe Veerkamp gelovigen uitnodigt : het zorgvuldig analyseren van de economische en politieke situatie en de daarmee samenhangende machtsverhoudingen, het onzichtbare dominante verhaal bloot leggen, de Baäls van vandaag ontmaskeren, onze eigen banden met de slavernij onder de loep nemen, onze gemeenschappelijke handelingsruimte om eruit weg te trekken exploreren, de solidariteit opnieuw in de vingers krijgen, ons ‘ik’ weer trainen tot een ‘wij’. Ook ten aanzien van het ‘neutraliteitsdenken’ dat vandaag bon ton is, heeft Veerkamp ons met een gezonde portie argwaan opgezadeld: een neutrale positie bestaat niet. Je staat altijd ergens. Je versterkt altijd één stem in het debat. Ook als je zwijgt. Ook als je geen kant wil kiezen.
Met het boek krijg je een heel andere uitleg binnen dan wat je meestal hoort. Bij de psalmen ervaren we doorgaans op een fantastische manier hoogten en diepten in ons gevoelsleven, waarin we ons als individu aangesproken voelen. Maar Veerkamp ziet er politieke liederen in, strijd-liederen zelfs. Als je zijn uitleg gelezen hebt en dan een psalm zingt, krijg je een totaal andere beleving. De oude lezing met het oog op het persoonlijke geloof mag blijven bestaan, maar je hoeft het er niet toe te beperken. Dat leer je van Veerkamp.
Als laatste: In de plaats van elkaar nog langer vliegen af te vangen, doen de tradities van jodendom, christendom, islam en humanisme er goed aan te focussen op het hart van hun eigen tradities en samen op zoek te gaan naar wegen om de solidariteit opnieuw in het centrum te plaatsen van een samenleving die ziek is van egocentrisme.
Gerrit Buunk, 8 december 2015, Middelburg. (Ik heb deze presentatie opgesteld met hulp van inleidingen van anderen, o.a. Dick Boer.)
Ton Veerkamps heimwee naar een bewoonbare wereld. De Bijbel is per slot van rekening een eeuwenoude bron van sociaal denken, ook zinvol voor hedendaagse politiek betrokken mensen.
(Presentatie van: Ton Veerkamp, Deze wereld anders. Politieke geschiedenis van het Grote Verhaal, Uitg. Skandalon Vught.)
Het grote verhaal van de bijbel en van de tradities die daaruit zijn voortgekomen, is gericht op de bevrijding en emancipatie van mens en samenleving. Dat was ook de inzet van Verlichting en socialisme. Wat is daar nog van over en hoe gaan we verder? Rest ons nog enkel rouwverwerking, of kunnen nieuwe perspectieven rond bevrijding en emancipatie worden geformuleerd, in het verlengde van het grote verhaal en als nieuwe articulatie daarvan?
Ton Veerkamp, theoloog, voormalig Jezuïet. Na filosofie en theologiestudies in Nederland en de VS (Nijmegen, Maastricht, New York), ging hij van 1970 tot 1989 aan de slag als studentenpastor van de Evangelische Studentengemeinde voor buitenlandse studenten aan Berlijnse Hogescholen. Hij was jarenlang hoofdredacteur van het exegetische tijdschrift Texte und Kontexte. Hij publiceerde o.a. De vernietiging van de Baäl (1983) en Der Gott der Liberalen (2005).
Oorspronkelijk was de Tora een politiek ontwerp vanuit het Joodse volk voor een maatschappij met vrijheid en gelijkheid voor iedereen: niet een andere wereld, maar deze wereld anders! Een aards boek over aardse zaken, in de volledig andere taal van die tijd.
Het christendom richtte zich met dit Grote Verhaal op de hemel, de hemel van de volksreligies. De aarde werd bijzaak en daarvoor betaalde het christendom met een vaak buitensporige aanpassing aan een wereld van macht en onderdrukking. Ze hield met die leer stand tot ver in de moderne tijd.
Het verlangen naar menselijkheid en rechtvaardigheid is echter nooit gedoofd: het Grote Verhaal blijft.
Met zijn boek Deze wereld anders onderneemt Ton Veerkamp de verdienstelijke poging om, uitgaande van de historische bronnen, het 'Grote Verhaal' van Israël en de oorsprong van het christendom uit te leggen. Veerkamp vertelt in zijn boek het verhaal van het Joodse volk vanaf de verwoesting van Jeruzalem in 600 voor Christus, tot aan het einde van het Romeinse Rijk, rond het jaar 500. Het Griekse rijk van Alexander de Grote komt in beeld, met de cultuur van het Hellenisme, en veel later de komst van de Romeinen in de regio. En uiteindelijk betreden de christelijke keizers in Rome en Constantinopel het toneel.
Het gaat Veerkamp om de kritische rol die het Joodse volk speelde, wat tot uitdrukking kwam in hun religieuze geschriften. 'Deze wereld anders' is een oefening in een manier van lezen die tekst en context bijeenhoudt: Groot Verhaal en politieke economie. Een zeldzaam standaardwerk, met bijbels-theologische hoofdlijnen van praktisch elk bijbelboek. Het boek cirkelt om de overtuiging dat het Joodse volk de keuze maakte voor een alternatieve samenleving, gegrond op recht en gerechtigheid, autonomie en gelijkheid. De hooggestemde idealen werden echter bekritiseerd en weggehoond, ook door tegenstemmen in het volk zelf. Niettemin bleek een kleine groep trouw aan ‘het Grote Verhaal’.
Op vrijwel elke pagina van dit boek lees je over recht, bevrijding, autonomie, onderdrukking– of hoe de sociale orde ook wordt benoemd. Dat zal voor veel Bijbellezers een verrassende – of bevreemdende– benadering zijn. Christenen lezen de Bijbel doorgaans als een persoonlijk geloofsboek. Met het oog op je persoonlijke vragen, zorgen en verlangens lees je psalmen, profetieën en Bijbelse geschiedenissen. Wat je leest, vertaal je naar je eigen individuele situatie.
Een herderslied als Psalm 23 geeft je troost en bemoediging, terwijl de brieven van Paulus je motiveren om als vernieuwd mens te leven, geïnspireerd door de Geest. Maar is dat het hele verhaal? Of nog scherper gesteld, is dat wel het eigenlijke verhaal van de Bijbel? Ton Veerkamp vindt dat je de Bijbel vooral als een politiek geschrift moet lezen, een boek dat mikt op respectvolle sociale verhoudingen en op gerechtigheid in de samenleving.
Ook andere theologen trekken wel lijnen naar politiek en samenleving, maar Veerkamp gaat nog stappen verder. Hij is tamelijk radicaal in zijn opvatting dat het in de Bijbelse geschriften gaat om protest tegen zaken als grootgrondbezit en uitbuiting door de heersende klasse.
Tora-republiek
Het grote beginpunt van Het Grote Verhaal ligt wat Veerkamp betreft bij de periode rond het jaar 400 voor Christus. Toen keerden de Joden terug uit de ballingschap in Babel. Op dat moment neemt de profeet Nehemia de leiding en dan ontstaat -wat hij noemt- de ‘Tora-republiek’.
Volgens Veerkamp was dit een compleet nieuw initiatief: een maatschappijvorm die niet gebaseerd was op macht en geld, niet op hebzucht en gewin, maar op de principes die het Joodse volk ontleende aan zijn geloofstraditie.
Het Bijbelboek Deuteronomium bv., dat de bevrijding van Israël uit Egypte als achtergrond heeft, dringt erop aan om als bevrijde mensen zelf nu ook ‘het land te bevrijden van uitbuitings-verhoudingen en daardoor een orde van autonomie en gelijkheid te stichten’.
Rond het jaar 300 voor Christus kreeg het zogenoemde hellenisme vat op het Midden-Oosten. Het kwam erop neer dat de Griekse cultuur een grote verspreiding kreeg, die eeuwen zou duren.
De Joden die zich na de veroveringen van Alexander de Grote in het Egyptische Alexandrië hadden gevestigd, stonden daardoor voor de vraag hoe zij het eigene van hun geloofstraditie, het Grote Verhaal, in hun nieuwe context zouden kunnen vertolken.
Veerkamp noemt de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel, de zogenoemde Septuaginta, een ‘transculturele prestatie van het hoogste niveau’. Het eigen van het Tora-geloof werd nu beschikbaar in de taal van een radicaal andere cultuur. Maar juist de wisselwerking tussen de ene cultuur en de andere – het jodendom en het hellenisme – had fikse risico’s. Het eigen karakter van het Grote Verhaal kan verbleken, en volgens Veerkamp is dat toen -en daarna vaker- gebeurd.
De politieke geschiedenis van het Grote Verhaal van de bijbel is die van nederlagen met af en toe een nieuwe kans. Veerkamp wil laten zien dat de psalmen, b.v., teksten zijn over ‘de ideologische strijd die het Grote Verhaal met het hellenisme voerde’. In het Griekse denken was het rationele en het geestelijke van groot belang, meer dan de aarde en de modder van de samenleving. De psalmen zetten die manier van denken de voet dwars. Je kunt ze niet voor je innerlijke geestelijke behoeften benutten ‘zonder de verrotting van de maatschappij de oorlog te verklaren’, zo zegt Veerkamp.
Het betoog van Veerkamp is geen verhaal van vrolijk-makend succes. Het mooie begin van de Tora-republiek bleef klein, werd weggedrukt, miskend en slecht begrepen. Een nieuwe kans bood de messiaanse gemeente -die zich liet inspireren door het leven van Jezus van Nazaret. De apostel Paulus zag hier een alternatief voor een joodse opstand die alleen maar kon uitlopen op een verschrikkelijke nederlaag -zoals de twee ´joodse oorlogen´ ook bewezen (66-70 en 132-135).
De verovering en verwoesting van Jeruzalem in 70 door de Romeinen maakte duidelijk hoe precair ook dit messiaanse project was. De vier evangeliën willen duidelijk maken dat de nederlaag van de messias en het judese volk níet het laatste woord is. Daarom laten ze de opstanding horen als slotakkoord, niet triomfaal, maar toch als zege. De apostolische geschriften eindigen met het boek Openbaring: de zege van Israel op de Romeinse wereldorde.
De kerk in de eerste eeuwen van het christendom heeft het Grote Verhaal geen recht gedaan, maar wilde zich volgens Veerkamp maar al te graag aanpassen aan de machten die het in de wereld voor het zeggen hebben. Dit is tekenend voor het hele beeld gedurende de eeuwen die Veerkamp beschrijft. Het Grote Verhaal, zo kunnen we begrijpen, is altijd het verhaal van een kleine groep idealisten gebleven, die nauwelijks serieus werden genomen, noch door de wereld, noch door de kerk.
