Wat een vreugde, wat een mooie dingen krijgen we te horen en te zien vandaag, de 7e kerstdag!
Jesaja heeft, zo zegt hij letterlijk, een blijde boodschap te brengen.
En Lucas laat ons de vreugde zien van de eerste getuige die in het kind Jezus de zaligheid van God heeft gezien. (Uit de Profeten: Jesaja 61:10 - 62:3 en uit de Evangeliën: Lucas 2: 22-40)
Heel even kunnen we ons afvragen of deze boodschappen ook nu voor ons bedoeld zijn. Maar van Jesaja horen we het meteen: Zijn blijde boodschap is bedoeld voor zachtmoedigen, voor gebrokenen van hart, voor gevangenen en voor gebondenen, voor treurenden, voor treurenden van Sion en voor vreemdelingen.
Want, zo laat Jesaja weten: God, de Eeuwige, heeft het recht lief.
En Simeon -de eerste getuige van de messias- verklaart: dat God Zijn zaligheid bereid heeft 'voor het aangezicht van alle volken, een Licht tot verlichting voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israel'.
Ja, er is weldegelijk uitzicht op een toekomst van heil, ondanks dat we dat zo op het eerste gezicht in onze werkelijkheid niet zomaar kunnen waarnemen.
Ja, we mogen aannemen dat we voor verwachting van heil het beste bij déze God terecht kunnen. Bij deze God en níet bij andere!
De kerk leeft uit verwachting. Wij worden naar de toekomst geroepen.
‘En zie er was een man in Jeruzalem wiens naam was Simeon en deze man was rechtvaardig en Godvrezend en hij verwachtte de vertroosting van Israel en ‘de Heilige Geest was op hem'-net als op Jesaja-. En hij zou de messias zien voordat hij zou sterven.
Het is deze Simeon, deze 'rechtvaardige' -zoals hij genoemd wordt-, het is deze die de belofte- van-God-aan-zijn-volk voor een nieuwe generatie doorgeeft. Ook in deze tijd zal heil, Gods heil, zichtbaar worden.
Heel gewoon, een kind van het volk Israel wordt naar de tempel gebracht, het wordt binnen gedragen in de kring van het verbond, zoals men dat gewend is te doen.
Het messiaskind is een kind van het Verbond, zo laat Lucas ons weten. Zijn ouders doen net als andere Godvrezende Joden: In gehoorzaamheid aan de Tora-voorschriften stellen zij hun eerstgeborene ter beschikking van God de Eeuwige.
Twee representanten van Gods volk, rechtvaardig worden ze genoemd, zijn er getuige van dat met dit kind Jezus de heerlijkheid-van-God in de tempel verschijnt.
Waar zij al heel lang op hopen, gebeurt voor hun ogen. De Wetsgetrouwe Simeon en de profetes Anna zien Gods belofte in vervulling gaan.
En Simeon getuigt: Mijn ogen hebben uw heil gezien dat Ge bereid hebt voor het aangezicht van alle volken.
Heel nadrukkelijk wordt het hier gesteld: Gods heil is als licht tot openbaring voor de volken en het is heerlijkheid voor Gods volk.
Gods toekomst is nabij, niet slechts voor Israel, maar voor alle volken.
Gods toekomst was nabij voor het volk in ballingschap. Gods toekomst is opnieuw nabij 'voor allen die voor Jeruzalem verlossing verwachten'.
En Anna is kennelijk een vrouw die daarover kan meepraten.
Anna, een profetes, is 84 jaar oud en al heel lang weduwe. Van de 12x7 jaar is zij maar 1x7 jaar gehuwd geweest. En al die jaren, dagelijks, verstaat zij de kunst om te wachten zonder te wanhopen. Ze diende God onafgebroken, in de tempel, met vasten en bidden. Ze verliest niet de openheid voor het onverwachte verhoren van haar gebeden. Ze blijft Gods toekomst verwachten. Ze blijft leven uit verwachting.
Deze vrouw ziet in het kind Jezus hoop voor de toekomst. Zij neemt onmiddellijk de gelegenheid te baat om over God en Zijn heil te spreken, tot allen die voor Jeruzalem, voor het volk verlossing verwachten.
Maar, deze oude wijze mensen weten het zo goed. -zij zijn wijze mensen, deze wetgetrouwe en profetische representanten van Israel-: De geboorte van messias Jezus zal een wending in de wereldgeschiedenis teweeg brengen en zijn weg, werk en kruis betekenen hét kruispunt.
Simeon zegt: 'Zie, deze is gezet als val én opstanding van velen in Israel' en: 'hij zal een teken zijn dat weersproken wordt; en de overleggingen uit vele harten zullen openbaar worden'.
Met de openbaring van het heil in Jezus Christus zal ook de tegenwerking aan het licht komen. De komst van het nieuwe zal op verzet stuiten én pijn brengen voor wie er zich met hart en ziel voor inzet.
Laten we eerlijk zijn. In de tijd van de Romeinse overheersing zullen er zeker invloedrijke mensen in Israel zijn die 'overwegingen in hun hart' hebben hoe zij het beste hun eigen belangen veilig kunnen stellen.
Maar, onder meer ten behoeve van arme weduwen zoals Anna zullen dit soort overwegingen- in-vele-harten door de messias openbaar gemaakt worden.
Zo zal de messias hoop geven voor rechtelozen wiens belangen bij de héersende machten geschaad worden.
Laten we eerlijk zijn. De messias zal mensen vlóeren óf doen opstaan, zijn optreden zal 'onthullend' zijn.
En de eerste die dit te horen krijgt is de moeder.
Door je eigen ziel, moeder van alle gelovigen, zal een zwaard gaan.
We krijgen van God een vreugdevolle boodschap, maar die boodschap is tegelijk een o zo realistische.
Gods volk krijgt het opnieuw te horen. Haar uitverkiezing staat onder het voorteken 'dat dit volk tot zegen zal zijn van alle naties'. Uit haar eigen midden staat de messias op. En hij zal scheiding en onderscheiding der geesten te weeg brengen.
Dóor lijden, weerstand en dood heen gaat het naar leven. Níet er om-heen.
In Kerstsfeer willen we het ons allemaal wel romantisch en idyllisch voorstellen, maar Lucas haalt ons al weer uit de roes en laat zien dat Jezus' weg de weg is van offer en van inzet.
Gods volk zal een teken zijn van Zijn heilsgeschiedenis. De heilsgeschiedenis heeft te maken met lijden-voor-Gods-Zaak; heeft ook te maken met ergernis aan de Eeuwige en aan zijn Volk en aan zijn Gemeente -die het Rijk Gods dóet.
Zo'n weg vraagt geloof en geloofsgehoorzaamheid en dat geeft in de wereld en in ons leven vuurwerk en geknal. Want het moet gezegd: Heil is niet slechts voor een selecte groep, ten koste van anderen, maar God doet gerechtigheid ontspruiten voor het oog van álle volken.
Simeon zegt: 'Zie, deze is gezet als val en opstanding van velen in Israel' en: 'hij zal een teken zijn dat weersproken wordt; en de overleggingen uit vele harten zullen openbaar worden'. Onder meer ten behoeve van arme weduwen zoals Anna.
In Jesaja horen we twee keer dat het heil gebeuren zal voor het oog van de volken.
Heil, redding en gerechtigheid; Jesaja spreekt erover in de meest uitzichtloze situatie in Israels geschiedenis, de tijd van de ballingschap in Babylonië.
In de meest uitzichtloze situatie krijgt een volk te horen dat God Zijn toekomst van heil voor hen in petto heeft.
En het is éen en al opgetogenheid waarmee Jesaja deze boodschap doorgeeft:
Hij, God, heeft mij gezonden om een blijde boodschap te brengen aan zachtmoedigen,
om te verbinden gebrokenen van hart, om voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening der gevangenis; om uit te roepen een jaar van het welbehagen van de Eeuwige en een dag der wrake van onze God; om alle treurenden te troosten, om over de treurenden van Sion te beschikken dat men hun geve hoofdsieraad in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lof-gewaad in plaats van een kwijnende geest.
En men zal hen noemen: Terebinten der gerechtigheid, een planting van de Eeuwige, tot Zijn ver-heerlijking.
Ook voor nu mogen we hopen dat gemeenschappen van gelovige mensen voorbeeld zullen laten zien, gerechtigheid en vrede zullen doen.
‘Want zoals de aarde haar gewas voortbrengt en een hof zijn zaaisel doet uitspruiten, zo zal God, de Eeuwige, gerechtigheid en lof doen uitspruiten, voor het oog van alle volken.
Heil kómt er. Van déze God. Dat is zeker!
En waaróm zorgt deze God daar voor?: 'Want, zo zegt God zelf, ‘ik, JHWH, heb het recht lief'.
Deze God heeft het recht lief. Dáarom mogen we heil bij Hém verwachten.
En heel kort en krachtig krijgen we te horen waarom we heil níet bij andere machten hoeven te verwachten: Dáar is roof in het brand-offer te zien, dáar is on-waarheid in hun werk en dáar is níet sprake van een eeuwig verbond.
Het kan misschien zo líjken dat er ook bij hedendaagse verleidingen heil te verkrijgen is, bij de god van de zogenaamde vrijheid, bv., die zegt dat je vooral ‘voor jezelf' moet gaan, -en voor sommigen wordt dat op kórte termijn ook bevestigd- maar op den duur zal het roof blijken te zijn.
En als er in het afgelopen jaar éen voorbeeld is van roof, van 'werk van rechtvaardigheid géen kans geven', of zelfs dat tegenwerken, dan is dat: de macht van het geld gebruiken tegen mogelijk onderdak bieden aan vluchtelingen. Een leegstaand herenhuis met een aanlokkelijk bedrag wegkopen zodat het niet meer beschikbaar is.
We kunnen al jaren zeggen dat veel mensen in onze hedendaagse samenleving niet meer gelovig zijn, niet meer kerkelijk zijn, en we kunnen ook zeggen dat velen, waaronder wijzelf, iedere dag ons aangetrokken voelen tot de verleidingen van andere, moderne goden. En soms moeten we erkennen dat onder die goden afgoden schuilgaan en dat wij hun verlokkingen amper herkennen. Maar dat is nog bijna iets onschuldigs bij wat we dus ook zien: Bewust, openlijk, nadrukkelijk de absolute macht inzetten en gebruiken om eventuele werken van rechtvaardigheid onmogelijk te maken.
En wat we ook, enkele maanden geleden, weer openlijk te horen kregen: rauw antisemitisme in een 'studieconferentie' in Rotterdam. Eén van de sprekers daar schreef op internet dat hij 'geen traan zou laten als men ‘de trein naar het Oosten’ weer opnieuw opstart'.
Mij is geleerd dat dat -werken van rechtvaardigheid onmogelijk maken, of tegenwerken- te betitelen is als duivels werk. Nadrukkelijk de macht van het kwaad hanteren.
Het spijt me, maar dit móet gezegd worden! Ik hoop en ik bid vurig dat zo'n denken en handelen in ons niet zal post vatten. Moge de God van vrede en recht vaardig over ons blijven!
Als we ons heil van God de Eeuwige verwachten, zal er nóg iets gebeuren: 'jullie zullen priesters van de Eeuwige heten, men zal u dienaren van onze God noemen; allen die hen zullen zien, zullen hen kennen, dat zij zijn een geslacht dat de Heer gezegend heeft. En de volken zullen uw gerechtigheid zien en alle koningen uw heerlijkheid en jullie zullen met een nieuwe naam genoemd worden, die de Heer zelf heeft bepaald. En jullie zullen een sierlijke kroon zijn in de hand van de Eeuwige en een koninklijke tulband in de hand van je God'.
Aan het volk zal te zíen zijn dat ze volk van God zijn. Ze zal zich dan ook als volk van God gedragen. Ze zal een sierlijke kroon en een koninklijke tulband zijn. Ze zal gerechtigheid doen.