Als je de hele geschiedenis doorneemt, tot en met de kerkvaders, is duidelijk dat het project van
het ‘grote verhaal’ niet is gelukt. Het christendom heeft zich zelfs tegenóver het jodendom gepositioneerd. Er is wel altijd een kleine groep die het draaiende houdt en het verder brengt, in beide tradities, joodse en christelijke. De poging van Marcion om TeNaCh uit de canon te schrappen werd tot ketterij verklaard; hoewel je niet nu de christenen de kost zal moeten geven die het desondanks enkel met een Nieuw Testament-plus-de-Psalmen doen.
Ik, niet wij
Voor Veerkamp is niet de vraag óf God bestaat beslissend, maar de vraag wát in onze samenleving als God fungeert. God is datgene waarin alle maatschappelijke afhankelijkheidsrelaties zich concentreren, zegt Veerkamp. Solidariteit bijvoorbeeld kan dus ‘god’ zijn in een samenleving, maar ook: Eigenbelang, Kapitaal, … Een maatschappij zonder God, zonder een punt waarop alles betrekking heeft en waarvan alles afhangt, bestaat gewoonweg niet.
Datgene wat in de samenleving als ‘God’ wordt beschouwd, vormt een grondstructuur waarrond een ‘Groot Verhaal’ ontstaat. Zo’n ‘Groot Verhaal’ is het verhaal dat een maatschappij aanstuurt en samenhoudt, waarin elke mens zijn plaats en rol aangewezen krijgt –het wordt door de meerderheid van de leden van de maatschappij -bewust of onbewust- aangenomen als: te volgen ‘waarheid’.
Heeft het Grote Verhaal in onze tijd zijn verwerkelijking gevonden -tot op grote hoogte-?
Franse filosofen verkondigden in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw ‘het einde van de grote discoursen, van de grote verhalen’. We zijn zogenaamd levensbeschouwelijke neutraal geworden. Deze neutraliteit veroorzaakt echter, zo ziet Veerkamp, een zwart gat of een leegte, die maar al te graag wordt ingenomen door de alles behalve neutrale ideologie van het neoliberalisme dat geleidelijk de geesten van velen is gaan bezetten.
“Zoiets als een maatschappij bestaat niet, er zijn alleen maar individuen en families”, zo drukte Margareth Thatcher het uit in een interview in 1987. Het grote verhaal van het neoliberalisme doet alsof er geen groot verhaal meer is: geen samenhang, geen maatschappij meer. Het neoliberalisme, zegt Veerkamp, was van meet af aan een verkapt religieus concept. Dat blijkt ook uit het van Adam Smith gevolgde concept van de ‘onzichtbare hand’: ieder mag handelen uit eigenbelang, maar een onzichtbare hand zorgt ervoor dat uit al die individuele economische beslissingen een ‘common wealth’ ontstaat, een algemeen belang. Zoiets als: ´ieder voor zich, de Vrije markt voor ons allen´. De ware godsdienst van deze neoliberale god is de vrije concurrentie: Ik, niet wij.
Altijd een god
Dat Veerkamp de inspiratie voor zijn politieke analyse precies uit de bijbel haalt, verrast velen vandaag wellicht. Toch gaat het om één van de grondvragen in de joodse schrift: Welke god wordt hier aanbeden? Veerkamp illustreert het met een zin uit het boek 1 Koningen waar de profeet Elia heel het volk laat samenroepen en hen de vraag stelt: “Hoe lang willen jullie op twee takken dansen? Is JHWH God, loop hem achterna. Is het de Baal, loop hem achterna.”
Fundamenteel gaat het in de bijbel dus om slechts twee mogelijke keuzes: Ofwel aanbid je ‘JHWH’ – het vervoegde werkwoord ‘ik-zal-er-zijn’ waarmee Israël haar God omschrijft: “Ik ben het, JHWH, die jullie voerde uit het land Egypte, uit het huis van de slavernij” (Exodus 20,2). De keuze voor JHWH is de keuze voor een samenleving van vrijen en gelijken, voor het einde van de heerschappij van mensen over mensen.
Ofwel aanbid je de Baäl, die personaliseert de heer en bezitter, de echtgenoot als eigenaar van zijn vrouw. Hij staat voor een maatschappij van het grootgrondbezit en het patriarchaat.
Er wordt dus altijd een god aanbeden. De vraag is voor welke soort God de meerderheid in een samenleving kiest. En uiteraard ook: voor welke jij kiest.
De nieuwe postmoderne leus is die van het verdwijnen van de Grote Verhalen. Ondanks dit in onze jaren aangekondigde ‘einde van de grote verhalen’ stelt Veerkamp de vraag waarmee de leegte werd opgevuld, welke is werkelijk het dominerende ´religieuze´ verhaal?
En vervolgens stelt hij dat wij met de profetische verhaaltraditie van de bijbel toch nog een groot verhaal hebben dat het dominante verhaal van vandaag, met haar eigen god en priesters, kan helpen ‘ontmaskeren’ en het verzet ertegen helpt te organiseren. Het Verhaal blijft, en daarmee het verlangen naar vrijheid en gelijkheid.
Tekst in context
Nadenken over de concrete betekenis van die onuitsprekelijke NAAM van de God van Israël: wat betekent het ‘er te zijn’ voor mekaar, voor de zwaksten eerst, en weg te trekken uit slavernijen, uit onderdrukkende systemen - hier en nu, dat vraagt steeds intensiever het Grote Verhaal van JHWH lezen en herlezen.
De manier waarop Veerkamp een bijbeltekst benadert, wijkt danig af van de traditionele kerkelijke lezing. Hij benadert de Schrift als teksten die in een specifieke verhaaltraditie staan en steeds ingebed zijn in een concrete context. Daarbij is het uitermate belangrijk de samenleving waarin de teksten zijn ontstaan grondig te kennen en te verrekenen bij het zoeken naar de betekenis van de tekst. De tekst speelt altijd in –bewust of onbewust – op het sociale proces waarin mensen leven en bepaalde posities innemen. De tekst vormt dus ook steeds een standpunt in een specifiek maatschappelijk debat. Daarmee kant Veerkamp zich ook tegen de idee dat bijbelteksten eeuwige waarheden verkondigen. De waarheid die we daarin dan zouden moeten lezen, is niet zelden de waarheid van wie de bijbelteksten interpreteert en uitlegt.
Eén van de voorbeelden hiervan is de lezing van de Bergrede bij Mattheus: de visie die Jezus verwoordt (o.m. “Slaat iemand u op de wang, keer hem dan ook de andere wang toe”) wordt meestal uitgelegd als algemene waarheid voor iedereen, overal geldend. De woorden die Mattheus hier in de mond van Jezus legt, omstreeks het jaar 85 na Christus, worden losgekoppeld van de socio-politieke context, de bestaande machtsverhoudingen op het moment dat het verhaal geschreven werd én het moment waarover de tekst verhaalt. Resultaat is dat Jezus een pleidooi lijkt te houden voor een pacifistische houding ten aanzien van geweld; in elke situatie, altijd en overal. De tekst wordt zo vergeestelijkt, waardoor de woorden hun politieke lading kwijt spelen.
Via zijn contextuele lezing van de tekst komt Veerkamp tot andere conclusies: in de joodse strijd tegen de Romeinse bezetter was er discussie omtrent de te volgen strategie: diende het verzet manu militari vormgegeven te worden, of niet? De Jezus-beweging lag daarover in debat met andere joodse fracties, en verduidelijkt in de Bergrede de eigen strategie: geen gewapend verzet -want dat is momenteel zelfmoord : de overmacht van de Romeinen is op dit moment veel te groot. Maar we zullen ook niet buigen. Er wordt o.m. gepleit voor het zich niet laten ‘verdelen en beheersen’, voor het versterken van de onderlinge solidariteit, voor het overeind houden van de eigen identiteit (het geloof in een alternatief en in een andere God dan de Romeinse keizer!) en voor een solidaire praktijk onder de slachtoffers van de bezetting.
Teksten ánders
Ondanks het aangekondigde ‘einde van de grote verhalen’ hebben wij met deze profetische verhaaltraditie toch wel een groot verhaal dat het dominante verhaal van vandaag, met haar eigen god en priesters, kan helpen ‘ontmaskeren’ en het verzet ertegen helpt te organiseren. Toch moeten we niet naïef zijn, waarschuwt Veerkamp: “Natuurlijk dienen we allemaal de ene heer, de Baäl, het systeem van meedogenloze macht van mensen over mensen. Denken dat we de Baäl de rug toekeren, als we bananen eten of koffie drinken uit Fair Trade, biologische producten en elektrische stroom uit windmolens kopen, en we dus met een goed inkomen en met een gerust hart aan de goede kant zitten, is een illusie. We nemen deel aan het systeem van uitbuiting, vergiftiging (en doodgroeien, GB), of we dat willen of niet.”
Veerkamp wijst op de wijze waarop God, de Naam, reageert op de depressie van zijn profeet Elia. Elia vlucht, door koningin Izebel ten dode toe vervolgd en -naar hij denkt- door iedereen in de steek gelaten, volstrekt gedeprimeerd, de woestijn in, om daar te sterven. God, de Naam, roept hem tot de orde: ga, keer terug, naar de woestijn van Damascus (2Kon. 19:15). Terug naar de wereld waarin bevrijding de uitzondering, onderdrukking de regel is. We hebben eenvoudig onze plicht te doen: het Grote Verhaal te vertellen, door het met de wereld in verband te brengen.
Met dit kritische bewustzijn omtrent de eigen positie leert Veerkamp ons: “Theologie is geen wellness-christendom voor de burgerlijke ziel. Theologie is het antwoord op onze aardse vragen: wat zullen we eten, wat zullen wij drinken, hoe verdelen we wat we hebben. En die vragen mogen we niet aan de monotheïsten van ‘There is no alternative’ overlaten.
Ons verhaal tegen hun verhaal, dat is theologie. Steeds intensiever het Grote Verhaal van JHWH lezen en herlezen.” Nadenken over de concrete betekenis van die onuitsprekelijke NAAM van de God van Israël: wat betekent het ‘er te zijn’ voor mekaar, voor de zwaksten eerst, en weg te trekken uit slavernijen, uit onderdrukkende systemen - hier en nu, in deze concrete politieke situatie waarin we ons bevinden?
Het boek Deze wereld anders gaat over hoop en over zinvolle perspectieven voor de samenleving. ´Israël heeft andere ‘teksten' geschreven, anders dan het Gilgamesj-epos van het oude Mesopotamië, anders dan de Griekse Ilias, anders dan de Avesta van het oude Iran, anders dan de Upanishaden van het oude India´; anders ook dan ons hedendaagse ´there is no alternative´.
´Ik´ weer tot ´wij´
In Veerkamps Grote Verhaal is God die een zelfstandige rol speelt slechts indirect te vinden, omdat er zo sterk gedacht wordt vanuit maatschappelijke, sociale en politieke processen. God als Heer van de geschiedenis is verborgen aanwezig. De verwachting is gericht op menselijke inspanningen voor een betere wereld, maar die inspanningen zijn altijd dubbelzinnig en feilbaar.
Het betoog van Veerkamp is innemend te noemen, omdat hij het aandurft ‘het grote verhaal’ weer te vertellen. Dat dreigt de kerk tegenwoordig weleens wat te vergeten. Hij heeft ook zeker een punt in de zin dat de Bijbel een ‘partijdig’ boek is. Als je ‘ja’ zegt tegen de Messias kies je ook positie in maatschappelijke vraagstukken.
Het boek van Veerkamp is uitnodigend geschreven, het doet een appel op je om de Bijbel niet alleen op de innerlijke mens te laten slaan, met troost voor het individuele hart in droevige dagen. Geloof is ook een maatschappelijke factor, dat is een heel sterk en overtuigend punt bij Veerkamp. De vraag mag gesteld in hoeverre men in de kerk bezig is met de maatschappij, terwijl sociale en politieke betrokkenheid goede Bijbelse papieren heeft.
Dit is precies waartoe Veerkamp gelovigen uitnodigt : het zorgvuldig analyseren van de economische en politieke situatie en de daarmee samenhangende machtsverhoudingen, het onzichtbare dominante verhaal bloot leggen, de Baäls van vandaag ontmaskeren, onze eigen banden met de slavernij onder de loep nemen, onze gemeenschappelijke handelingsruimte om eruit weg te trekken exploreren, de solidariteit opnieuw in de vingers krijgen, ons ‘ik’ weer trainen tot een ‘wij’. Ook ten aanzien van het ‘neutraliteitsdenken’ dat vandaag bon ton is, heeft Veerkamp ons met een gezonde portie argwaan opgezadeld: een neutrale positie bestaat niet. Je staat altijd ergens. Je versterkt altijd één stem in het debat. Ook als je zwijgt. Ook als je geen kant wil kiezen.
Met het boek krijg je een heel andere uitleg binnen dan wat je meestal hoort. Bij de psalmen ervaren we doorgaans op een fantastische manier hoogten en diepten in ons gevoelsleven, waarin we ons als individu aangesproken voelen. Maar Veerkamp ziet er politieke liederen in, strijd-liederen zelfs. Als je zijn uitleg gelezen hebt en dan een psalm zingt, krijg je een totaal andere beleving. De oude lezing met het oog op het persoonlijke geloof mag blijven bestaan, maar je hoeft het er niet toe te beperken. Dat leer je van Veerkamp.
Als laatste: In de plaats van elkaar nog langer vliegen af te vangen, doen de tradities van jodendom, christendom, islam en humanisme er goed aan te focussen op het hart van hun eigen tradities en samen op zoek te gaan naar wegen om de solidariteit opnieuw in het centrum te plaatsen van een samenleving die ziek is van egocentrisme.
Gerrit Buunk, 8 december 2015, Middelburg. (Ik heb deze presentatie opgesteld met hulp van inleidingen van anderen, o.a. Dick Boer.)
maandag 2 mei 2016
Schepping, Pasen, Nieuwe Schepping
Er zijn steeds wel kunstenaars die op hun eigen wijze het bijbels scheppingsverhaal in mooie beelden willen uitdrukken. Vorige zomer was er in de Wandelkerk in Middelburg een expositie met de schepping als thema en voor de periode na Pasen is er een expositie met als titel ´Eindig in Eeuwigheid, schepping, jij & ik´, van Gijs Elzinga. Deze expositie brengt me er toe om het volgende aan te tekenen.
Het bijbels scheppingsverhaal wordt ons veelal voorgehouden als zou het daar gaan over een weten dat de aarde, of eigenlijk het hele universum, ontstaan is door schepping, door ingrijpen van buitenaf, door een hogere macht, door God. Ons wordt verteld dat we dit vanwege dit scheppingsverhaal moeten geloven.
Het is vervolgens aan diverse kunstenaars om ons het vele mooie en wonderlijke in de schepping te
tonen.
Geloven is een gezindheid, een manier van in het leven staan. Het valt mij op dat de joodse dichters van het Scheppingslied laten horen wat hun inzichten (geworden) zijn omtrent hun gezamenlijke vraag ´Waar gaan we heen, waar gaat het heen, hoe gaat het verder? En Waar komen we vandaan?´ Als volk stellen ze zich in de bijbelteksten op vele manieren de vraag hoe ze volk-van-God geworden zijn, c q kunnen worden. Dat is een filosofische, of levensbeschouwelijke vraag, waar nog een andere vraag achter zit, namelijk -heel kort samengevat-: gaat ´het´?, of gaan ´we´? Met andere woorden: zijn wij mensen helemaal zelf verantwoordelijk voor hoe we leven, of worden we geleefd? Oftewel: aan welke machten leveren we ons uit? Hebben we keuze?
Bij de keuze van de opbouw hebben de schrijvers goed gekeken naar de verhalen van de dominante
godsdienst te midden waarvan ze als ballingen in Babylonië leefden. In de opbouw van het verhaal wordt al duidelijk gemaakt dat de God van Israël van een hogere orde is dan de oppergod van Babel: de zon. Immers op de eerste dag schept God het licht en pas op de vierde dag de zon. Hiermee maken de schrijvers duidelijk dat de Eeuwige de geheel Andere is en juist dat komt in de kern van het Scheppingslied naar voren.
In ons gangbaar, dagelijks leven wordt ons voorgehouden, vertellen we elkaar ´dat het leven -nu eenmaal- gaat zoals het gaat´. We kunnen er zelf niets/niet zoveel aan doen. We moeten het maar nemen zoals het komt -en er het beste van maken. En in de economie (en wat is níet economie in onze dagen?) wordt al heel lang gezegd: als we de vrije krachten van de markt maar hun gang laten gaan, dan komt het vanzelf wel goed.
Mijn vraag hierbij is: welk idee over ´hogere macht´ zit hierin (verstopt)?
Het zal best interessant zijn om te weten waar het leven ooit is begonnen. Maar, of het nu (een) God is
geweest, of het nu vier goden zijn geweest die alles hebben gemaakt of dat het een heel klein stofdeeltje
is geweest dat zich steeds ontwikkeld heeft…..dat weten we niet. En dáár gaat het volgens mij in de bijbel ook niet om! Dat scheppingsverhaal van die zeven dagen wil ons niet vertellen dat God alles uit het niets heeft gemaakt, het wil ons veeleer vertellen hoe die aarde er uit moet zien en wat voor mensbeeld daarbij hoort. Het wil ons wijzen op een ‘manier van leven’.
Hoe ga je, vanuit je levensovertuiging, om met de wereld om je heen? Dat is de kernvraag van het scheppingsverhaal. Niet een geschiedenisverhaal, maar een verhaal voor vandaag de dag. Een verhaal dat een spiegel wil voorhouden. Het wil je levensovertuiging gestalte geven. Kijk eens hoe de wereld eigenlijk zou moeten zijn. Het laat ons zien dat er in de geschiedenis een gedachte is ontstaan die een ander mens- en wereld- en Godsbeeld belangrijk vindt, anders dan hoe het er in het gangbare, heersende denken in de wereld aan toegaat. Niet voor niets vertaalt de Naardense Bijbelvertaling vers 1 van Genesis met “sinds het begin is God schepper”.
Het scheppend handelen van God is van alle tijden. Als het leven van mensen tohoewabohoe (wan-orde) is, is het God die bevrijdt door licht te scheppen. Dat is waarom onze God anders is dan andere goden. Andere goden laten zich door mensen hun gunsten afsmeken door de meest bizarre offers te eisen (en voor goden kun je ook systemen, dogma’s en politieke ideologieën lezen). Onze God is het te doen om de bevrijding van mensen uit de slavernij van angst, opdat deze wereld een leefbare wereld wordt.
En om dát mensbeeld belangrijk te vinden, is geloof nodig. Je moet als mens het geloof hebben dat die
woorden van dat scheppingsverhaal iets willen vertellen over hoe de wereld moet zijn. De bijbelse teksten zijn dan ook in gesprek, in discussie, telkens in nieuwe tijd, in nieuwe omstandigheden, met gangbare denkbeelden, heersende gedachten in de omgeving. En ook nu, met name door de Paasgedachte, horen we spreken over Een nieuwe schepping! Pasen als nieuw begin (2 Korintiërs 5:17-18a).
Door Jezus van Nazareth is het verbond van God met Israël universeel geworden: voor alle mensen op aarde. Jezus als gelovige Jood beaamt dat de aarde van God is en dat ze gedeeld moet worden met al wat leeft. Brood delen, zieken genezen, vrouwen waardig behandelen, gastvrij omgaan met uitgeslotenen, opkomen voor armen, trouw zijn tot op het kruis, zijn tekenen van de komst van het Rijk van God. Geloven in de opstanding, van Jezus, is geloven in het visioen dat evenwicht tussen mens en natuur mogelijk is, is geloven dat de nieuwe mens daartoe kan bijdragen, is geloven dat de liefdevolle God toekomst schenkt aan zijn schepping, is geloven dat de wereld is voorbestemd om een nieuwe hemel en een nieuwe aarde te worden.
Chaos maakt plaats voor orde, verdriet voor vreugde, zonde voor heiligheid, duister voor licht, kwaad voor
goed, Egypte voor het beloofde land, gevangenschap voor vrijheid, slaaf zijn voor kind zijn, vijandschap voor vriendschap, angst voor liefde.
Als je je geloof belijdt en als je wordt gedoopt (in de Paasnacht), zeg je: ik kies voor het nieuwe leven in Gods koninkrijk, op aarde zoals in de hemel. We doen dat in het besef dat het oude (helaas) nooit ver weg is. Maar door de Geest zeggen we steeds opnieuw: ik laat het oude leven los om het nieuwe leven vast te pakken.