Wij kunnen op de laatste zondag van het kalenderjaar een voorbeeld nemen aan de oude Godgetrouwe, rechtvaardige Simeon en Anna. Deze beiden zijn er getuige van dat met het kind Jezus de heerlijkheid-van-God in de tempel verschijnt.
Ook in het komend jaar blíjven wíj getuigen van Gods toekomst, zichtbaar geworden in zijn volk, in zijn messias, én zichtbaar té worden in zijn messiaanse gemeente.
Moge het komend jaar een heilzaam jaar worden, voor zachtmoedigen, voor gebrokenen van hart, voor gevangenen en voor gebondenen, voor treurenden, voor treurenden van Sion, voor weduwen en voor vreemdelingen. Voor alle volken.
Welkom
Welkom op mijn weblog.
Hier vind je allereerst bevindingen (berichten) van mij tijdens mijn verblijf in Israel/Palestina; op de pagina Waarnemer in Yanoun, te beginnen op 13 november 2012 (zie: Blogarchief). Verder vind je teksten die ik voor kerk en maatschappij heb geschreven; korte op dezelfde genoemde pagina en wat langere op andere pagina´s.
Laat ajb weten of ze je boeien.
Hier vind je allereerst bevindingen (berichten) van mij tijdens mijn verblijf in Israel/Palestina; op de pagina Waarnemer in Yanoun, te beginnen op 13 november 2012 (zie: Blogarchief). Verder vind je teksten die ik voor kerk en maatschappij heb geschreven; korte op dezelfde genoemde pagina en wat langere op andere pagina´s.
Laat ajb weten of ze je boeien.
zondag 31 december 2017
donderdag 28 december 2017
Een rol voor 'God'?
Al ruim 2000 jaar houden mensen het vol om -met meer of minder succes- het verhaal te vertellen over ene Jezus, wiens korte leven zo bijzonder was geweest dat ook zijn geboorte een toch wel speciale gebeurtenis moet zijn geweest.
En uit dat geheel van geschiedenis en verhaal spreekt telkens vooral de bijzondere betekenis die mensen erin beleefd hebben over God.
Al wel ruim 5000 jaar spreken mensen over hun Godsbelevingen.
Het Joodse volk, het volk Israel, vertelt telkens opnieuw de verhalen over hoe zij volk-van-God zijn geworden, over hoe zij -als volk- telkens weer door God geroepen worden om volk-tot-zijn-eer te zijn. En over hoe zij zich telkens weer -in vreugde en vertrouwen, door vallen en opstaan- op Hem richten. Zó inspiratie biedend voor het leven van telkens nieuwe generaties.
Het volk Israel is over de hele wereld verspreid, in de loop der eeuwen; het Joodse geloof dus ook. En de -heel persoonlijke- verhalen over hun God kunnen dus overal gehoord worden.
En ook door de christelijke kerken zijn de verhalen overal over de wereld verteld. Want christenen hebben de opdracht uitgevoerd om ook onder niet-Joden over de God van de bevrijding, de God van koning David te vertellen; want die hebben ze door Jezus leren kennen.
En wát een geschiedenissen hébben mensen door de eeuwen heen meegemaakt, rond kerk en synagoge! We hebben allemaal wel zo, in een flits, een voorbeeld in gedachten van wat er in naam van de kerk verkeerd is gegaan, ten opzichte van Joden, ten opzichte van andere volken.
Maar gelukkig, na ruim 5000 jaar van belevingen van mensen met mensen en met God -tot in de diepste diepten van ellende-, blíjven joodse mensen het volhouden om aan volgende generaties te vertellen over hun God, ook hun éigen nieuwe belevingen. En, na ongeveer 2000 jaar van verder vertellen over de bijzondere geboorte van een zoon van een timmerman, zitten tóch weer velen in de kerk met de hoopvolle verwachting iets nieuws over dat wonderlijke kind te horen te zullen krijgen.
Welke eigen -nieuwe- beleving kunnen wij vertellen; een verhaal dat ons raakt, dat ons iets doet, dat ons inspireert, dat betekenis aan ons leven zal geven.
Want, éen ding dat ik de laatste jaren geleerd heb, is dat veel mensen, vooral jonge mensen, er naar verlangen om authentieke, echte verhalen te horen te krijgen -van gewone medemensen- waaruit ze kunnen leren wát waardevol is in het leven en hoe we voor dat waardevolle kunnen stáan. We wíllen -ook tegenwoordig- zulke verhalen te horen krijgen; maar niet op een oude gestrenge manier van ‘je moet dit maar gewoon aannemen, ook al begrijp je het niet allemaal'. De manier waarop we elkaar met onze verhalen tegemoet kunnen treden, tegemoet-komend aan onze vragen en aan onze verlangens-naar-waarden, is níet de manier van de strenge, rechtlijnige gezagsverhalen -waarbij de vaders en ‘de heren' ‘t voor het zeggen hebben-, maar de manier van het broederlijk en zusterlijk uitwisselen van groeiende inzichten uit wat je meemaakt.
Dat wat jij meemaakt en wat je daarin als waardevol-voor-het-leven ontdekt, wil ik graag horen; voor mezelf om te toetsen, om af te wegen. Waar gáat ‘t nou om in ‘t leven, wat is belangrijk, en hoe kan ík meedoen in wat essentieel is; ik, timmerman, ik vrachtwagenchauffeur, ik computer-deskundige, ik vrouw, ik man, jongen, meisje ...
Op welke momenten in je leven merk je, of heb je gemerkt, dat God in jouw leven een rol speelt? -En ik vraag geen oude formuleringen, ik vraag naar jóuw belevingen, bevindingen-. Kom naast me zitten, zoals m'n broer naast me komt, en zoals m'n zus, en zoals m'n vrienden.
Vertel, b.v., wat het je doet, gedáan heeft toen de liefde jou overkwam; dat er iemand is die van jóu houdt. Je hébt de liefde geproefd!?
Vertel, wat het betékent om werk te kunnen doen waar je iets van jezelf in kwijt kunt, waar het er toe dóet dat jíj dat werk doet, dat jíj er bent. Dat ook jij niet voor niks geboren bent.
Vertel, hoe práchtig de schepping in elkaar zit en dat je daar van kan geníeten; van zó veel mooie bloemen, bomen, dieren, sterren, mensen, ...; zó goed gemaakt! En daar ben jij -o, hoe wonderlijk- een klein onderdeeltje van.
Vertel, hoe je geráakt wordt, hoe je ontroerd wordt; waardoor je kunt vloeken -ja, dat ook-, en ook hoe je strijdbaar blijft, én waarom je kunt jubelen.
Ja, het doet verdomde pijn om de wereld, om mensen te moeten zien lijden. En daar word ik verdrietig van, en daar word ik boos van. Want ik heb gezíen dat mensen arm gemáakt worden -doordat elders mensen zich verrijken-.
Het is een grof schandaal, ten hemel schreiend, dat er met Kerst in rijke landen voor miljoenen wordt opgevreten, aan reerug, aan zalmmoes. Godgeklaagd!
Zo, dit is taal van een dominee die in de fabriek gewerkt heeft, die in het derde-wereldland Vietnam de diepe armoede gezien heeft, en die God en Jezus en z'n hele kliek al lang een keer aan de kant geschoven had.
Soms voelt ‘t zó machteloos.
En dán, dan gaan we tóch door.
Hoe dóen we dat?
Ja, hoe doen we dat?
Ik doe ‘t doordat God míj weer heeft vastgepakt; -zo heb ik dat beleefd-.
Opnieuw -door de dood heen, zeg maar- heb ik liefde geproefd, heb ik verwondering beleefd, voel ik me weerbaar, door Jezus, met God.
Ja, ook in Israel en Palestina ! Misschien wel juist daar, samen met welwillende joden, christenen en moslims.
Dus: Vertel, hoe je je -soms- zo héerlijk strijdbaar kan voelen, dat je het er niet bij kúnt laten zitten. Al die machten van onrecht en onvrede, en domheid, hébben gewoon geen gelijk.
Kijk, naar de schaapherders, dat ruwe volk; kijk, naar bouwvakkers; kijk, naar je medemens.
Is er éen minder dan jij? Is er éen meer dan jij? Achten we ons gelijkwaardig? Willen we écht, als broers, als zussen, van elkaar horen wat we écht belangrijk vinden in het leven?
Nee, willen we echt láten zíen, láten horen, wat we belangrijk vinden in ons leven; en wat we daarover -van God- geleerd hebben?
En willen we ons dan ook wel -in die gelijkwaardigheid- laten gezeggen, willen we ons wel laten corrigeren?
Wíllen we wel -als mannen b.v.- van onze zusters leren, of van onze medebroeders?
Of laten we ons door domme machten-van-de-verleiding leiden?; en moet er dán écht gezag, ‘gezag en orde' bij optreden? Willen we alleen maar door ondervinding, door schade en schande, leren?; met ook schade voor anderen.
Laat je gezeggen, open je hart, luister naar de schaapherders -die op hun beurt luisteren naar de boodschappers, naar de profeten, naar de engelen-: zij loven en prijzen God, omdat Hij hen de redder heeft laten zien.
Jawel, met God, met Gods Zoon, met hem als vriend, als broer -en in zijn zusterlijke Geest- zál het anders gaan!
Vrede kan wél, gerechtigheid kan wél; liefde zal de sterkste blijken! Het Licht straalt, overal.
Het volk dat éen en al duisternis te verduren heeft -onverdraagzaamheid, onvrede, , krijgt Licht, krijgt kracht, wordt gedragen, wordt gezien, wordt verlost.
Dát is wat wij te horen krijgen: Waar wij -mannen en vrouwen- ons machteloos voelen in de rijkdommelijke wan-orde, daar worden we -ook na zoveel-duizend jaar- geïnspireerd om met Jezus in Gods orde, in Zijn Rijk te wonen.
Het kán, God heeft ‘t laten zien! De herders hebben ‘t gezien.
En ze zéiden: We hebben ‘t zelf gezien!
Ja, dat inspireert, dat ontroert, dat maakt krachtig, dat maakt vreugdevol, dat maakt gastvrij!
En daar kunnen we nog jaren, nog eeuwen mee voort.
En uit dat geheel van geschiedenis en verhaal spreekt telkens vooral de bijzondere betekenis die mensen erin beleefd hebben over God.
Al wel ruim 5000 jaar spreken mensen over hun Godsbelevingen.
Het Joodse volk, het volk Israel, vertelt telkens opnieuw de verhalen over hoe zij volk-van-God zijn geworden, over hoe zij -als volk- telkens weer door God geroepen worden om volk-tot-zijn-eer te zijn. En over hoe zij zich telkens weer -in vreugde en vertrouwen, door vallen en opstaan- op Hem richten. Zó inspiratie biedend voor het leven van telkens nieuwe generaties.
Het volk Israel is over de hele wereld verspreid, in de loop der eeuwen; het Joodse geloof dus ook. En de -heel persoonlijke- verhalen over hun God kunnen dus overal gehoord worden.
En ook door de christelijke kerken zijn de verhalen overal over de wereld verteld. Want christenen hebben de opdracht uitgevoerd om ook onder niet-Joden over de God van de bevrijding, de God van koning David te vertellen; want die hebben ze door Jezus leren kennen.
En wát een geschiedenissen hébben mensen door de eeuwen heen meegemaakt, rond kerk en synagoge! We hebben allemaal wel zo, in een flits, een voorbeeld in gedachten van wat er in naam van de kerk verkeerd is gegaan, ten opzichte van Joden, ten opzichte van andere volken.
Maar gelukkig, na ruim 5000 jaar van belevingen van mensen met mensen en met God -tot in de diepste diepten van ellende-, blíjven joodse mensen het volhouden om aan volgende generaties te vertellen over hun God, ook hun éigen nieuwe belevingen. En, na ongeveer 2000 jaar van verder vertellen over de bijzondere geboorte van een zoon van een timmerman, zitten tóch weer velen in de kerk met de hoopvolle verwachting iets nieuws over dat wonderlijke kind te horen te zullen krijgen.