Als de tijd vóór Pasen een tijd is om dingen op te geven of te laten staan, laat de tijd vanaf Pasen dan een tijd zijn om iets nieuws op te pakken. We kunnen (wat vaker) opgewekt en opstandig zijn. Want: De Heer is waarlijk opgestaan!
(tekst gepubliceerd in Kerk in het midden, Middelburg, voorjaar 2016)
Het bijbels scheppingsverhaal wordt ons veelal voorgehouden als zou het daar gaan over een weten dat de aarde, of eigenlijk het hele universum, ontstaan is door schepping, door ingrijpen van buitenaf, door een hogere macht, door God. Ons wordt verteld dat we dit vanwege dit scheppingsverhaal moeten geloven.
Het is vervolgens aan diverse kunstenaars om ons het vele mooie en wonderlijke in de schepping te
tonen.
Geloven is een gezindheid, een manier van in het leven staan. Het valt mij op dat de joodse dichters van het Scheppingslied laten horen wat hun inzichten (geworden) zijn omtrent hun gezamenlijke vraag ´Waar gaan we heen, waar gaat het heen, hoe gaat het verder? En Waar komen we vandaan?´ Als volk stellen ze zich in de bijbelteksten op vele manieren de vraag hoe ze volk-van-God geworden zijn, c q kunnen worden. Dat is een filosofische, of levensbeschouwelijke vraag, waar nog een andere vraag achter zit, namelijk -heel kort samengevat-: gaat ´het´?, of gaan ´we´? Met andere woorden: zijn wij mensen helemaal zelf verantwoordelijk voor hoe we leven, of worden we geleefd? Oftewel: aan welke machten leveren we ons uit? Hebben we keuze?
Bij de keuze van de opbouw hebben de schrijvers goed gekeken naar de verhalen van de dominante
godsdienst te midden waarvan ze als ballingen in Babylonië leefden. In de opbouw van het verhaal wordt al duidelijk gemaakt dat de God van Israël van een hogere orde is dan de oppergod van Babel: de zon. Immers op de eerste dag schept God het licht en pas op de vierde dag de zon. Hiermee maken de schrijvers duidelijk dat de Eeuwige de geheel Andere is en juist dat komt in de kern van het Scheppingslied naar voren.
In ons gangbaar, dagelijks leven wordt ons voorgehouden, vertellen we elkaar ´dat het leven -nu eenmaal- gaat zoals het gaat´. We kunnen er zelf niets/niet zoveel aan doen. We moeten het maar nemen zoals het komt -en er het beste van maken. En in de economie (en wat is níet economie in onze dagen?) wordt al heel lang gezegd: als we de vrije krachten van de markt maar hun gang laten gaan, dan komt het vanzelf wel goed.
Mijn vraag hierbij is: welk idee over ´hogere macht´ zit hierin (verstopt)?
Het zal best interessant zijn om te weten waar het leven ooit is begonnen. Maar, of het nu (een) God is
geweest, of het nu vier goden zijn geweest die alles hebben gemaakt of dat het een heel klein stofdeeltje
is geweest dat zich steeds ontwikkeld heeft…..dat weten we niet. En dáár gaat het volgens mij in de bijbel ook niet om! Dat scheppingsverhaal van die zeven dagen wil ons niet vertellen dat God alles uit het niets heeft gemaakt, het wil ons veeleer vertellen hoe die aarde er uit moet zien en wat voor mensbeeld daarbij hoort. Het wil ons wijzen op een ‘manier van leven’.
Hoe ga je, vanuit je levensovertuiging, om met de wereld om je heen? Dat is de kernvraag van het scheppingsverhaal. Niet een geschiedenisverhaal, maar een verhaal voor vandaag de dag. Een verhaal dat een spiegel wil voorhouden. Het wil je levensovertuiging gestalte geven. Kijk eens hoe de wereld eigenlijk zou moeten zijn. Het laat ons zien dat er in de geschiedenis een gedachte is ontstaan die een ander mens- en wereld- en Godsbeeld belangrijk vindt, anders dan hoe het er in het gangbare, heersende denken in de wereld aan toegaat. Niet voor niets vertaalt de Naardense Bijbelvertaling vers 1 van Genesis met “sinds het begin is God schepper”.
Het scheppend handelen van God is van alle tijden. Als het leven van mensen tohoewabohoe (wan-orde) is, is het God die bevrijdt door licht te scheppen. Dat is waarom onze God anders is dan andere goden. Andere goden laten zich door mensen hun gunsten afsmeken door de meest bizarre offers te eisen (en voor goden kun je ook systemen, dogma’s en politieke ideologieën lezen). Onze God is het te doen om de bevrijding van mensen uit de slavernij van angst, opdat deze wereld een leefbare wereld wordt.
En om dát mensbeeld belangrijk te vinden, is geloof nodig. Je moet als mens het geloof hebben dat die
woorden van dat scheppingsverhaal iets willen vertellen over hoe de wereld moet zijn. De bijbelse teksten zijn dan ook in gesprek, in discussie, telkens in nieuwe tijd, in nieuwe omstandigheden, met gangbare denkbeelden, heersende gedachten in de omgeving. En ook nu, met name door de Paasgedachte, horen we spreken over Een nieuwe schepping! Pasen als nieuw begin (2 Korintiërs 5:17-18a).
Door Jezus van Nazareth is het verbond van God met Israël universeel geworden: voor alle mensen op aarde. Jezus als gelovige Jood beaamt dat de aarde van God is en dat ze gedeeld moet worden met al wat leeft. Brood delen, zieken genezen, vrouwen waardig behandelen, gastvrij omgaan met uitgeslotenen, opkomen voor armen, trouw zijn tot op het kruis, zijn tekenen van de komst van het Rijk van God. Geloven in de opstanding, van Jezus, is geloven in het visioen dat evenwicht tussen mens en natuur mogelijk is, is geloven dat de nieuwe mens daartoe kan bijdragen, is geloven dat de liefdevolle God toekomst schenkt aan zijn schepping, is geloven dat de wereld is voorbestemd om een nieuwe hemel en een nieuwe aarde te worden.
Chaos maakt plaats voor orde, verdriet voor vreugde, zonde voor heiligheid, duister voor licht, kwaad voor
goed, Egypte voor het beloofde land, gevangenschap voor vrijheid, slaaf zijn voor kind zijn, vijandschap voor vriendschap, angst voor liefde.
Als je je geloof belijdt en als je wordt gedoopt (in de Paasnacht), zeg je: ik kies voor het nieuwe leven in Gods koninkrijk, op aarde zoals in de hemel. We doen dat in het besef dat het oude (helaas) nooit ver weg is. Maar door de Geest zeggen we steeds opnieuw: ik laat het oude leven los om het nieuwe leven vast te pakken.
Als de tijd vóór Pasen een tijd is om dingen op te geven of te laten staan, laat de tijd vanaf Pasen dan een tijd zijn om iets nieuws op te pakken. We kunnen (wat vaker) opgewekt en opstandig zijn. Want: De Heer is waarlijk opgestaan!
(tekst gepubliceerd in Kerk in het midden, Middelburg, voorjaar 2016)
maandag 12 oktober 2015
Verheugd of bedroefd?
Ik begin met drie korte uitspraken (bij lezingen uit de Schrift: Uit (OT): Deuteronomium 11: 1,8-21
en uit (NT): Marcus 10: 17-31) :
-Worden wíj nog verdrietig bij de woorden van Jezus?
-Ik hou van jou, en jij vertrouwt mij helemaal; en zo gaan we samen -met tien goeie richtlijnen-, in ‘t volste vertrouwen het leven door; op weg om deel te kunnen hebben aan ‘t eeuwig leven.
-Ik zou ook kunnen zeggen: Och, éen Jozef van de Berg als kluizenaar in een fietsenhok is wel genoeg hè, of moeten we meer fietsenhokken bouwen voor meer kluizenaars?
Als we hiermee ons moeten bezinnen op ons leven dan kan het wel erg raadselachtig worden.
Ik wil proberen enige helderheid te bieden. (Na u eerst kort iets te vertellen over de joodse feestmaand.)
Dezer dagen is de grote joodse feestmaand net voorbij, terwijl wij daarvan hier niks -of toch bijna niks- gemerkt hebben.
Ik wijs u er op omdat de gelezen teksten, uit de joodse boeken, er alles mee te maken hebben.
De feestmaand begon met Rosj haSjana, nieuwjaarsdag, enkele weken geleden; en ze eindigde met Simcha Tora, de dag van de Vreugde der Wet; de afsluiting ook van het Loofhutten-feest.
De eerste tien dagen van het nieuwe jaar worden wel de tien dagen van inkeer genoemd. Dit gebeurt omdat de tiende dag de Grote Verzoendag is, Jom Kippur. Dat is de dag waarop de zonden beleden worden, waarop er gevast wordt, de dag die in de synagoge wordt doorgebracht.
Begin van de vorige week was het Simcha Tora, Vreugde om de Wet. We hebben de afgelopen weken echter gezien hoe moeilijk de volken in het land Israel en in Palestina het hebben om verzoend met elkaar te leven en blij te zijn met de Tora. Verzoening is -voor vele volken- steeds weer zó’n moeilijke opgave! We zien het in Syrië ook, en in Irak en Afghanistan.
En in ons persoonlijk leven weten we ook hoe moeilijk het is.
Het Loofhutten-feest en Simchat Tora zijn een jaarlijkse oefening om telkens opnieuw het hart te richten naar waar Gods liefde zich beweegt. Het lezen van het verhaal van Jezus en de rijke jongeman kan daarom ook voor ons zo´n oefening zijn, mét de tekst in het Toraboek Deuteronomium.
Goed, ik zei het al, ik wil proberen enige helderheid te bieden.
In de Deuteronomiumtekst horen we dat ons gevraagd wordt om God lief te hebben en zijn richtlijnen in acht te nemen.
Bij mij kwam hierbij de vraag op: hoe gaat dat als iemand tegen je zegt: ‘ik hou van jou, en ik wil samen met jou verder door het leven’? En je krijgt er vervolgens nog bíj te horen: ‘en ik denk dat we dat het beste als volgt kunnen doen: jij hebt míj uiteraard lief en dan leven we samen volgens mijn ideeën’.
Hoe werkt dat, hoe kom je zover dat je zal zeggen: ja, ik wil; van harte.(?) Ja, ik vertrouw jou, ik zie het helemaal vóor me, ik ga absoluut met jou mee. Want waar jij naar toe wil en hoe je dat wilt doen, dat wil ik ook.
Dat iemand tegen je zegt: ‘ik hou van jou’, dat doet toch in elk geval je hart smelten, dat is toch heerlijk om te horen te krijgen. ‘Hé, iemand die jou ziet, die jou ziet zoals je bent en die vertrouwen in jou heeft, in jou -met je mogelijkheden en met je beperkingen-‘. Dat roept van alles in je wakker: vreugde, hoop, warmte, inzet; méer nog dan je bij jezelf vermoedde. Je voelt je boven jezelf uitgetild worden.
En dan hoor je waar hij, of zij, naar toe wil en hoe ze dat vóor zich ziet hoe dat zou kunnen, en dan weet je: ja, dát zou ik ook willen, op zó’n manier leven dat het eeuwigheidswaarde heeft.
En dan hoor je wat voor iemand hij is, wat hij al gedaan heeft -een volk uit de slavernij geholpen-, en dan weet je: ja, die is te vertrouwen. En je voelt: ja, deze maakt het beste in mij los.
En dan zeg je: ja, met jou en op die manier wil ik mee. En ik zal me er ook voor inzetten.
Zo kan het gaan.
Ik hou van jou, heeft God tegen het volk Israel gezegd. En zodoende wens ik jullie toe dat je een leven mag leiden van de allerhoogste kwaliteit, een leven dat eeuwigheidswaarde heeft.
Ik heb jullie dan ook bevrijd uit een land waar jullie al in geen eeuwen meer idee hadden van bevrijd-kunnen-leven. Jullie waren gebonden en jullie hadden het idee dat het ook níet anders kon. De godheid-Farao dacht dat hij het voor de eeuwigheid voor mekaar had met jullie en met z’n eigen onderdanen.
Ja ..., wel voor lang, maar niet voor goed.
Jullie, mijn volk, gun ik een land van melk en honing. Ga mee, vertrouw mij. We gaan samen, mét tien goeie richtlijnen, in ‘t volste vertrouwen het leven door; op weg om deel te kunnen hebben aan ‘t eeuwigheidsleven.
Die tien goeie richtlijnen ... ja, die zijn er dus voor jou, voor jullie, voor jullie als volk, jullie mijn-mensen, jullie die ik het allerbeste toewens.
Ja, met die richtlijnen kán het. Op die manier is het mogelijk een samen-leving in te richten die kwaliteit heeft, voor eenieder, voor al mijn mensen, op de hele wereld.
Ik wil u iemand in herinnering brengen die een radicale keuze voor God maakte; Jozef van de Berg.
Kent u die poppenspeler die zulke verrassende programma’s had in het theater. Met zijn pop en een hutkoffer trok hij de wereld rond, op het podium. Deze Jozef van de Berg heeft zich uit de wereld-van-rijken terug getrokken en heeft zich als een kluizenaar een onderkomen ge-maakt in een fietsenhok ergens in het dorp Neerijnen in de Betuwe.
Op grond van de woorden van Jezus vindt hij dat hij deze keuze moet maken. Hij is er voor zichzelf van overtuigd dat hij zo zonder bezit moet kunnen leven.
Wat is hij nou voor ons voor soort voorbeeld? Eén die laat zien dat een radicale keuze gemaakt moet worden? Of een voorbeeld dat wel sympathie oproept -omdat het zo’n aardige man is-, maar tegelijkertijd ons laat denken: ‘nee, dat hoeven wij dus niet’, althans ‘dat is toch niet reëel, zo zal het toch zeker niet de bedoeling zijn’; nog meer fietsenhokken zoals deze ...?
Jezus stelt op grond van de tien aanwijzingen van God radicale eisen. Uit liefde, want dat staat er: Jezus kreeg de rijke jongeman lief.
Uit liefde zegt hij: kom, volg mij, verkoop je bezittingen, geef het aan de armen en ga met mij op weg.
Uit liefde, Jezus ziet heel veel in deze jongeman, heel veel goeds.
En wordt dat in hem wakker geroepen?
Ik denk het wel. Hij werd diep geraakt van binnen, deze jongeman. Maar vervolgens gaat hij weg; bedroefd. Hij realiseert zich dat hij slaaf is, maar dat het een verslaving is die hem uiteindelijk aantrekkelijker lijkt dan de vrijheid die hij met Jezus en met God kan krijgen.
In zijn tweestrijd voelt hij aan de ene kant de aantrekkingskracht van Jezus’ liefde en het wenkend geluk dat een leven in Jezus’ spoor voor hem en vele anderen kan brengen, en aan de andere kant voelt hij de kracht van de luxe, het gemak en de vrijheid die zijn bezit hem bieden, hem alleen.
Bedroefd blijft hij volhouden dat het niet anders kan.
Worden wíj nog verdrietig bij de woorden van Jezus? Vóelen wij dat de beste krachten in ons wakker geroepen worden? Of hebben we al jaren bij deze tekst uit Marcus de redenering opgebouwd en vastgehouden dat het zo radicaal niet bedoeld zal zijn?! ´Nee, kom, laten we reëel zijn, zo werkt dat toch niet!´
En nee, bedroefd worden we er niet van.
De vraag is misschien zelfs of wij wel zoals die jongeman verlegen zitten om ´eeuwig leven´.
Hoe belangrijk vínden we het om bij te dragen aan een leven dat voor ieder eeuwigheidswaarde heeft?
Nee, verdrietig worden we er niet van, hooguit vinden we het lastig en misschien wat irritant dat we in de kerk op deze wijze over Gods liefde horen; -wat zegt u: God houdt van mij? Jezus heeft mij lief? God wil het beste in mij wakker roepen?
En dat moet ik vertrouwen?
Ach, mensen, hoe moeilijk ís het om op God te vertrouwen! Kijk hoe moeilijk de volken in en rond het land Israel het op dit moment hebben om te vertrouwen, om vertrouwen te behouden, om weer vertrouwen te krijgen.
Mogen de vredesgroepen van Joden en van Palestijnen het vol houden!
Wat wij kunnen doen: Ons door Jezus laten gezeggen, de vraag diep tot ons laten doordringen ´of en in hoeverre wij ons door onze rijkdom, door ons bezit laten leiden´.
Is het niet zo dat bezit afgeschermd wil worden, en dat we ons dáarvoor dus druk gaan maken? Wil bezit niet gewoon nog groter worden, en maken we onszelf dáarvan slaaf? Hoeveel heilige huisjes en koeien hebben we al wel.
Gaat het er écht om om ieder-voor-zich alles in bezit, in eigendom te hebben?, of is het belangrijk dat de goederen, de producten, gebrúikt kunnen worden, door iedereen, over de hele wereld.
En tóch: God houdt van ons.
Ja, daar kunnen we omheen -zonder bedroefd te worden-. Óf we laten ons er door raken en laten het beste in ons wakker roepen.
We kunnen kiezen. De vraag is of we er wel áan willen.
Gaan we dr voor?, met Gods bevrijdende Tien Aanwijzingen ten Leven. Kunnen ook wij verheugd zijn met Gods Wet ...
Als we kiezen voor het Rijk Gods van Jezus, kiezen we om vrij te zijn voor God en de medemens. Dan komen we los van krampachtige bezitterigheid. We gaan dan beseffen dat er zoveel méér is dan wat er te koop is.
Dat een leven van té veel rijkdom onrecht doet aan diegenen die niet rond kunnen komen. Ook hier bij ons. -Veel alleenstaanden die ziek zijn, hebben maandelijks te weinig inkomen-.
Dat de rijke jongeling rijk was, werd hem niet kwalijk genomen. Maar wel dat hij niet door het oog van de naald ging. Om de ballast van het té veel af te laden uit zorg voor de armen. Dat verhinderde hem Jezus te volgen.
Als ook wij in dat leven van het Rijk Gods willen binnenkomen en Jezus willen volgen, zullen we mèt ons geld en goed ‘arm met geest’ moeten worden, met Gods Geest.
´Verkoop alles wat je bezit en geef het geld aan de armen' kan nu zo klinken: 'Zorg voor rechtvaardige bezitsspreiding en eerlijke verdeling, zodat de diepe kloof tussen rijk en arm gedicht wordt. Reageer tegen de onrechtvaardigheid van het marktmechanisme, tegen structurele ongelijkheden. Wees bewust van wat zich afspeelt aan onrecht in onze wereld. Verenig je met andere gelovigen, om via verenigingen en gemeenschappen druk uit te oefenen op de machthebbers, de politieke leiders, de directies en commissarissen van multinationals en banken. Wijs krachtdadig op hun immense verantwoordelijkheid voor een meer rechtvaardige wereld.
En blijven we ondertussen niet zelf bij onze vele pakken zitten; we gaan onze medemens niet overbluffen met dure spullen, overbodige luxe en chique gedoe. En wie zijn wij dat we het recht zouden hebben om ons welvaartsnivo af te schermen van anderen. We leven met open hart en met open handen; met delende liefde.
En laten we -ook als diaconie- vooral meedoen aan projecten om ´fair trade` te bevorderen.
Verdrietig of verheugd; wat worden we van de woorden van God?
Liefde voor God is positieve liefde tot geboden, tot de aanwijzingen ten leven; vreugde om de Tora. Wat geweldig dat God ons die heeft ingegeven!
(verkondiging op zondag 11 okt. 2015)
en uit (NT): Marcus 10: 17-31) :
-Worden wíj nog verdrietig bij de woorden van Jezus?
-Ik hou van jou, en jij vertrouwt mij helemaal; en zo gaan we samen -met tien goeie richtlijnen-, in ‘t volste vertrouwen het leven door; op weg om deel te kunnen hebben aan ‘t eeuwig leven.
-Ik zou ook kunnen zeggen: Och, éen Jozef van de Berg als kluizenaar in een fietsenhok is wel genoeg hè, of moeten we meer fietsenhokken bouwen voor meer kluizenaars?
Als we hiermee ons moeten bezinnen op ons leven dan kan het wel erg raadselachtig worden.
Ik wil proberen enige helderheid te bieden. (Na u eerst kort iets te vertellen over de joodse feestmaand.)
Dezer dagen is de grote joodse feestmaand net voorbij, terwijl wij daarvan hier niks -of toch bijna niks- gemerkt hebben.
Ik wijs u er op omdat de gelezen teksten, uit de joodse boeken, er alles mee te maken hebben.