Welke eigen -nieuwe- beleving kunnen wij vertellen; een verhaal dat ons raakt, dat ons iets doet, dat ons inspireert, dat betekenis aan ons leven zal geven.
Want, éen ding dat ik de laatste jaren geleerd heb, is dat veel mensen, vooral jonge mensen, er naar verlangen om authentieke, echte verhalen te horen te krijgen -van gewone medemensen- waaruit ze kunnen leren wát waardevol is in het leven en hoe we voor dat waardevolle kunnen stáan. We wíllen -ook tegenwoordig- zulke verhalen te horen krijgen; maar niet op een oude gestrenge manier van ‘je moet dit maar gewoon aannemen, ook al begrijp je het niet allemaal'. De manier waarop we elkaar met onze verhalen tegemoet kunnen treden, tegemoet-komend aan onze vragen en aan onze verlangens-naar-waarden, is níet de manier van de strenge, rechtlijnige gezagsverhalen -waarbij de vaders en ‘de heren' ‘t voor het zeggen hebben-, maar de manier van het broederlijk en zusterlijk uitwisselen van groeiende inzichten uit wat je meemaakt.
Dat wat jij meemaakt en wat je daarin als waardevol-voor-het-leven ontdekt, wil ik graag horen; voor mezelf om te toetsen, om af te wegen. Waar gáat ‘t nou om in ‘t leven, wat is belangrijk, en hoe kan ík meedoen in wat essentieel is; ik, timmerman, ik vrachtwagenchauffeur, ik computer-deskundige, ik vrouw, ik man, jongen, meisje ...
Op welke momenten in je leven merk je, of heb je gemerkt, dat God in jouw leven een rol speelt? -En ik vraag geen oude formuleringen, ik vraag naar jóuw belevingen, bevindingen-. Kom naast me zitten, zoals m'n broer naast me komt, en zoals m'n zus, en zoals m'n vrienden.
Vertel, b.v., wat het je doet, gedáan heeft toen de liefde jou overkwam; dat er iemand is die van jóu houdt. Je hébt de liefde geproefd!?
Vertel, wat het betékent om werk te kunnen doen waar je iets van jezelf in kwijt kunt, waar het er toe dóet dat jíj dat werk doet, dat jíj er bent. Dat ook jij niet voor niks geboren bent.
Vertel, hoe práchtig de schepping in elkaar zit en dat je daar van kan geníeten; van zó veel mooie bloemen, bomen, dieren, sterren, mensen, ...; zó goed gemaakt! En daar ben jij -o, hoe wonderlijk- een klein onderdeeltje van.
Vertel, hoe je geráakt wordt, hoe je ontroerd wordt; waardoor je kunt vloeken -ja, dat ook-, en ook hoe je strijdbaar blijft, én waarom je kunt jubelen.
Ja, het doet verdomde pijn om de wereld, om mensen te moeten zien lijden. En daar word ik verdrietig van, en daar word ik boos van. Want ik heb gezíen dat mensen arm gemáakt worden -doordat elders mensen zich verrijken-.
Het is een grof schandaal, ten hemel schreiend, dat er met Kerst in rijke landen voor miljoenen wordt opgevreten, aan reerug, aan zalmmoes. Godgeklaagd!
Zo, dit is taal van een dominee die in de fabriek gewerkt heeft, die in het derde-wereldland Vietnam de diepe armoede gezien heeft, en die God en Jezus en z'n hele kliek al lang een keer aan de kant geschoven had.
Soms voelt ‘t zó machteloos.
En dán, dan gaan we tóch door.
Hoe dóen we dat?
Ja, hoe doen we dat?
Ik doe ‘t doordat God míj weer heeft vastgepakt; -zo heb ik dat beleefd-.
Opnieuw -door de dood heen, zeg maar- heb ik liefde geproefd, heb ik verwondering beleefd, voel ik me weerbaar, door Jezus, met God.
Ja, ook in Israel en Palestina ! Misschien wel juist daar, samen met welwillende joden, christenen en moslims.
Dus: Vertel, hoe je je -soms- zo héerlijk strijdbaar kan voelen, dat je het er niet bij kúnt laten zitten. Al die machten van onrecht en onvrede, en domheid, hébben gewoon geen gelijk.
Kijk, naar de schaapherders, dat ruwe volk; kijk, naar bouwvakkers; kijk, naar je medemens.
Is er éen minder dan jij? Is er éen meer dan jij? Achten we ons gelijkwaardig? Willen we écht, als broers, als zussen, van elkaar horen wat we écht belangrijk vinden in het leven?
Nee, willen we echt láten zíen, láten horen, wat we belangrijk vinden in ons leven; en wat we daarover -van God- geleerd hebben?
En willen we ons dan ook wel -in die gelijkwaardigheid- laten gezeggen, willen we ons wel laten corrigeren?
Wíllen we wel -als mannen b.v.- van onze zusters leren, of van onze medebroeders?
Of laten we ons door domme machten-van-de-verleiding leiden?; en moet er dán écht gezag, ‘gezag en orde' bij optreden? Willen we alleen maar door ondervinding, door schade en schande, leren?; met ook schade voor anderen.
Laat je gezeggen, open je hart, luister naar de schaapherders -die op hun beurt luisteren naar de boodschappers, naar de profeten, naar de engelen-: zij loven en prijzen God, omdat Hij hen de redder heeft laten zien.
Jawel, met God, met Gods Zoon, met hem als vriend, als broer -en in zijn zusterlijke Geest- zál het anders gaan!
Vrede kan wél, gerechtigheid kan wél; liefde zal de sterkste blijken! Het Licht straalt, overal.
Het volk dat éen en al duisternis te verduren heeft -onverdraagzaamheid, onvrede, , krijgt Licht, krijgt kracht, wordt gedragen, wordt gezien, wordt verlost.
Dát is wat wij te horen krijgen: Waar wij -mannen en vrouwen- ons machteloos voelen in de rijkdommelijke wan-orde, daar worden we -ook na zoveel-duizend jaar- geïnspireerd om met Jezus in Gods orde, in Zijn Rijk te wonen.
Het kán, God heeft ‘t laten zien! De herders hebben ‘t gezien.
En ze zéiden: We hebben ‘t zelf gezien!
Ja, dat inspireert, dat ontroert, dat maakt krachtig, dat maakt vreugdevol, dat maakt gastvrij!
En daar kunnen we nog jaren, nog eeuwen mee voort.
zaterdag 30 september 2017
Een huis voor alle volken
(Uitgesproken op 17 sept., vredeszondag, met dank voor de tekst van Bram Grandia in de PAX liturgiekrant)
Bijbellezing: Jesaja 56: 1-8.
U bent hier verzameld in een huis van gebed, een huis om God te ontmoeten. U bent ingegaan op de uitnodiging om vanavond hier te vergaderen. U dacht, waarschijnlijk: bij het begin van de vredesweek moet ik dáar zijn.
Ik vraag maar even: Voelde u zich nou geroepen door de God wiens aanwezigheid u hier vermoedt, of werd u gestuwd door de tijd en omstandigheden waarin we ons bevinden -een wereld vol tumult en geweld en oorlog?
Droomt u een droom van vrede en hebt u legitimatie van hogerhand nodig, van een hogere macht van buitenaf die ons nou ns de ultieme motieven aanreikt om nou eindelijk ns aan de vrede te beginnen, of hebben we daartoe genoeg aan de ont-waarding van medemensen die we indringend te zien krijgen, elke dag; en voelen we dat ook bij onszelf -mijn eigen waardigheid wordt aangetast-?
Hoe het ook zij, ík heb behoefte aan gezamenlijke ‘verheffing’. We zijn hier bijeen, lijkt mij, als ‘gemeente van Jeshaja’ (God is goed), in het ‘huis van gebed voor alle volken’.
Zo’n tekst aangereikt krijgen, dat is toch prachtig. Jesaja doet ons dromen; mij wel tenminste.
In de diverse media in onze tijd buitelen ideeën over elkaar heen: ‘de grenzen moeten dicht, nee open. We moeten het Wilhelmus gaan zingen; je moet je aanpassen, of nee, toch liever jezelf blijven; geen hoofddoek op, wel haar op je tanden’. Respectvol luisteren is er vaak niet bij, verschillen lijken groter dan ooit.
Midden in dergelijk tumult horen we dat God tot de profeet Jesaja spreekt over Zijn huis: één huis (van gebed) voor álle volken. Een haast onmogelijke droom.
Het volk Israël is na jarenlange ballingschap weer teruggekeerd naar hun eigen land. Het is een gemeenschap in opbouw, op zoek naar wat hen te doen staat, op zoek naar de eigen identiteit. En dan geeft Jesaja een Godsspraak door.
Een vredesorganisatie, een verzamelde groep vredelievende mensen, temidden van wan-orde en oorlogen, kan niet zonder mensen met verbeelding. In situaties van ogenschijnlijke uitzichtloosheid, hebben we mensen nodig die beelden hebben van rechtvaardigheid, én vreedzame plaatsen, scholen, buurten en steden.
Jesaja laat weten: Dit zegt God, de Eeuwige: Handel rechtvaardig, handhaaf het recht.
Dé voorwaarde voor álle handelen is: rechtvaardig handelen en gerechtigheid handhaven. Daar gaat het de God van Israël om. Omdat het volk dat niet deed, is het ver van huis geraakt -in ballingschap-. Nu wil men niet weer in dezelfde fout vallen. Hoe kun je dan goed en rechtvaardig leven? Door de sabbat, de rustdag, te houden en je verre te houden van al het kwaad. Gelukkig de mens die zo handelt.
Indrukwekkend hoe open dit beeld van het gebedshuis voor alle volken is. Het gaat om volken die recht doen. Bij deze God horen, is recht doen; hongerigen te eten geven, dorstigen te drinken geven, vreem-delingen opnemen, naakten kleden, zieken en gevangenen bezoeken.
In Palestina heb ik ze gezien. Mensen die de hoop levend houden. Gezamenlijk. Een gezamenlijk gebed, op straat, op vrijdag, moslims, christenen en joden samen. Op shabbat, op straat, joden, moslims en andere mensen van goede wil, in een vreedzame, gezamenlijke demonstratie voor vrede. Op zondag, bij de muur, in Betlehem, mensen uit alle volken samen in gebed vóor de opheffing van de illegale bezetting.
We hebben ze hier gezien, vorig jaar, in de Koorkerk, een bisschop, een imam, een dominee, uit de Centraal Afrikaanse Republiek. Middenin de ontketende oorlog van burgers tegen medeburgers, werken zij aan verzoening.
Ik citeer een collega: In mijn kerk is de tegenstelling niet meer die tussen geloof en ongeloof, maar gaat het om geloof versus cynisme. “Verlangen we naar een andere, betere wereld? Hebben we het nog níet opgegeven? Laten we dan samen gaan. ‘Als je mensen wil leren varen, leer ze dan geen boten bouwen, maar leer ze verlangen naar de eindeloze zee.’
Het gaat er vooral om dát je het gaat doen, omdát je er op vertrouwt dat dit het goede is; geen cynisme, maar geloof.
Om ook Etty Hillesum te citeren: ‘Er moet na deze tijd toch gezegd kunnen worden dat God hier is geweest. En waarom zou ik dat stukje verbeelding van God niet zijn? Een plek, een lichaam, een geest voor God om te verblijven.’ Het is niet de vraag ‘wat doet God voor mij?, God heeft óns nodig; als handen en voeten op aarde. Dat er aangewezen kan worden: Hij leeft, Hij is er. Dat je mensen ziet die dingen doen. Dat het er om gaat wie je bent: kind van deze God.
Wie hoort er eigenlijk allemaal bij? Gaat het God primair om het eigen volk?