De feestmaand begon met Rosj haSjana, nieuwjaarsdag, enkele weken geleden; en ze eindigde met Simcha Tora, de dag van de Vreugde der Wet; de afsluiting ook van het Loofhutten-feest.
De eerste tien dagen van het nieuwe jaar worden wel de tien dagen van inkeer genoemd. Dit gebeurt omdat de tiende dag de Grote Verzoendag is, Jom Kippur. Dat is de dag waarop de zonden beleden worden, waarop er gevast wordt, de dag die in de synagoge wordt doorgebracht.
Begin van de vorige week was het Simcha Tora, Vreugde om de Wet. We hebben de afgelopen weken echter gezien hoe moeilijk de volken in het land Israel en in Palestina het hebben om verzoend met elkaar te leven en blij te zijn met de Tora. Verzoening is -voor vele volken- steeds weer zó’n moeilijke opgave! We zien het in Syrië ook, en in Irak en Afghanistan.
En in ons persoonlijk leven weten we ook hoe moeilijk het is.
Het Loofhutten-feest en Simchat Tora zijn een jaarlijkse oefening om telkens opnieuw het hart te richten naar waar Gods liefde zich beweegt. Het lezen van het verhaal van Jezus en de rijke jongeman kan daarom ook voor ons zo´n oefening zijn, mét de tekst in het Toraboek Deuteronomium.
Goed, ik zei het al, ik wil proberen enige helderheid te bieden.
In de Deuteronomiumtekst horen we dat ons gevraagd wordt om God lief te hebben en zijn richtlijnen in acht te nemen.
Bij mij kwam hierbij de vraag op: hoe gaat dat als iemand tegen je zegt: ‘ik hou van jou, en ik wil samen met jou verder door het leven’? En je krijgt er vervolgens nog bíj te horen: ‘en ik denk dat we dat het beste als volgt kunnen doen: jij hebt míj uiteraard lief en dan leven we samen volgens mijn ideeën’.
Hoe werkt dat, hoe kom je zover dat je zal zeggen: ja, ik wil; van harte.(?) Ja, ik vertrouw jou, ik zie het helemaal vóor me, ik ga absoluut met jou mee. Want waar jij naar toe wil en hoe je dat wilt doen, dat wil ik ook.
Dat iemand tegen je zegt: ‘ik hou van jou’, dat doet toch in elk geval je hart smelten, dat is toch heerlijk om te horen te krijgen. ‘Hé, iemand die jou ziet, die jou ziet zoals je bent en die vertrouwen in jou heeft, in jou -met je mogelijkheden en met je beperkingen-‘. Dat roept van alles in je wakker: vreugde, hoop, warmte, inzet; méer nog dan je bij jezelf vermoedde. Je voelt je boven jezelf uitgetild worden.
En dan hoor je waar hij, of zij, naar toe wil en hoe ze dat vóor zich ziet hoe dat zou kunnen, en dan weet je: ja, dát zou ik ook willen, op zó’n manier leven dat het eeuwigheidswaarde heeft.
En dan hoor je wat voor iemand hij is, wat hij al gedaan heeft -een volk uit de slavernij geholpen-, en dan weet je: ja, die is te vertrouwen. En je voelt: ja, deze maakt het beste in mij los.
En dan zeg je: ja, met jou en op die manier wil ik mee. En ik zal me er ook voor inzetten.
Zo kan het gaan.
Ik hou van jou, heeft God tegen het volk Israel gezegd. En zodoende wens ik jullie toe dat je een leven mag leiden van de allerhoogste kwaliteit, een leven dat eeuwigheidswaarde heeft.
Ik heb jullie dan ook bevrijd uit een land waar jullie al in geen eeuwen meer idee hadden van bevrijd-kunnen-leven. Jullie waren gebonden en jullie hadden het idee dat het ook níet anders kon. De godheid-Farao dacht dat hij het voor de eeuwigheid voor mekaar had met jullie en met z’n eigen onderdanen.
Ja ..., wel voor lang, maar niet voor goed.
Jullie, mijn volk, gun ik een land van melk en honing. Ga mee, vertrouw mij. We gaan samen, mét tien goeie richtlijnen, in ‘t volste vertrouwen het leven door; op weg om deel te kunnen hebben aan ‘t eeuwigheidsleven.
Die tien goeie richtlijnen ... ja, die zijn er dus voor jou, voor jullie, voor jullie als volk, jullie mijn-mensen, jullie die ik het allerbeste toewens.
Ja, met die richtlijnen kán het. Op die manier is het mogelijk een samen-leving in te richten die kwaliteit heeft, voor eenieder, voor al mijn mensen, op de hele wereld.
Ik wil u iemand in herinnering brengen die een radicale keuze voor God maakte; Jozef van de Berg.
Kent u die poppenspeler die zulke verrassende programma’s had in het theater. Met zijn pop en een hutkoffer trok hij de wereld rond, op het podium. Deze Jozef van de Berg heeft zich uit de wereld-van-rijken terug getrokken en heeft zich als een kluizenaar een onderkomen ge-maakt in een fietsenhok ergens in het dorp Neerijnen in de Betuwe.
Op grond van de woorden van Jezus vindt hij dat hij deze keuze moet maken. Hij is er voor zichzelf van overtuigd dat hij zo zonder bezit moet kunnen leven.
Wat is hij nou voor ons voor soort voorbeeld? Eén die laat zien dat een radicale keuze gemaakt moet worden? Of een voorbeeld dat wel sympathie oproept -omdat het zo’n aardige man is-, maar tegelijkertijd ons laat denken: ‘nee, dat hoeven wij dus niet’, althans ‘dat is toch niet reëel, zo zal het toch zeker niet de bedoeling zijn’; nog meer fietsenhokken zoals deze ...?
Jezus stelt op grond van de tien aanwijzingen van God radicale eisen. Uit liefde, want dat staat er: Jezus kreeg de rijke jongeman lief.
Uit liefde zegt hij: kom, volg mij, verkoop je bezittingen, geef het aan de armen en ga met mij op weg.
Uit liefde, Jezus ziet heel veel in deze jongeman, heel veel goeds.
En wordt dat in hem wakker geroepen?
Ik denk het wel. Hij werd diep geraakt van binnen, deze jongeman. Maar vervolgens gaat hij weg; bedroefd. Hij realiseert zich dat hij slaaf is, maar dat het een verslaving is die hem uiteindelijk aantrekkelijker lijkt dan de vrijheid die hij met Jezus en met God kan krijgen.
In zijn tweestrijd voelt hij aan de ene kant de aantrekkingskracht van Jezus’ liefde en het wenkend geluk dat een leven in Jezus’ spoor voor hem en vele anderen kan brengen, en aan de andere kant voelt hij de kracht van de luxe, het gemak en de vrijheid die zijn bezit hem bieden, hem alleen.
Bedroefd blijft hij volhouden dat het niet anders kan.
Worden wíj nog verdrietig bij de woorden van Jezus? Vóelen wij dat de beste krachten in ons wakker geroepen worden? Of hebben we al jaren bij deze tekst uit Marcus de redenering opgebouwd en vastgehouden dat het zo radicaal niet bedoeld zal zijn?! ´Nee, kom, laten we reëel zijn, zo werkt dat toch niet!´
En nee, bedroefd worden we er niet van.
De vraag is misschien zelfs of wij wel zoals die jongeman verlegen zitten om ´eeuwig leven´.
Hoe belangrijk vínden we het om bij te dragen aan een leven dat voor ieder eeuwigheidswaarde heeft?
Nee, verdrietig worden we er niet van, hooguit vinden we het lastig en misschien wat irritant dat we in de kerk op deze wijze over Gods liefde horen; -wat zegt u: God houdt van mij? Jezus heeft mij lief? God wil het beste in mij wakker roepen?
En dat moet ik vertrouwen?
Ach, mensen, hoe moeilijk ís het om op God te vertrouwen! Kijk hoe moeilijk de volken in en rond het land Israel het op dit moment hebben om te vertrouwen, om vertrouwen te behouden, om weer vertrouwen te krijgen.
Mogen de vredesgroepen van Joden en van Palestijnen het vol houden!
Wat wij kunnen doen: Ons door Jezus laten gezeggen, de vraag diep tot ons laten doordringen ´of en in hoeverre wij ons door onze rijkdom, door ons bezit laten leiden´.
Is het niet zo dat bezit afgeschermd wil worden, en dat we ons dáarvoor dus druk gaan maken? Wil bezit niet gewoon nog groter worden, en maken we onszelf dáarvan slaaf? Hoeveel heilige huisjes en koeien hebben we al wel.
Gaat het er écht om om ieder-voor-zich alles in bezit, in eigendom te hebben?, of is het belangrijk dat de goederen, de producten, gebrúikt kunnen worden, door iedereen, over de hele wereld.
En tóch: God houdt van ons.
Ja, daar kunnen we omheen -zonder bedroefd te worden-. Óf we laten ons er door raken en laten het beste in ons wakker roepen.
We kunnen kiezen. De vraag is of we er wel áan willen.
Gaan we dr voor?, met Gods bevrijdende Tien Aanwijzingen ten Leven. Kunnen ook wij verheugd zijn met Gods Wet ...
Als we kiezen voor het Rijk Gods van Jezus, kiezen we om vrij te zijn voor God en de medemens. Dan komen we los van krampachtige bezitterigheid. We gaan dan beseffen dat er zoveel méér is dan wat er te koop is.
Dat een leven van té veel rijkdom onrecht doet aan diegenen die niet rond kunnen komen. Ook hier bij ons. -Veel alleenstaanden die ziek zijn, hebben maandelijks te weinig inkomen-.
Dat de rijke jongeling rijk was, werd hem niet kwalijk genomen. Maar wel dat hij niet door het oog van de naald ging. Om de ballast van het té veel af te laden uit zorg voor de armen. Dat verhinderde hem Jezus te volgen.
Als ook wij in dat leven van het Rijk Gods willen binnenkomen en Jezus willen volgen, zullen we mèt ons geld en goed ‘arm met geest’ moeten worden, met Gods Geest.
´Verkoop alles wat je bezit en geef het geld aan de armen' kan nu zo klinken: 'Zorg voor rechtvaardige bezitsspreiding en eerlijke verdeling, zodat de diepe kloof tussen rijk en arm gedicht wordt. Reageer tegen de onrechtvaardigheid van het marktmechanisme, tegen structurele ongelijkheden. Wees bewust van wat zich afspeelt aan onrecht in onze wereld. Verenig je met andere gelovigen, om via verenigingen en gemeenschappen druk uit te oefenen op de machthebbers, de politieke leiders, de directies en commissarissen van multinationals en banken. Wijs krachtdadig op hun immense verantwoordelijkheid voor een meer rechtvaardige wereld.
En blijven we ondertussen niet zelf bij onze vele pakken zitten; we gaan onze medemens niet overbluffen met dure spullen, overbodige luxe en chique gedoe. En wie zijn wij dat we het recht zouden hebben om ons welvaartsnivo af te schermen van anderen. We leven met open hart en met open handen; met delende liefde.
En laten we -ook als diaconie- vooral meedoen aan projecten om ´fair trade` te bevorderen.
Verdrietig of verheugd; wat worden we van de woorden van God?
Liefde voor God is positieve liefde tot geboden, tot de aanwijzingen ten leven; vreugde om de Tora. Wat geweldig dat God ons die heeft ingegeven!
(verkondiging op zondag 11 okt. 2015)
woensdag 21 januari 2015
Zoek samen waar je elkaar kan vinden: wat is jouw bron van leven?
Blijf niet ieder je eigen gelijk maar poneren, maar zoek samen waar je elkaar kan vinden. Dat is wat ik in deze weken van harde verdeeldheid hier in Europa kan horen in de tekst die gekozen is voor ons gebed om eenheid van christenen (Johannes 4: 4-30 en 39-42).
Het begin van de tekst klinkt als een roman, als een romance.
Een man zit alleen aan de rand van de bron; net als in het verhaal van Jacob en Rachel. Het is midden op de dag. Het is broeierig warm en alles ligt stil. Op dat onmogelijke uur gaat een vrouw alleen water halen. Blijkbaar is zij een vrouw die buiten de gemeenschap leeft want water halen dat doe je vroeg in de ochtend of 's avonds net voordat de zon ondergaat -samen met anderen.
De man bij de bron heeft dorst en vraagt de vrouw om water. Op zich is dat niets bijzonders.
Ware het niet dat het op deze plek bij de oude put van Rachel en Jacob een joodse man is en een vrouw uit het volk van Samaria die elkaar ontmoeten. Normaliter gingen Joden en Samaritanen niet met elkaar om. Er bestond een grote kloof tussen die twee, op grond van een gegeven uit een ver verleden, de tijd van de Balylonische ballingschap. Joden en Samaritanen hebben weliswaar een gemeenschappelijke geloofsbron, namelijk de vijf boeken van Mozes, de Tora, maar de Samaritanen hebben zich vermengd met andere culturen en hebben hun eigen plek waarop ze God, de Eeuwige aanbidden; niet in Jerusalem maar in Sichem -op de berg niet zo ver van deze bron. Joden en Samaritanen lopen in Jezus´ tijd met een grote boog om elkaar heen -zoals lange tijd ook rooms-katholieken en protestanten niets van elkaar moesten hebben.
Ik ben er geweest -twee jaar terug al weer-, bij die bron van Rachel in Sichem; een mooie kerk is er gebouwd in de Palestijnse stad Nablus -zoals het nu heet. Ook was ik er in de sjoel van de Samaritanen, op de berg.
Een mooie, levendige stad, waar moslims en christenen en samaritanen door elkaar leven in een omgeving van militaire bezetting door de buur-staat Israel.
In het kort geschetst: een hedendaagse omgeving waar mensen in grote verdeeldheid leven én waar moslims en christenen elkaar respecteren. En van de tijd van Jezus weten we dat in diezelfde omgeving groepen mensen door elkaar en langs elkaar en naast elkaar leefden in omstandigheden van bezetting door de Romeinen..JPG)
In zulke omstandigheden en in onze tijd van verhardende verdeeldheid, m.n. in de Westerse en Islamitische wereld, stellen mensen zich de fundamentele vraag: bij welke bron vinden we nou toch vertrouwen-biedende aanwijzingen voor hoe te handelen, hoe te denken, hoe te spreken in de richting van een perspektiefvolle toekomst voor mensen-samen?
Het is opmerkelijk dat de joodse man Jezus -tegen alle regels en vooroordelen in- de vrouw uit Samaria bij de bron aanspreekt. Bovendien: zij is vrouw en vrouwen sprak je als man niet aan in het openbaar. De vrouw is zich bewust van de kloof tussen hem en haar en ze durft het te benoemen:'Hoe kun jij, jood zijnde, van mij, een Samaritaanse vrouw, te drinken vragen? ' Deze vrouw-alleen is wellicht op haar hoede, maar op haar mondje gevallen is ze niet.
Zo ontspint zich een gesprek op voet van gelijkwaardigheid waarin gespeeld wordt met dubbele bodems van uitdrukkingen zoals levend water, drinken, dorst en bron.
.JPG)
Wat zou dat mooi zijn: water waar je geen dorst meer van krijgt. Geen twee emmertjes water halen in de hitte van de dag. En nog mooier als het water je diepe verlangens zou kunnen lessen, een verlangen naar een vitale bron, een leven waar je niet uitgeput raakt van je werk, van van-alles-en-nog-wat dat moet -ook in de weekeinden. Soms kun je heel intens verlangen naar zo'n bron van geestkracht die een richting wijst, doel en zin geeft aan je bestaan.
Is het dat waar ook deze vrouw ten diepste naar verlangt? Begrijpt ze, begrijpen wij de dubbele bodem van het gesprek?
Ineens draaien de rollen van het gesprek namelijk om. Jezus die vraagt om water is degene die levend water wil geven, wil zijn.
Levend water, als een beeldspraak voor het Woord en de Geest van God die stroomt als water, helder en verkwikkend, altijd in beweging, steeds weer gelijk, steeds weer anders. Geen god die zich laten vangen in starre dogma's, of in dode letters, maar levendig en Geestrijk; Tora, TeNaCh, Bijbel, ...
Verrassenderwijs gooit Jezus het over een andere boeg en stuit de vrouw tegen het zere been: "Ga heen en haal je man." Een rare opmerking die de levenssituatie van deze vrouw ontmaskerd: Ze heeft vijf mannen gehad maar nu is ze alleen.
Daar zien we haar zitten bij de bron: kwetsbaar, misschien ook een gevoel van schaamte, ontbloot. Toch laat ze zich niet van de wijs brengen, integendeel: ze ziet Jezus als een profeet, als een mens die met God te maken heeft, als een ziener, die doorziet. Vervolgens zet ze het gesprek voort over godsdienstige verschillen tussen Samaritanen en Joden. Maar Jezus onderbreekt haar opnieuw en het is alsof hij nu zou zeggen: 'Het gaat er niet om in welke kerk je staat, of je vijf of meer mannen hebt gehad, of je nu katholiek of protestants bent, moslim of jood of samaritaan. Gods Geest is niet gebonden aan tijd, aan plaatsen, aan hokjes-denken. Het gaat om jou, om jouw situatie waarin jij nu leeft, om Gods Geest, die jou geestkracht wil geven als een bron van leven.'
Daarmee weet Jezus haar diepste 'ik' aan te boren door aangesproken te worden in haar mens zijn. Niet als ´maar´ een Samaritaanse, niet als ´maar´ een vrouw met dat dubbelzinnige verleden of zielig-alleen, maar juist als een mens waarin een bron van levend water schuilgaat.
Het mooie van deze ontmoeting is de wederkerigheid: de vrouw openbaart de identiteit van Jezus als de Messias die komen zal.
En Jezus bevestigt dat: Inderdaad ik ben, ik ben die ik ben, mensbeeld van die God van de Tora.
Het is de eerste keer dat de evangelist Johannes in zijn evangelie onthult wie Jezus is. De Samaritaanse ontdekt de bron van levend water in Hem, en ook in haarzelf. Ze vertrouwt op haar eigen kracht, gaat op weg en brengt anderen tot geloof. Volgens mij is zij de eerste vrouwelijke apostel in het Johannesevangelie, later gevolgd door Maria Magdalena en anderen.
Je ziet en voelt dat het in deze ontmoeting gaat stromen. Het grappige is dat juist doordat er verschillen van herkomst, traditie, cultuur en sexe worden benoemd er ruimte ontstaat om te laten zien wie je bent. Dat geldt in dit verhaal voor Jezus maar ook voor de vrouw. Als je in een ontmoeting, in een gesprek dieper durft te gaan dan de oppervlakte, anders dan roddelpraatjes, juist niet napraten van angstverhalen, ja dan praat je ineens anders over de ander, met de ander.
Bron van levend water is Hij, is zij -terwijl ze met elkaar praten.
.JPG)
Ze laten zich niet meer bang maken, niet door de Romeinen en ook niet door hun kruiperige leiders. Nee, ze overstijgen oude tegenstellingen.
Is dat niet ten diepste ook de kracht van de oecumene? De bron van het leven ontdekken in de ontmoeting met elkaar en Gods geestkracht laten waaien: verschillen benoemen, toelaten en elkaar de ruimte geven en komen tot iets gezamenlijks.
Want vaak zien we de andere kant: bronnen die opgedroogd zijn waar geen levend water stroomt en vloeit. Mensen die vastzitten omdat ze niet durven te praten -met elkaar of over hun gevoelens, over verwachtingen waar je niet aan kunt voldoen -omdat er te veel kracht van je geëist wordt- en over het moeten voldoen aan de eisen die de economische mallemolen aan je stelt, waardoor je -net als de vrouw bij de bron- op je hoede bent, misschien zelfs met een pantser om je heen loopt. En is er niet net deze dagen het gevaar dat we ons nog meer gaan pantseren?!
Maar gelukkig: soms zien we het hier gebeuren in onze regio, in Mechelen en hier in Beerzel: water dat stroomt, mensen die voor elkaar een bron worden door zich open te stellen voor de ander. Ontmoetingen die de diepte in gaan met mensen uit verschillende godsdienstige tradities -of geen traditie- en afkomstig uit verschillende streken: toegedekt verdriet dat wordt gedeeld, maar ook de kleine alledaagse verhalen waaruit je levenskracht put. Daarin zien we Gods geestkracht oplichten...
Waar vind je de bron van leven?