In de Bijbelse oudheid was een gecastreerde man, een eunuch, iemand die een hoge overheidsfunctie kon bekleden, maar door zijn verminking niet meer geschikt bevonden werd om in het heiligdom van God te komen. Ook zou hij, bij gebrek aan nakomelingen, na zijn dood niet meer voortleven in de gemeenschap.
Een man zonder God, zonder toekomst, dus. Jesaja geeft nu juist aan deze mens de belofte, dat ook zíjn
naam voor altijd herdacht zal worden, in de tempel van God. De gangbare wereld omgekeerd.
De nieuwe toekomst waar Jesaja over spreekt, is er dus óok, of eigenlijk allereerst, voor de outcasts in de samenleving. Ook voor de gecastreerde man aan het hof die zegt: “Ik ben maar een dorre boom, ik heb geen nageslacht…” God ziet de situatie van deze mensen. Misschien zijn ze in de ogen van anderen en van zichzelf ‘nietsnutten’. Maar God verbindt zich ook aan hen: “De mensen die zich houden aan mijn wetten, zij die gerechtigheid doen en de sabbat houden, hen geef ik iets beters dan zonen en dochters: een gedenk-teken [Yad] en een naam [Shem] ín mijn tempel én binnen de muren van mijn stad.
Het woordje Yad betekent letterlijk hand, maar kan ook teken, gedenk-teken betekenen. Dan gaat het er om dat God aan deze uit-gestotenen een naam en een teken in de tempel geeft. Hun naam gaat niet verloren. Het is als de naam op een grafsteen, op een plaquette. Yad krijgt ook de betekenis van ‘plaats, deel, aandeel’. Dan betekent het dat juist zij een plaats en een functie in de gemeenschap krijgen.
Wie vandaag Yad Va Shem zegt, denkt meteen aan het Holocaustmonument in Jeruzalem. Het is de officiële staatsinstelling van Israël voor het herdenken van de Joodse slachtoffers van de Holocaust en van de redders van Joden. Het gevolg van het bezoeken van dit museum is dat je als je Yad Va Shem hoort, je niet ogenblikkelijk meer denkt aan de ontmanden en de vreemdelingen in Jesaja 56. Vanaf nu denk je aan alle vermoorde Joden in de Tweede Wereldoorlog.
Betekent die naam een nationalisering van de Jesajatekst, enkel over Joden, en daarmee een inperking van het universele karakter van de tekst? Avraham Burg zegt daar wat van.
Abraham Burg is schrijver en voormalig parlementsvoorzitter, van de Knesset. Hij schrijft: ‘Het museum zal in zijn toekomstige vorm een gedenkteken zijn voor al het onrecht dat mensen is aangedaan. Het zal een plek zijn die uitstraalt hoe krachtig de strijd is tegen geweld, waar ook ter wereld. Er zal een Armeense
vleugel zijn en een Servische vleugel, er zullen voorwerpen uit Rwanda en Namibië tentoongesteld
worden, er zal een presentatie zijn ter ere van de oorspronkelijke bewoners van Noord-Amerika, die werden
uitgeroeid door blonde generaals met blauwe ogen. Een Internationaal Hof voor de Berechtiging van Misdaden tegen de Mensheid zal gevestigd worden in Jeruzalem, de Stad van Vrede, en de rechters zullen afkomstig zijn uit de hele wereld. […] en boven de poort zal de profetie van Jesaja worden gegraveerd.
Een plaats dus waar Jesaja gewag van maakt; voor álle volken.
De nieuwe toekomst waar Jesaja over spreekt, geldt ook voor de vreemdeling. Als de vreemdeling de verbinding zoekt met Israëls God, God dient en Gods naam liefheeft -vrede en recht in praktijk brengt, dus-, dan hoort die vreemdeling er helemaal bij. Dat is het veelbelovend perspectief.
Aansluiten bij God, betekent echter niet per se dat de vreemdeling ook Joods moet worden. Het gaat erom dat zij, net als iedereen, geroepen zijn hun naaste lief te hebben en recht te doen. Afkomst of religie doet er niet toe: gerechtigheid doen, is voorwaarde om deel uit te maken van Gods verbond met de mens. Dit betekent een einde aan de uitsluiting. Tenminste, zegt de profeet, zó kijkt God daar tegen aan. (Profetie is dus niks anders dan ‘met Gods ogen naar de wereld kijken’.)
Er staat geen bordje ‘verboden voor vreemdelingen‘ op Gods huis. Gods huis staat open voor alle volken. Dat is een statement in een tijd – vlak na de ballingschap - waarin juist ook gezocht werd naar de eigen identiteit als volk ten opzichte van vreemdelingen. Een tijd waarin gemengde huwelijken verboden werden. Bij Jesaja ligt het criterium om bij God te horen niet in het behoren tot één bepaald volk, maar in het luisteren naar Gods geboden en het in praktijk brengen daarvan. Ieder die zich houdt aan Gods wetten, gerechtigheid doet dus, zal God naar de heilige tempelberg brengen. Zo ziet de nieuwe toekomst eruit: één huis voor iedereen.
Dat is volgens mij het hart van de joodse en christelijke traditie, én ook van de islamitische, zo durf ik wel te zeggen. Een inclusief hart, waarbij uitsluiting uit den boze is. Een reuze actueel thema in een tijd van nadruk op eigen volk en eigen volksidentiteit.
Hebben we hier nu legitimatie van hogerhand gekregen om voor vrede en gerechtigheid te gaan -omdat we die in onszelf en in onze samenleving toch niet zomaar weten te vinden-, of hebben we -toch in elk geval- extra aansporing, inspiratie, ‘vermaning’ ontvangen, uit een wel zeer bijzondere bron?
Vertrouwen we er op dat ‘leven in Gods verbond’ zin heeft? Vertrouwen we er op dat actief om vrede roepen, zal helpen, om de oorlog in Syrië te stoppen, bv., of die in Yemen, of blijven we bij zulke praktisch-politieke vragen dan toch ineens nog cynisch, of wórden dat weer, bv. bij de oorlogsretoriek rond Noord-Korea? -Waar overigens veel Zuidkoreanen hard roepen: hou daarmee op!
Roepen, het heeft weldegelijk zin; samen. We laten ons niet uit elkaar spelen. En ook dit moet luid geroepen worden: joden, christenen en moslims in Israel en Palestina houden niet op om -zelfs na 50 jaar bezetting van de Westbank en Gaza- te roepen: stop er mee, wij willen gewoon samen leven als goede buren.
En, omdat het dicht op onze huid komt, ook dit moet gezegd, gebeden: wij zijn niet bang, wij laten ons niet bang maken, niet door IS en aanverwanten, en ook niet door extreem rechts -dat hier in onze eigen omgeving brutaal de straat opeist, vandaag in Enschede-. We laten ons niet bang maken. We laten ons als mensen van goede wil bijeen roepen in een huis van gebed voor alle volken.
En vanavond voel ík me hier ‘opgetild’, boven m’n verwarring uit, hier wordt het beste van onszelf naar boven geroepen én te binnen gebracht.
We bidden: God van Vrede,
U laat U raken door wat mensen meemaken, U wilt hen nabij zijn.
Wij danken U dat U ons nabij gekomen bent, in een volk, in een mens; telkens opnieuw in mensen. Wij danken dat U een God bent die mét ons gaat op de weg door het leven, in vrolijke en in harde tijden. We danken dat U ons draagt als een moeder en leidt als een vader. Geef dat wij ons door U láten leiden en láten dragen.
Dank U wel, God, dat bevrijding iets is van alle tijden, van vroeger en net zo goed van nu, van vandaag. Dank U wel dat bevrijding ook mógelijk is; geen mooie droom om naar te verlangen, maar werkelijkheid daar waar mensen, vol van uw Geest laten zien dat niets hen kan knechten, klein maken of louter en alleen slachtoffer van omstandigheden of van andere mensen.
Om uw Vrede bidden wij, wij hier bijeen, samen met mensen wereldwijd,
voor een wereld waar wél plaats is voor uw Visioen, voor mensen die dromen hebben afgeleerd, stomgeslagen door al het geweld.
God van alle mensen, om uw Vrede bidden wij, voor hen die moeten leven te midden van onrecht en haat,
aanslagen en oorlogen, verwoesting en verwarring, racisme en discriminatie, uitbuiting en vernedering,
honger en armoede, ziekte en dood, angst en onzekerheid.
Gelukkig zijn er groepen mensen, in de Centraal Afrikaanse Republiek, in Palestina, in Hongarije, in Frankrijk, in Berlijn, in Enschede, in Middelburg, die samen zeggen Wij laten ons niet bang maken.
Goede God, om uw Vrede bidden wij, dat wij mogen spreken tot elkaars verbeelding, dat wij mogen oplichten in uw Licht bij een ander, dat wij mogen bewegen in uw Geest, mensen verbindend -naar uw beeld en gelijkenis.
We bidden om bezieling en begeestering in ons leven. Bezieling en enthousiasme bij alles wat we doen, opdat onze samenleving een bezielde en aantrekkelijke samenleving zal zijn waar vertrouwen in het leven aanstekelijk werkt, waar geloof en hoop inspiratie geven, waar liefde ons samenbindt. Mogen de kerk, de synagoge en de moskee daarvan een werkplaats zijn, waar we samen komen om te oefenen in geloof, om hoop op te doen, om liefde te leren en om dit alles in onze gemeenschappen en daarbuiten met hart en ziel in praktijk te brengen.
Bijbellezing: Jesaja 56: 1-8.
U bent hier verzameld in een huis van gebed, een huis om God te ontmoeten. U bent ingegaan op de uitnodiging om vanavond hier te vergaderen. U dacht, waarschijnlijk: bij het begin van de vredesweek moet ik dáar zijn.
Ik vraag maar even: Voelde u zich nou geroepen door de God wiens aanwezigheid u hier vermoedt, of werd u gestuwd door de tijd en omstandigheden waarin we ons bevinden -een wereld vol tumult en geweld en oorlog?
Droomt u een droom van vrede en hebt u legitimatie van hogerhand nodig, van een hogere macht van buitenaf die ons nou ns de ultieme motieven aanreikt om nou eindelijk ns aan de vrede te beginnen, of hebben we daartoe genoeg aan de ont-waarding van medemensen die we indringend te zien krijgen, elke dag; en voelen we dat ook bij onszelf -mijn eigen waardigheid wordt aangetast-?
Hoe het ook zij, ík heb behoefte aan gezamenlijke ‘verheffing’. We zijn hier bijeen, lijkt mij, als ‘gemeente van Jeshaja’ (God is goed), in het ‘huis van gebed voor alle volken’.
Zo’n tekst aangereikt krijgen, dat is toch prachtig. Jesaja doet ons dromen; mij wel tenminste.
In de diverse media in onze tijd buitelen ideeën over elkaar heen: ‘de grenzen moeten dicht, nee open. We moeten het Wilhelmus gaan zingen; je moet je aanpassen, of nee, toch liever jezelf blijven; geen hoofddoek op, wel haar op je tanden’. Respectvol luisteren is er vaak niet bij, verschillen lijken groter dan ooit.
Midden in dergelijk tumult horen we dat God tot de profeet Jesaja spreekt over Zijn huis: één huis (van gebed) voor álle volken. Een haast onmogelijke droom.
Het volk Israël is na jarenlange ballingschap weer teruggekeerd naar hun eigen land. Het is een gemeenschap in opbouw, op zoek naar wat hen te doen staat, op zoek naar de eigen identiteit. En dan geeft Jesaja een Godsspraak door.
Een vredesorganisatie, een verzamelde groep vredelievende mensen, temidden van wan-orde en oorlogen, kan niet zonder mensen met verbeelding. In situaties van ogenschijnlijke uitzichtloosheid, hebben we mensen nodig die beelden hebben van rechtvaardigheid, én vreedzame plaatsen, scholen, buurten en steden.
Jesaja laat weten: Dit zegt God, de Eeuwige: Handel rechtvaardig, handhaaf het recht.
Dé voorwaarde voor álle handelen is: rechtvaardig handelen en gerechtigheid handhaven. Daar gaat het de God van Israël om. Omdat het volk dat niet deed, is het ver van huis geraakt -in ballingschap-. Nu wil men niet weer in dezelfde fout vallen. Hoe kun je dan goed en rechtvaardig leven? Door de sabbat, de rustdag, te houden en je verre te houden van al het kwaad. Gelukkig de mens die zo handelt.
Indrukwekkend hoe open dit beeld van het gebedshuis voor alle volken is. Het gaat om volken die recht doen. Bij deze God horen, is recht doen; hongerigen te eten geven, dorstigen te drinken geven, vreem-delingen opnemen, naakten kleden, zieken en gevangenen bezoeken.
In Palestina heb ik ze gezien. Mensen die de hoop levend houden. Gezamenlijk. Een gezamenlijk gebed, op straat, op vrijdag, moslims, christenen en joden samen. Op shabbat, op straat, joden, moslims en andere mensen van goede wil, in een vreedzame, gezamenlijke demonstratie voor vrede. Op zondag, bij de muur, in Betlehem, mensen uit alle volken samen in gebed vóor de opheffing van de illegale bezetting.
We hebben ze hier gezien, vorig jaar, in de Koorkerk, een bisschop, een imam, een dominee, uit de Centraal Afrikaanse Republiek. Middenin de ontketende oorlog van burgers tegen medeburgers, werken zij aan verzoening.
Ik citeer een collega: In mijn kerk is de tegenstelling niet meer die tussen geloof en ongeloof, maar gaat het om geloof versus cynisme. “Verlangen we naar een andere, betere wereld? Hebben we het nog níet opgegeven? Laten we dan samen gaan. ‘Als je mensen wil leren varen, leer ze dan geen boten bouwen, maar leer ze verlangen naar de eindeloze zee.’
Het gaat er vooral om dát je het gaat doen, omdát je er op vertrouwt dat dit het goede is; geen cynisme, maar geloof.
Om ook Etty Hillesum te citeren: ‘Er moet na deze tijd toch gezegd kunnen worden dat God hier is geweest. En waarom zou ik dat stukje verbeelding van God niet zijn? Een plek, een lichaam, een geest voor God om te verblijven.’ Het is niet de vraag ‘wat doet God voor mij?, God heeft óns nodig; als handen en voeten op aarde. Dat er aangewezen kan worden: Hij leeft, Hij is er. Dat je mensen ziet die dingen doen. Dat het er om gaat wie je bent: kind van deze God.
Wie hoort er eigenlijk allemaal bij? Gaat het God primair om het eigen volk?
In de Bijbelse oudheid was een gecastreerde man, een eunuch, iemand die een hoge overheidsfunctie kon bekleden, maar door zijn verminking niet meer geschikt bevonden werd om in het heiligdom van God te komen. Ook zou hij, bij gebrek aan nakomelingen, na zijn dood niet meer voortleven in de gemeenschap.
Een man zonder God, zonder toekomst, dus. Jesaja geeft nu juist aan deze mens de belofte, dat ook zíjn
naam voor altijd herdacht zal worden, in de tempel van God. De gangbare wereld omgekeerd.
De nieuwe toekomst waar Jesaja over spreekt, is er dus óok, of eigenlijk allereerst, voor de outcasts in de samenleving. Ook voor de gecastreerde man aan het hof die zegt: “Ik ben maar een dorre boom, ik heb geen nageslacht…” God ziet de situatie van deze mensen. Misschien zijn ze in de ogen van anderen en van zichzelf ‘nietsnutten’. Maar God verbindt zich ook aan hen: “De mensen die zich houden aan mijn wetten, zij die gerechtigheid doen en de sabbat houden, hen geef ik iets beters dan zonen en dochters: een gedenk-teken [Yad] en een naam [Shem] ín mijn tempel én binnen de muren van mijn stad.
Het woordje Yad betekent letterlijk hand, maar kan ook teken, gedenk-teken betekenen. Dan gaat het er om dat God aan deze uit-gestotenen een naam en een teken in de tempel geeft. Hun naam gaat niet verloren. Het is als de naam op een grafsteen, op een plaquette. Yad krijgt ook de betekenis van ‘plaats, deel, aandeel’. Dan betekent het dat juist zij een plaats en een functie in de gemeenschap krijgen.
Wie vandaag Yad Va Shem zegt, denkt meteen aan het Holocaustmonument in Jeruzalem. Het is de officiële staatsinstelling van Israël voor het herdenken van de Joodse slachtoffers van de Holocaust en van de redders van Joden. Het gevolg van het bezoeken van dit museum is dat je als je Yad Va Shem hoort, je niet ogenblikkelijk meer denkt aan de ontmanden en de vreemdelingen in Jesaja 56. Vanaf nu denk je aan alle vermoorde Joden in de Tweede Wereldoorlog.
Betekent die naam een nationalisering van de Jesajatekst, enkel over Joden, en daarmee een inperking van het universele karakter van de tekst? Avraham Burg zegt daar wat van.
Abraham Burg is schrijver en voormalig parlementsvoorzitter, van de Knesset. Hij schrijft: ‘Het museum zal in zijn toekomstige vorm een gedenkteken zijn voor al het onrecht dat mensen is aangedaan. Het zal een plek zijn die uitstraalt hoe krachtig de strijd is tegen geweld, waar ook ter wereld. Er zal een Armeense
vleugel zijn en een Servische vleugel, er zullen voorwerpen uit Rwanda en Namibië tentoongesteld
worden, er zal een presentatie zijn ter ere van de oorspronkelijke bewoners van Noord-Amerika, die werden
uitgeroeid door blonde generaals met blauwe ogen. Een Internationaal Hof voor de Berechtiging van Misdaden tegen de Mensheid zal gevestigd worden in Jeruzalem, de Stad van Vrede, en de rechters zullen afkomstig zijn uit de hele wereld. […] en boven de poort zal de profetie van Jesaja worden gegraveerd.
Een plaats dus waar Jesaja gewag van maakt; voor álle volken.
De nieuwe toekomst waar Jesaja over spreekt, geldt ook voor de vreemdeling. Als de vreemdeling de verbinding zoekt met Israëls God, God dient en Gods naam liefheeft -vrede en recht in praktijk brengt, dus-, dan hoort die vreemdeling er helemaal bij. Dat is het veelbelovend perspectief.
Aansluiten bij God, betekent echter niet per se dat de vreemdeling ook Joods moet worden. Het gaat erom dat zij, net als iedereen, geroepen zijn hun naaste lief te hebben en recht te doen. Afkomst of religie doet er niet toe: gerechtigheid doen, is voorwaarde om deel uit te maken van Gods verbond met de mens. Dit betekent een einde aan de uitsluiting. Tenminste, zegt de profeet, zó kijkt God daar tegen aan. (Profetie is dus niks anders dan ‘met Gods ogen naar de wereld kijken’.)
Er staat geen bordje ‘verboden voor vreemdelingen‘ op Gods huis. Gods huis staat open voor alle volken. Dat is een statement in een tijd – vlak na de ballingschap - waarin juist ook gezocht werd naar de eigen identiteit als volk ten opzichte van vreemdelingen. Een tijd waarin gemengde huwelijken verboden werden. Bij Jesaja ligt het criterium om bij God te horen niet in het behoren tot één bepaald volk, maar in het luisteren naar Gods geboden en het in praktijk brengen daarvan. Ieder die zich houdt aan Gods wetten, gerechtigheid doet dus, zal God naar de heilige tempelberg brengen. Zo ziet de nieuwe toekomst eruit: één huis voor iedereen.
Dat is volgens mij het hart van de joodse en christelijke traditie, én ook van de islamitische, zo durf ik wel te zeggen. Een inclusief hart, waarbij uitsluiting uit den boze is. Een reuze actueel thema in een tijd van nadruk op eigen volk en eigen volksidentiteit.
Hebben we hier nu legitimatie van hogerhand gekregen om voor vrede en gerechtigheid te gaan -omdat we die in onszelf en in onze samenleving toch niet zomaar weten te vinden-, of hebben we -toch in elk geval- extra aansporing, inspiratie, ‘vermaning’ ontvangen, uit een wel zeer bijzondere bron?
Vertrouwen we er op dat ‘leven in Gods verbond’ zin heeft? Vertrouwen we er op dat actief om vrede roepen, zal helpen, om de oorlog in Syrië te stoppen, bv., of die in Yemen, of blijven we bij zulke praktisch-politieke vragen dan toch ineens nog cynisch, of wórden dat weer, bv. bij de oorlogsretoriek rond Noord-Korea? -Waar overigens veel Zuidkoreanen hard roepen: hou daarmee op!
Roepen, het heeft weldegelijk zin; samen. We laten ons niet uit elkaar spelen. En ook dit moet luid geroepen worden: joden, christenen en moslims in Israel en Palestina houden niet op om -zelfs na 50 jaar bezetting van de Westbank en Gaza- te roepen: stop er mee, wij willen gewoon samen leven als goede buren.
En, omdat het dicht op onze huid komt, ook dit moet gezegd, gebeden: wij zijn niet bang, wij laten ons niet bang maken, niet door IS en aanverwanten, en ook niet door extreem rechts -dat hier in onze eigen omgeving brutaal de straat opeist, vandaag in Enschede-. We laten ons niet bang maken. We laten ons als mensen van goede wil bijeen roepen in een huis van gebed voor alle volken.
En vanavond voel ík me hier ‘opgetild’, boven m’n verwarring uit, hier wordt het beste van onszelf naar boven geroepen én te binnen gebracht.
We bidden: God van Vrede,
U laat U raken door wat mensen meemaken, U wilt hen nabij zijn.
Wij danken U dat U ons nabij gekomen bent, in een volk, in een mens; telkens opnieuw in mensen. Wij danken dat U een God bent die mét ons gaat op de weg door het leven, in vrolijke en in harde tijden. We danken dat U ons draagt als een moeder en leidt als een vader. Geef dat wij ons door U láten leiden en láten dragen.
Dank U wel, God, dat bevrijding iets is van alle tijden, van vroeger en net zo goed van nu, van vandaag. Dank U wel dat bevrijding ook mógelijk is; geen mooie droom om naar te verlangen, maar werkelijkheid daar waar mensen, vol van uw Geest laten zien dat niets hen kan knechten, klein maken of louter en alleen slachtoffer van omstandigheden of van andere mensen.
Om uw Vrede bidden wij, wij hier bijeen, samen met mensen wereldwijd,
voor een wereld waar wél plaats is voor uw Visioen, voor mensen die dromen hebben afgeleerd, stomgeslagen door al het geweld.
God van alle mensen, om uw Vrede bidden wij, voor hen die moeten leven te midden van onrecht en haat,
aanslagen en oorlogen, verwoesting en verwarring, racisme en discriminatie, uitbuiting en vernedering,
honger en armoede, ziekte en dood, angst en onzekerheid.
Gelukkig zijn er groepen mensen, in de Centraal Afrikaanse Republiek, in Palestina, in Hongarije, in Frankrijk, in Berlijn, in Enschede, in Middelburg, die samen zeggen Wij laten ons niet bang maken.
Goede God, om uw Vrede bidden wij, dat wij mogen spreken tot elkaars verbeelding, dat wij mogen oplichten in uw Licht bij een ander, dat wij mogen bewegen in uw Geest, mensen verbindend -naar uw beeld en gelijkenis.
We bidden om bezieling en begeestering in ons leven. Bezieling en enthousiasme bij alles wat we doen, opdat onze samenleving een bezielde en aantrekkelijke samenleving zal zijn waar vertrouwen in het leven aanstekelijk werkt, waar geloof en hoop inspiratie geven, waar liefde ons samenbindt. Mogen de kerk, de synagoge en de moskee daarvan een werkplaats zijn, waar we samen komen om te oefenen in geloof, om hoop op te doen, om liefde te leren en om dit alles in onze gemeenschappen en daarbuiten met hart en ziel in praktijk te brengen.
maandag 4 september 2017
Samen leven vieren
Onderstaande tekst, gehoord hebbend het lied 'Mag ik dan bij jou? van Claudia de Breij
en gelezen: uit O.T. Toraboek Deuteronomium 14: 22-29 en uit N.T. Geschriftenboek Handelingen 4: 31-35. (De aanwezigen hebben eten meegebracht voor de voedselbank en voor de gezamenlijke lunch.)