Misschien kan dit thema van vandaag en dit verhaal ons uitnodigen om sámen te gaan zitten en elkaar te vragen: ´wat zijn je zorgen?´, en elkaar te vertellen: ´welke zijn je verlangens´, en met elkaar, samen, te horen van elkaar: ´wat zegt ons onze levensbeschouwelijke bron over de mogelijke gezamenlijke toekomst -voor ons en voor onze kinderen- en hoe die te bereiken?´
Want het verrassende is dat én de moslims én de christenen én de joden én de samaritanen in hun geschriften de Tora als gemeenschappelijke basis hebben.
Dus: laat je niet bang maken, blijf niet ieder je eigen gelijk maar poneren, maar zoek samen waar je elkaar kan vinden: wat is jouw bron van leven? Wanneer voel jij het water dat stroomt en sprankelt? Durf, ga, vertrouw.
( Tekst uitgesproken in de oecumenische viering in de kerk in Beerzel, 20-01-2015. Met dank aan Jan Vernooij en Anette Sprotte.)
Het begin van de tekst klinkt als een roman, als een romance.
Een man zit alleen aan de rand van de bron; net als in het verhaal van Jacob en Rachel. Het is midden op de dag. Het is broeierig warm en alles ligt stil. Op dat onmogelijke uur gaat een vrouw alleen water halen. Blijkbaar is zij een vrouw die buiten de gemeenschap leeft want water halen dat doe je vroeg in de ochtend of 's avonds net voordat de zon ondergaat -samen met anderen.
De man bij de bron heeft dorst en vraagt de vrouw om water. Op zich is dat niets bijzonders.
Ware het niet dat het op deze plek bij de oude put van Rachel en Jacob een joodse man is en een vrouw uit het volk van Samaria die elkaar ontmoeten. Normaliter gingen Joden en Samaritanen niet met elkaar om. Er bestond een grote kloof tussen die twee, op grond van een gegeven uit een ver verleden, de tijd van de Balylonische ballingschap. Joden en Samaritanen hebben weliswaar een gemeenschappelijke geloofsbron, namelijk de vijf boeken van Mozes, de Tora, maar de Samaritanen hebben zich vermengd met andere culturen en hebben hun eigen plek waarop ze God, de Eeuwige aanbidden; niet in Jerusalem maar in Sichem -op de berg niet zo ver van deze bron. Joden en Samaritanen lopen in Jezus´ tijd met een grote boog om elkaar heen -zoals lange tijd ook rooms-katholieken en protestanten niets van elkaar moesten hebben.
Ik ben er geweest -twee jaar terug al weer-, bij die bron van Rachel in Sichem; een mooie kerk is er gebouwd in de Palestijnse stad Nablus -zoals het nu heet. Ook was ik er in de sjoel van de Samaritanen, op de berg.
Een mooie, levendige stad, waar moslims en christenen en samaritanen door elkaar leven in een omgeving van militaire bezetting door de buur-staat Israel.
In het kort geschetst: een hedendaagse omgeving waar mensen in grote verdeeldheid leven én waar moslims en christenen elkaar respecteren. En van de tijd van Jezus weten we dat in diezelfde omgeving groepen mensen door elkaar en langs elkaar en naast elkaar leefden in omstandigheden van bezetting door de Romeinen.
In zulke omstandigheden en in onze tijd van verhardende verdeeldheid, m.n. in de Westerse en Islamitische wereld, stellen mensen zich de fundamentele vraag: bij welke bron vinden we nou toch vertrouwen-biedende aanwijzingen voor hoe te handelen, hoe te denken, hoe te spreken in de richting van een perspektiefvolle toekomst voor mensen-samen?
Het is opmerkelijk dat de joodse man Jezus -tegen alle regels en vooroordelen in- de vrouw uit Samaria bij de bron aanspreekt. Bovendien: zij is vrouw en vrouwen sprak je als man niet aan in het openbaar. De vrouw is zich bewust van de kloof tussen hem en haar en ze durft het te benoemen:'Hoe kun jij, jood zijnde, van mij, een Samaritaanse vrouw, te drinken vragen? ' Deze vrouw-alleen is wellicht op haar hoede, maar op haar mondje gevallen is ze niet.
Zo ontspint zich een gesprek op voet van gelijkwaardigheid waarin gespeeld wordt met dubbele bodems van uitdrukkingen zoals levend water, drinken, dorst en bron.
Wat zou dat mooi zijn: water waar je geen dorst meer van krijgt. Geen twee emmertjes water halen in de hitte van de dag. En nog mooier als het water je diepe verlangens zou kunnen lessen, een verlangen naar een vitale bron, een leven waar je niet uitgeput raakt van je werk, van van-alles-en-nog-wat dat moet -ook in de weekeinden. Soms kun je heel intens verlangen naar zo'n bron van geestkracht die een richting wijst, doel en zin geeft aan je bestaan.
Is het dat waar ook deze vrouw ten diepste naar verlangt? Begrijpt ze, begrijpen wij de dubbele bodem van het gesprek?
Ineens draaien de rollen van het gesprek namelijk om. Jezus die vraagt om water is degene die levend water wil geven, wil zijn.
Levend water, als een beeldspraak voor het Woord en de Geest van God die stroomt als water, helder en verkwikkend, altijd in beweging, steeds weer gelijk, steeds weer anders. Geen god die zich laten vangen in starre dogma's, of in dode letters, maar levendig en Geestrijk; Tora, TeNaCh, Bijbel, ...
Verrassenderwijs gooit Jezus het over een andere boeg en stuit de vrouw tegen het zere been: "Ga heen en haal je man." Een rare opmerking die de levenssituatie van deze vrouw ontmaskerd: Ze heeft vijf mannen gehad maar nu is ze alleen.
Daar zien we haar zitten bij de bron: kwetsbaar, misschien ook een gevoel van schaamte, ontbloot. Toch laat ze zich niet van de wijs brengen, integendeel: ze ziet Jezus als een profeet, als een mens die met God te maken heeft, als een ziener, die doorziet. Vervolgens zet ze het gesprek voort over godsdienstige verschillen tussen Samaritanen en Joden. Maar Jezus onderbreekt haar opnieuw en het is alsof hij nu zou zeggen: 'Het gaat er niet om in welke kerk je staat, of je vijf of meer mannen hebt gehad, of je nu katholiek of protestants bent, moslim of jood of samaritaan. Gods Geest is niet gebonden aan tijd, aan plaatsen, aan hokjes-denken. Het gaat om jou, om jouw situatie waarin jij nu leeft, om Gods Geest, die jou geestkracht wil geven als een bron van leven.'
Daarmee weet Jezus haar diepste 'ik' aan te boren door aangesproken te worden in haar mens zijn. Niet als ´maar´ een Samaritaanse, niet als ´maar´ een vrouw met dat dubbelzinnige verleden of zielig-alleen, maar juist als een mens waarin een bron van levend water schuilgaat.
Het mooie van deze ontmoeting is de wederkerigheid: de vrouw openbaart de identiteit van Jezus als de Messias die komen zal.
En Jezus bevestigt dat: Inderdaad ik ben, ik ben die ik ben, mensbeeld van die God van de Tora.
Het is de eerste keer dat de evangelist Johannes in zijn evangelie onthult wie Jezus is. De Samaritaanse ontdekt de bron van levend water in Hem, en ook in haarzelf. Ze vertrouwt op haar eigen kracht, gaat op weg en brengt anderen tot geloof. Volgens mij is zij de eerste vrouwelijke apostel in het Johannesevangelie, later gevolgd door Maria Magdalena en anderen.
Je ziet en voelt dat het in deze ontmoeting gaat stromen. Het grappige is dat juist doordat er verschillen van herkomst, traditie, cultuur en sexe worden benoemd er ruimte ontstaat om te laten zien wie je bent. Dat geldt in dit verhaal voor Jezus maar ook voor de vrouw. Als je in een ontmoeting, in een gesprek dieper durft te gaan dan de oppervlakte, anders dan roddelpraatjes, juist niet napraten van angstverhalen, ja dan praat je ineens anders over de ander, met de ander.
Bron van levend water is Hij, is zij -terwijl ze met elkaar praten.
Ze laten zich niet meer bang maken, niet door de Romeinen en ook niet door hun kruiperige leiders. Nee, ze overstijgen oude tegenstellingen.
Is dat niet ten diepste ook de kracht van de oecumene? De bron van het leven ontdekken in de ontmoeting met elkaar en Gods geestkracht laten waaien: verschillen benoemen, toelaten en elkaar de ruimte geven en komen tot iets gezamenlijks.
Want vaak zien we de andere kant: bronnen die opgedroogd zijn waar geen levend water stroomt en vloeit. Mensen die vastzitten omdat ze niet durven te praten -met elkaar of over hun gevoelens, over verwachtingen waar je niet aan kunt voldoen -omdat er te veel kracht van je geëist wordt- en over het moeten voldoen aan de eisen die de economische mallemolen aan je stelt, waardoor je -net als de vrouw bij de bron- op je hoede bent, misschien zelfs met een pantser om je heen loopt. En is er niet net deze dagen het gevaar dat we ons nog meer gaan pantseren?!
Maar gelukkig: soms zien we het hier gebeuren in onze regio, in Mechelen en hier in Beerzel: water dat stroomt, mensen die voor elkaar een bron worden door zich open te stellen voor de ander. Ontmoetingen die de diepte in gaan met mensen uit verschillende godsdienstige tradities -of geen traditie- en afkomstig uit verschillende streken: toegedekt verdriet dat wordt gedeeld, maar ook de kleine alledaagse verhalen waaruit je levenskracht put. Daarin zien we Gods geestkracht oplichten...
Waar vind je de bron van leven?
Misschien kan dit thema van vandaag en dit verhaal ons uitnodigen om sámen te gaan zitten en elkaar te vragen: ´wat zijn je zorgen?´, en elkaar te vertellen: ´welke zijn je verlangens´, en met elkaar, samen, te horen van elkaar: ´wat zegt ons onze levensbeschouwelijke bron over de mogelijke gezamenlijke toekomst -voor ons en voor onze kinderen- en hoe die te bereiken?´
Want het verrassende is dat én de moslims én de christenen én de joden én de samaritanen in hun geschriften de Tora als gemeenschappelijke basis hebben.
Dus: laat je niet bang maken, blijf niet ieder je eigen gelijk maar poneren, maar zoek samen waar je elkaar kan vinden: wat is jouw bron van leven? Wanneer voel jij het water dat stroomt en sprankelt? Durf, ga, vertrouw.
( Tekst uitgesproken in de oecumenische viering in de kerk in Beerzel, 20-01-2015. Met dank aan Jan Vernooij en Anette Sprotte.)
Abonneren op:
Posts (Atom)