Laten we eten en drinken en vrolijk zijn.' - Dat is nou niet bepaald een calvinistische uitspraak. Feestvieren, dat hebben stijle calvinisten altijd overgelaten aan de Roomsen.
In Dt 14 is het een opdracht aan Israel: "gij zult voor het aangezicht van de Heer, uw God, eten en u verheugen...", zo staat er. Elk jaar moet Israel naar het heiligdom gaan met een tiende van z'n inkomen, om daarvan te eten en te drinken en vrolijk te zijn.
In de voorbereiding van deze startzondag kregen we het over -als we een open kerk willen zijn, voor het dorp bv., dan zullen we een open gemeenschap zijn in de zin van 'ieder is welkom -kom maar binnen’- en ook: open ‘naar buiten’, mede-deelzaam met de minder-bedeelden. We delen bv. met de voedselbank, ...
Zo kwamen we op de bijbeltekst in Handelingen over de eerste christengemeente in Jerusalem waar men alles samen deelde. ‘De groep mensen die het geloof had aanvaard, leefde eendrachtig samen. Geen van hen beschouwde zijn bezittingen als zijn persoonlijk eigendom, want ze hadden alles gemeenschappelijk. Niemand onder hen leed enig gebrek’.
We lazen de tekst en ontdekten dat de beschreven praktijk voor ons nu in onze hedendaagse levenspraktijk, ook voor ons kerkelijken, niet zo vanzelfsprekend is. Integendeel.
Enkelen van u kennen wellicht de rockband Queen nog? De roemruchte zanger, Freddy Mercury, schreeuwde het uit: ´Is this the world we created? We made it all wrong! If there´s a God looking down on us, what will he say: What have you created! ´Wat hebben wij er een verschrikkelijke wereld van gemaakt! En Bob Dylan zong lang geleden: ´´The times, they are a-changing´´. En Frank Boeijen zingt :´Het leven is anders sinds de dag dat God is doodverklaard´.
En we lezen nu in Handelingen, over de eerste christengemeente in Jerusalem, dat daar in de stad de naam van Jezus veel verzet oproept. De leiders van het volk verbieden de mensen om die naam nog te gebruiken!
Is het bij ons ook zo ver gekomen? Dat God niet meer in het openbaar zichtbaar en hoorbaar mag zijn? ‘Geloven dat doe je maar thuis, in je eigen besloten kring, zo wordt ons voorgehouden, door velen van onze economische, politieke en filosofische leiders. De plaats waar God nog in de samenleving te vinden was, is leeg verklaard. We kunnen wel zonder. We redden ons prima, Zo horen we.
Totdat we op grenzen stuiten; en vervolgens toevlucht zoeken -nee, niet eens bewust, maar stilletjes-, bij andere ‘hogere’ krachten. En zo wordt de lege plaats -bijna ongemerkt- bezet; bezet door krachten die zich aan ons voordoen, of die aan ons gepresenteerd worden, als de ware verlosser. Vrijheid, dat moeten we hebben. ‘Laat het maar aan de vrije markt over, dan komt het allemaal goed’. En d’r worden ook zondebokken aangewezen -aan wie we de schuld kunnen geven voor alles wat niet goed gaat.
Het is dus niet de sekularisatie -vrij van betuttelende godsdiensten-, die erg is; het zijn de afgoden -ja, zo mogen we ze wel noemen- die we toelaten om de lege plaats op te vullen. We redden het níet -alleen-, maar we hebben niet door bij welke mens-ont-erende krachten -die zich als dé redders voordoen- we onze toevlucht zoeken. Het zijn die zogenaamd ‘hogere machten’ die de goede God nog verder in de verdachten-hoek zetten. En het zijn zij die de centrale lege plek gaan innemen -als we niet oppassen.
Wat doen mensen van de goede God als ze ontkenning en ontkrachting ondervinden?
In Handelingen 4 in die gemeente in Jerusalem, is dat volkomen duidelijk: bidden! Er worden geen doe-het-zelf-strategieën bedacht, maar de God van hemel en aarde wordt aangeroepen.
Geleid door de Geest zien ze dat Psalm 2 op deze situatie van toepassing is. Wat ze om zich heen zien gebeuren, is te benoemen als ‘verzet tegen de gezalfde van de Eeuwige’. Het juk dat in naam van on-machten wordt opgelegd, moet dus afgeweerd, afgeworpen worden. ‘Van de boeien moeten we ons bevrijden’, zo staat er in de psalm.
Wat doet de gemeente in Jerusalem? Er wordt gebeden, gebeden dat -ondanks de sterk opkomende afgodische krachten- Gods plan wél in vervulling gaat, zelfs dwars door alle vijandschap heen!
Na dit gebed wordt op drie manieren duidelijk dat Gods Geest wel werkt! Zijn kracht gaat stromen als antwoord op het gebed van de leerlingen van Jezus die samen zijn om te zoeken naar het plan van de Eeuwige.
1 De plaats waar ze bijeen zijn, begint te beven.
2 Allen worden vervuld van de heilige Geest. Volstromen met de Geest is kennelijk steeds opnieuw nodig.
3 Allen spreken vrijmoedig over de boodschap van God.
In Dt 14 gaat het over de tienden. Een tiende deel van de opbrengst van het land, van het koren, de druiven, de olijfolie, samen met de eerstgeborenen van de runderen en het kleinvee-, een tiende deel zal de Israeliet elk jaar bij het heiligdom inleveren.
In het aanbieden van de tienden en de eerstelingen zit de gedachte dat je bezit ten diepste nooit enkel jóuw bezit is, maar dat Gód de eigenlijke bezitter van het land is. Het land, de aarde, die is niet van jou, maar die heb je van God gekregen,in bruikleen. Gód is de Gever van de oogst, van de opbrengst van het land, en daarom zul je God ook een tiende en de eerstelingen van het land en het vee geven.
De tienden hebben dus direkt te maken met hoe je omgaat met de aarde, met bezit, met rijkdom. Geloof en milieu, geloof en ekonomie: ze hangen direkt met elkaar samen.
Nou is het opvallende hier in Dt 14, dat de nadruk allereerst erop gelegd wordt dat je zélf, van je tienden, feest moet gaan vieren. Opvallend, want die opbrengst van het land en van het vee moet je dus wel aan jezelf besteden. En je moet er nog feest van gaan vieren ook!
Maar, wacht even. Het gaat niet om zomaar een feest; het gaat om een feest "voor het aangezicht van de Heer, uw God". Je moet wel degelijk eerst je tienden inleveren en er dan feest van vieren in het heiligdom, de plaats die God verkiezen zal -en dat slaat dan op de tempel in Jeruzalem.
Je moet wel degelijk eerst de tienden inleveren. Daar kom je niet onderuit. Als je te ver van Jeruzalem afwoont, of als God je zo overvloedig gezegend heeft dat het geen doen is om met een tiende daarvan naar Jeruzalem te sjouwen, dan kan het ook anders: dan verkoop je thuis je tiende en ga je met het geld daarvan naar Jeruzalem en koop je dáar vervolgens weer wat je maar lekker vindt om feest mee te vieren, koeien, schapen, geiten, wijn en sterke drank. Dat feest moet je dus wel degelijk vieren "voor het aangezicht van de Heer, uw God". Je kunt niet thuisblijven, want daar is dat aangezicht van God niet.
En er hoort nóg iets bij, namelijk dat je elk derde jaar je tiende volledig afstaat. Je moet het afstaan aan de mensen voor wie het leven meestal géén feest is; de armen, de zwakken, de kanslozen. Met name genoemd: de vreemdeling, de wees en de weduwe.
Opmerkelijk, hoe nauw dat dus met elkaar samenhangt: het aanbieden van de tienden aan God én het aanbieden van de tienden aan de armen en zwakken; het feestvieren met je eigen familie, én het er voor zorgen dat ook de mensen voor wie het leven bepaald géén feest is een beetje vreugde zullen ervaren; het delen in de gaven die God geeft én het delen daarvan met wie géén opbrengst hebben.
Opmerkelijk, hoe nauw dat met elkaar samenhangt; zelfs zó nauw, dat Gods zegen voor jou ervan afhangt. Want zo eindigt het: "...opdat de Heer, uw God, u zegene in al het werk, dat uw hand doet." De medemens zul je dus laten delen in de zegen die jij van God ontvangt. Daarvoor krijg je die zegen van God. De barmhartigheid die God jou bewijst zodat je genoeg hebt om tienden af te staan-, die barmhartigheid zul jij ook bewijzen aan wie er niet zo barmhartig aan toe zijn.
In de evangelieën klaagt Jezus de leiders aan omdat ze dát nou juist niet doen. Jezus bedoelt: het gaat ook bij de voorschriften voor de tienden er uiteindelijk om dat er recht geschiedt aan de rechtelozen; dat je hen barmhartigheid bewijst; dat geloof in God ook het liefhebben van je naaste inhoudt.
Feest vieren voor God en feest vieren samen met de minsten, daar gaat het dus om.
De eerste gemeente in Jerusalem heeft dus heel goed begrepen wat er in de Tora, in het boek Deutero-nomium bedoeld wordt. Dat wat je méer hebt dan wat je voor jezelf nodig hebt, dat stel je beschikbaar aan je leef-gemeenschap, in een samen-leef-vorm waar je ‘liefhebben van God en mens’ in praktijk kan brengen. Of waar je dat toch minstens met elkaar kan oefenen.
De kibbutz in Israel was ook -nog niet zo lang geleden- een mooie vorm van samen-delen. De sabbath op vrijdagavond beginnen met de gezamenlijke sabbathmaaltijd, ach, zo mooi. (Ik was er, jaren geleden.)
Feest vieren voor God en feest vieren samen met de minsten, daar gaat het dus om.
Waarom is dat belangrijk? - "...opdat u steeds opnieuw leert te leven in ontzag voor de Heer, uw God", zo staat er in vs 23. Dat brengen van de tienden om daarvan feest te vieren voor Gods aangezicht, samen met de zwakken en armen-, dat heeft dus een heel speciaal doel: het gaat direkt om je geloof, om je eerbied en ontzag voor God, om je liefde voor de Eeuwige. Dat feestvieren van de tienden, dat is er dus ook om te leren dat de Eeuwige de enige God is bij wie het heil te vinden is.
En om er aan vast te houden, het niet verloren te laten gaan, het niet uit handen te laten nemen, de plaats niet te laten bezetten.
Het gaat dus om een heel 'geestelijke' en 'spirituele' zaak: het leren vrezen van de Heer, je leven lang; maar tegelijk gaat het om een heel 'sociale' en 'materiële' zaak: het delen van je rijkdom met de armen om zo samen met de kanslozen van het leven een feest te maken.
En als we nu opnieuw gastvrijheid, een open huis, een open kerk, willen oefenen, dan hebben we vanmorgen toch al een mooie bede gehoord: ‘Als het onweer komt, en als ik dan bang ben, mag ik dan bij Jou ...?
Bidden wij ook maar weer, tégen de on-machten in: ‘Als er een clubje komt waar ik niet bij wil horen, mag ik dan bij Jou? Als er een regel komt waar ik niet aan voldoen kan, mag ik dan bij Jou? En als ik iets moet zijn wat ik nooit geweest ben, mag ik dan bij Jou? Als de oorlog komt en als ik dan moet schuilen, mag ik dan bij Jou?
God, blijf in ons midden. Dan blijven wij gastvrij, dan blijven wij dat oefenen; open kerk, open huis. En dan zorgen de diakenen dat onze tienden bij de voedselbank komen.
Zo gaan we samen verder. Nog vele jaren.
en gelezen: uit O.T. Toraboek Deuteronomium 14: 22-29 en uit N.T. Geschriftenboek Handelingen 4: 31-35. (De aanwezigen hebben eten meegebracht voor de voedselbank en voor de gezamenlijke lunch.)
Laten we eten en drinken en vrolijk zijn.' - Dat is nou niet bepaald een calvinistische uitspraak. Feestvieren, dat hebben stijle calvinisten altijd overgelaten aan de Roomsen.
In Dt 14 is het een opdracht aan Israel: "gij zult voor het aangezicht van de Heer, uw God, eten en u verheugen...", zo staat er. Elk jaar moet Israel naar het heiligdom gaan met een tiende van z'n inkomen, om daarvan te eten en te drinken en vrolijk te zijn.
In de voorbereiding van deze startzondag kregen we het over -als we een open kerk willen zijn, voor het dorp bv., dan zullen we een open gemeenschap zijn in de zin van 'ieder is welkom -kom maar binnen’- en ook: open ‘naar buiten’, mede-deelzaam met de minder-bedeelden. We delen bv. met de voedselbank, ...
Zo kwamen we op de bijbeltekst in Handelingen over de eerste christengemeente in Jerusalem waar men alles samen deelde. ‘De groep mensen die het geloof had aanvaard, leefde eendrachtig samen. Geen van hen beschouwde zijn bezittingen als zijn persoonlijk eigendom, want ze hadden alles gemeenschappelijk. Niemand onder hen leed enig gebrek’.
We lazen de tekst en ontdekten dat de beschreven praktijk voor ons nu in onze hedendaagse levenspraktijk, ook voor ons kerkelijken, niet zo vanzelfsprekend is. Integendeel.
Enkelen van u kennen wellicht de rockband Queen nog? De roemruchte zanger, Freddy Mercury, schreeuwde het uit: ´Is this the world we created? We made it all wrong! If there´s a God looking down on us, what will he say: What have you created! ´Wat hebben wij er een verschrikkelijke wereld van gemaakt! En Bob Dylan zong lang geleden: ´´The times, they are a-changing´´. En Frank Boeijen zingt :´Het leven is anders sinds de dag dat God is doodverklaard´.
En we lezen nu in Handelingen, over de eerste christengemeente in Jerusalem, dat daar in de stad de naam van Jezus veel verzet oproept. De leiders van het volk verbieden de mensen om die naam nog te gebruiken!
Is het bij ons ook zo ver gekomen? Dat God niet meer in het openbaar zichtbaar en hoorbaar mag zijn? ‘Geloven dat doe je maar thuis, in je eigen besloten kring, zo wordt ons voorgehouden, door velen van onze economische, politieke en filosofische leiders. De plaats waar God nog in de samenleving te vinden was, is leeg verklaard. We kunnen wel zonder. We redden ons prima, Zo horen we.
Totdat we op grenzen stuiten; en vervolgens toevlucht zoeken -nee, niet eens bewust, maar stilletjes-, bij andere ‘hogere’ krachten. En zo wordt de lege plaats -bijna ongemerkt- bezet; bezet door krachten die zich aan ons voordoen, of die aan ons gepresenteerd worden, als de ware verlosser. Vrijheid, dat moeten we hebben. ‘Laat het maar aan de vrije markt over, dan komt het allemaal goed’. En d’r worden ook zondebokken aangewezen -aan wie we de schuld kunnen geven voor alles wat niet goed gaat.
Het is dus niet de sekularisatie -vrij van betuttelende godsdiensten-, die erg is; het zijn de afgoden -ja, zo mogen we ze wel noemen- die we toelaten om de lege plaats op te vullen. We redden het níet -alleen-, maar we hebben niet door bij welke mens-ont-erende krachten -die zich als dé redders voordoen- we onze toevlucht zoeken. Het zijn die zogenaamd ‘hogere machten’ die de goede God nog verder in de verdachten-hoek zetten. En het zijn zij die de centrale lege plek gaan innemen -als we niet oppassen.
Wat doen mensen van de goede God als ze ontkenning en ontkrachting ondervinden?
In Handelingen 4 in die gemeente in Jerusalem, is dat volkomen duidelijk: bidden! Er worden geen doe-het-zelf-strategieën bedacht, maar de God van hemel en aarde wordt aangeroepen.
Geleid door de Geest zien ze dat Psalm 2 op deze situatie van toepassing is. Wat ze om zich heen zien gebeuren, is te benoemen als ‘verzet tegen de gezalfde van de Eeuwige’. Het juk dat in naam van on-machten wordt opgelegd, moet dus afgeweerd, afgeworpen worden. ‘Van de boeien moeten we ons bevrijden’, zo staat er in de psalm.
Wat doet de gemeente in Jerusalem? Er wordt gebeden, gebeden dat -ondanks de sterk opkomende afgodische krachten- Gods plan wél in vervulling gaat, zelfs dwars door alle vijandschap heen!
Na dit gebed wordt op drie manieren duidelijk dat Gods Geest wel werkt! Zijn kracht gaat stromen als antwoord op het gebed van de leerlingen van Jezus die samen zijn om te zoeken naar het plan van de Eeuwige.
1 De plaats waar ze bijeen zijn, begint te beven.
2 Allen worden vervuld van de heilige Geest. Volstromen met de Geest is kennelijk steeds opnieuw nodig.
3 Allen spreken vrijmoedig over de boodschap van God.
In Dt 14 gaat het over de tienden. Een tiende deel van de opbrengst van het land, van het koren, de druiven, de olijfolie, samen met de eerstgeborenen van de runderen en het kleinvee-, een tiende deel zal de Israeliet elk jaar bij het heiligdom inleveren.
In het aanbieden van de tienden en de eerstelingen zit de gedachte dat je bezit ten diepste nooit enkel jóuw bezit is, maar dat Gód de eigenlijke bezitter van het land is. Het land, de aarde, die is niet van jou, maar die heb je van God gekregen,in bruikleen. Gód is de Gever van de oogst, van de opbrengst van het land, en daarom zul je God ook een tiende en de eerstelingen van het land en het vee geven.
De tienden hebben dus direkt te maken met hoe je omgaat met de aarde, met bezit, met rijkdom. Geloof en milieu, geloof en ekonomie: ze hangen direkt met elkaar samen.
Nou is het opvallende hier in Dt 14, dat de nadruk allereerst erop gelegd wordt dat je zélf, van je tienden, feest moet gaan vieren. Opvallend, want die opbrengst van het land en van het vee moet je dus wel aan jezelf besteden. En je moet er nog feest van gaan vieren ook!
Maar, wacht even. Het gaat niet om zomaar een feest; het gaat om een feest "voor het aangezicht van de Heer, uw God". Je moet wel degelijk eerst je tienden inleveren en er dan feest van vieren in het heiligdom, de plaats die God verkiezen zal -en dat slaat dan op de tempel in Jeruzalem.
Je moet wel degelijk eerst de tienden inleveren. Daar kom je niet onderuit. Als je te ver van Jeruzalem afwoont, of als God je zo overvloedig gezegend heeft dat het geen doen is om met een tiende daarvan naar Jeruzalem te sjouwen, dan kan het ook anders: dan verkoop je thuis je tiende en ga je met het geld daarvan naar Jeruzalem en koop je dáar vervolgens weer wat je maar lekker vindt om feest mee te vieren, koeien, schapen, geiten, wijn en sterke drank. Dat feest moet je dus wel degelijk vieren "voor het aangezicht van de Heer, uw God". Je kunt niet thuisblijven, want daar is dat aangezicht van God niet.
En er hoort nóg iets bij, namelijk dat je elk derde jaar je tiende volledig afstaat. Je moet het afstaan aan de mensen voor wie het leven meestal géén feest is; de armen, de zwakken, de kanslozen. Met name genoemd: de vreemdeling, de wees en de weduwe.
Opmerkelijk, hoe nauw dat dus met elkaar samenhangt: het aanbieden van de tienden aan God én het aanbieden van de tienden aan de armen en zwakken; het feestvieren met je eigen familie, én het er voor zorgen dat ook de mensen voor wie het leven bepaald géén feest is een beetje vreugde zullen ervaren; het delen in de gaven die God geeft én het delen daarvan met wie géén opbrengst hebben.
Opmerkelijk, hoe nauw dat met elkaar samenhangt; zelfs zó nauw, dat Gods zegen voor jou ervan afhangt. Want zo eindigt het: "...opdat de Heer, uw God, u zegene in al het werk, dat uw hand doet." De medemens zul je dus laten delen in de zegen die jij van God ontvangt. Daarvoor krijg je die zegen van God. De barmhartigheid die God jou bewijst zodat je genoeg hebt om tienden af te staan-, die barmhartigheid zul jij ook bewijzen aan wie er niet zo barmhartig aan toe zijn.
In de evangelieën klaagt Jezus de leiders aan omdat ze dát nou juist niet doen. Jezus bedoelt: het gaat ook bij de voorschriften voor de tienden er uiteindelijk om dat er recht geschiedt aan de rechtelozen; dat je hen barmhartigheid bewijst; dat geloof in God ook het liefhebben van je naaste inhoudt.
Feest vieren voor God en feest vieren samen met de minsten, daar gaat het dus om.
De eerste gemeente in Jerusalem heeft dus heel goed begrepen wat er in de Tora, in het boek Deutero-nomium bedoeld wordt. Dat wat je méer hebt dan wat je voor jezelf nodig hebt, dat stel je beschikbaar aan je leef-gemeenschap, in een samen-leef-vorm waar je ‘liefhebben van God en mens’ in praktijk kan brengen. Of waar je dat toch minstens met elkaar kan oefenen.
De kibbutz in Israel was ook -nog niet zo lang geleden- een mooie vorm van samen-delen. De sabbath op vrijdagavond beginnen met de gezamenlijke sabbathmaaltijd, ach, zo mooi. (Ik was er, jaren geleden.)
Feest vieren voor God en feest vieren samen met de minsten, daar gaat het dus om.
Waarom is dat belangrijk? - "...opdat u steeds opnieuw leert te leven in ontzag voor de Heer, uw God", zo staat er in vs 23. Dat brengen van de tienden om daarvan feest te vieren voor Gods aangezicht, samen met de zwakken en armen-, dat heeft dus een heel speciaal doel: het gaat direkt om je geloof, om je eerbied en ontzag voor God, om je liefde voor de Eeuwige. Dat feestvieren van de tienden, dat is er dus ook om te leren dat de Eeuwige de enige God is bij wie het heil te vinden is.
En om er aan vast te houden, het niet verloren te laten gaan, het niet uit handen te laten nemen, de plaats niet te laten bezetten.
Het gaat dus om een heel 'geestelijke' en 'spirituele' zaak: het leren vrezen van de Heer, je leven lang; maar tegelijk gaat het om een heel 'sociale' en 'materiële' zaak: het delen van je rijkdom met de armen om zo samen met de kanslozen van het leven een feest te maken.
En als we nu opnieuw gastvrijheid, een open huis, een open kerk, willen oefenen, dan hebben we vanmorgen toch al een mooie bede gehoord: ‘Als het onweer komt, en als ik dan bang ben, mag ik dan bij Jou ...?
Bidden wij ook maar weer, tégen de on-machten in: ‘Als er een clubje komt waar ik niet bij wil horen, mag ik dan bij Jou? Als er een regel komt waar ik niet aan voldoen kan, mag ik dan bij Jou? En als ik iets moet zijn wat ik nooit geweest ben, mag ik dan bij Jou? Als de oorlog komt en als ik dan moet schuilen, mag ik dan bij Jou?
God, blijf in ons midden. Dan blijven wij gastvrij, dan blijven wij dat oefenen; open kerk, open huis. En dan zorgen de diakenen dat onze tienden bij de voedselbank komen.
Zo gaan we samen verder. Nog vele jaren.
woensdag 21 september 2016
Verbonden met Israel
Israel en kerk
De eerste zondag van oktober is in de kerk, zo lang ik weet, Israëlzondag; naast dat we Israël elke zondag tegen komen in de liturgie. In het besef dat zowel joden als christenen hun eenheid vinden in de God van Israël.
Ik acht het zinvol, als een vorm van permanente educatie, om middels een speciale zondag ons als christelijke gemeente wakker te houden en te bepalen bij de Joodse wortels van het christelijk geloof en de relatie met het levende Jodendom.
In 1949, net na de Tweede Wereldoorlog en de vestiging van de staat Israël, stelde de hervormde synode een jaarlijkse Israëlzondag vast. Het werd de eerste zondag in oktober. In die periode vallen de grote feesten in het Jodendom: Rosj Hasjana (Nieuwjaarsdag), Jom Kippoer (Grote Verzoendag), Soekot (Loofhuttenfeest).
Er zijn drie motieven voor zo’n aparte markering in het kerkelijk jaar: gestalte geven aan de verbondenheid met het volk Israël, bezinning op de relatie Kerk en Israël, en gebed voor het volk Israël.
Velen, buiten en binnen de kerken, denken heden ten dage bij Israël niet alleen of in eerste instantie aan de relatie met het volk Israël, maar aan de staat en aan het conflict tussen Israel en de Arabische buurlanden. Het conflict breekt door alles heen. Bidden voor het volk Israël kun je niet meer los zien van bidden voor Palestijnen in de door de staat Israel bezette gebieden. Hoe doe je dat? De roeping tot het gestalte geven aan in de Protestantse kerk zogenoemde ´onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël´ gaat samen op met de diaconale roeping en de roeping tot oecumenische verbondenheid met christenen wereldwijd, inclusief Palestijnse christenen.
Ook al kunnen deze roepingen botsen en schuren, de Protestantse Kerk kan geen van deze roepingen veronachtzamen. In de beleidsnota over het Israëlisch-Palestijnse conflict uit 2008 wordt nog eens verwoord dat de keuze voor het woord onopgeefbaar ‘verstaan dient te worden tegen de achtergrond van een eeuwenlange geschiedenis waarin de kerk zich sterk had vervreemd van haar wortels in het volk Israël, met alle voor Israël – en op een andere manier voor de kerk – desastreuze gevolgen’. Met andere woorden: in de kerk is theologische herbezinning een permanente must. In de eerste plaats om niet weer te vervallen in bijbelverstaan waarmee anti-semitisme (weer) gerechtvaardigd zou kunnen worden. En in de tweede plaats, daartoe geroepen door mede-christenen in Palestina, om niet illegale bezetting en schending van mensenrechten bijbels recht te praten.
Deze van twee kanten nodige bezinning brengt ons verlegenheid, waar we doorheen zullen moeten.
In de eerste plaats is er het besef, meestal onuitgesproken, met Israël dezelfde God te aanbidden. De God van Abraham, Isaak en Jakob is dezelfde als de Vader van Jezus Christus -de Zoon van David-. Israël is in de liturgie een vanzelfsprekende aanwezigheid in onze aanbidding van God. De liturgie is in al zijn facetten de aanbidding van Israëls God. Dat is niet zozeer een kwestie van meer aandacht maar van gelovig bewustzijn.
In de tweede plaats delen wij de Schriften met Israel. Het is daarom van belang ervoor zorg te dragen dat in elke eredienst die Schrift wordt gelezen. De gangbare leesroosters voorzien voor iedere zondag in lezingen uit het Eerste Testament. Die lezen wij en horen we nadrukkelijk als basis voor de verkondiging van het evangelie en de liedkeuze (waarin minimaal een psalm). Het nieuwe Liedboek neemt uitdrukkelijk de psalmen, de liturgie van Israël, op.
En ten derde is dus de vraag, van ons als christenen aan onszelf, en van Israel aan ons en van ons aan Israel: hoe lezen we, hoe verstaan we de -gezamenlijke- Schrift, de TeNaCh, het Eerste Testament?
Samen met joden, in Antwerpen, in Amsterdam, in Berlijn, in New York, in Jerusalem, putten we uit dezelfde bronnen, leven we vanuit dezelfde woorden. Mét alle weerbarstigheid kunnen we keer op keer leren en beleven dat de God van Israël een God van compassie en recht is, voor alle mensen.
(Met dank aan de landelijke werkgroep Kerk & Israel.)
Antisemitisme
Stel dat je vrienden de ´Protocollen van de wijzen van Zion´ hebben gelezen, samen met alle verhalen van middeleeuwse bloedsmaad, en dat zij elk woord geloven.
Je kunt protesteren- maar ze lezen het op het internet, in The Guardian en de Electronic Intifada, dus het moet waar zijn! Als je probeert uit te leggen dat de joden niet de banken en de media aansturen, noch dat zij achter 9/11 zaten, noch dat zij ISIS beheren, noch kinderen vermoorden (of hun organen stelen), jou wordt verteld dat je dit natuurlijk graag wil geloven over die verraderlijke mensen, maar je vriend weet het t best – en meer dan dat, jij probeert vrijheid van meningsuiting te verstikken.
Vervolgens wordt je getrakteerd op een discussie over hoe je vriend, in goede geweten moet opstaan en vrijmoedig zich moet uitspreken tegen de moord op kinderen en alle andere kwalen waarvan de protocollen (oude en nieuwe) de joden beschuldigen, omdat kinderen vermoorden verkeerd is, genocide verkeerd is, apartheid verkeerd is en wereldheerschappij proberen te krijgen ook te betreuren is.
Is er dan toch wel iets te zeggen dat hen ervan kan overtuigen dat ´de´ joden niet al deze verschrikkelijke dingen doen.
Hoe kennis maken met Israel en Israels God?
In ons dorp, waar ik ben grootgebracht, in de jaren 50, was een joods gezin; de man was onze slager, hij slachtte onze koe. Hij was een dorpeling als ieder ander, behalve dat hij een nakomeling was (in de diaspora) van het volk van die mooie bijbelse verhalen van de zondagsschool, over Jozef, David e.m. Spannend ! En overlevende (besefte ik later) van de uitroeingsstrategie van de nazi´s. En zo raakte ik geboeid door verhalen van Anne Frank en Etty Hillesum en ontdekte ik mooie literatuur van joodse schrijvers, zoals Chaim Potok en I B Singer. Waarin een mooie mengeling van joodse orthodoxie, weemoed, melancholie, vrolijkheid, humor; in Berlijn en New York, b.v. En muziek met dezelfde sfeer, kletzmer. Een mooie verfilming van het verhaal van Yentl ook; waarin de dochter van de rabbi van haar vader wel theologie mocht studeren, tegen de traditie in, maar met de gordijnen van de kamer dicht (want God mocht het wel zien, maar de buren niet). Het ademt gesprek, discussie, alle mogelijkheid om niet in dogma´s vast te gaan zitten (zo leek het), zelfkritisch. Ja, niet zo saai als mijn protestantse kerk op dat moment.
En wat was het een mooie kans om, weer wat later, naar het land Israel te gaan en daar als vrijwilliger in de kibbutz te ondergaan hoe het is om te leven in de ideaal-samenleving ´waar men alles gemeenschappelijk had´. ´Shalom´ als begroeting, waar ik ´moi´ gewend was (met ook, bij het weggaan, ´ajuu´; waarvan ik pas veel later begreep dat dat een verbastering was van ´a dieu´, ga ´met God´).
En dan ook nog hevig verliefd worden op een Israelisch meisje. En dan gaandeweg ontdekken dat in het jodendom ook diverse stromingen zich ontwikkeld hebben, net als in het christendom, met uitersten die niet meer met elkaar in gesprek zijn. En dan vervolgens bewuster en nadrukkelijk op zoek gaan naar die joodse achtergrond van Jezus. En zo ontdekken dat het zogenoemd Nieuwe Testament het Oude niet overbodig maakt, integendeel. Jezus en Paulus leven een specifiek joods geloof. De God over wie in de TeNaCh verteld wordt, daarover getuigt men dat het die God is die het volk uit de slavernij bevrijd heeft. Zo heeft het volk vervolgens, meerdere keren, het vertrouwen gekregen dat met die God bevrijding uit de machten van de dood mogelijk is; als ze zich maar (weer) op diens 10 aanwijzingen richten.
Via Jezus en Paulus m.n. kunnen ook niet-joden (gojim = uit ´de volken´ =´heidenen´) deze God voor hun leven van betekenis verklaren. Machten van de dood, on-geesten, kunnen met deze God overwonnen worden. En dat is wat ik vervolgens herken in de denkwijzen van christelijke theologen als Bonhoeffer en Miskotte en Veerkamp.
Israel heeft (me) een God leren kennen die geen god, of afgod, of on-geest, wil zijn; die daar niets mee te maken wil hebben (en die Abraham wegroept van de godenwereld van zijn vaderstam) en juist zo als een goede God functioneert, gericht op een toekomst van vrede en recht.
Zelfkritisch-zijn zit dus ook in deze traditie verweven. En het is dus vanwege de hedendaagse on-geesten die her en der de kop opsteken (terrorisme, racisme, anti-semitisme, islamofobie, fascisme, ...) dat we ons opnieuw zullen moeten bezinnen. Wat kunnen we (joden, christenen, moslims en andere mensen van goede wil) leren door de geschriften te lezen vanuit de vraag: welke aanwijzingen voor bevrijding worden ons aangereikt?
-Een dringende oproep daartoe hoor ik o.a. bij Palestijnse christenen, die te maken hebben met Israelische bezetters die hun onderdrukkende praktijk legitimeren met de bijbel in de hand (met hun interpretatie). En tot mijn verrassing reageren evangelicals (een christelijke stroming met een traditionele bijbelleeswijze) in ´Christ at the checkpoint´ in Betlehem, heel welwillend op deze oproep.
Intrigerend is ook dit: Op 7 en 8 november a.s. vindt in Utrecht een internationaal symposium plaats: Symposium Jezus en Paulus - joodse hervormers Jezus en Paulus: joodse broeders - joodse hervormers. Het is dit thema waarvoor Kerk & Israël uitgebreid aandacht vraagt.
Ik ben benieuwd naar de uitkomsten daarvan.
(Gepubliceerd in de najaarseditie 2016 van KiM, Kerk in het midden, Nieuws van de Nieuwe Kerk, Middelburg. jrg 6, nr. 13.)
De eerste zondag van oktober is in de kerk, zo lang ik weet, Israëlzondag; naast dat we Israël elke zondag tegen komen in de liturgie. In het besef dat zowel joden als christenen hun eenheid vinden in de God van Israël.
Ik acht het zinvol, als een vorm van permanente educatie, om middels een speciale zondag ons als christelijke gemeente wakker te houden en te bepalen bij de Joodse wortels van het christelijk geloof en de relatie met het levende Jodendom.
In 1949, net na de Tweede Wereldoorlog en de vestiging van de staat Israël, stelde de hervormde synode een jaarlijkse Israëlzondag vast. Het werd de eerste zondag in oktober. In die periode vallen de grote feesten in het Jodendom: Rosj Hasjana (Nieuwjaarsdag), Jom Kippoer (Grote Verzoendag), Soekot (Loofhuttenfeest).
Er zijn drie motieven voor zo’n aparte markering in het kerkelijk jaar: gestalte geven aan de verbondenheid met het volk Israël, bezinning op de relatie Kerk en Israël, en gebed voor het volk Israël.
Velen, buiten en binnen de kerken, denken heden ten dage bij Israël niet alleen of in eerste instantie aan de relatie met het volk Israël, maar aan de staat en aan het conflict tussen Israel en de Arabische buurlanden. Het conflict breekt door alles heen. Bidden voor het volk Israël kun je niet meer los zien van bidden voor Palestijnen in de door de staat Israel bezette gebieden. Hoe doe je dat? De roeping tot het gestalte geven aan in de Protestantse kerk zogenoemde ´onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël´ gaat samen op met de diaconale roeping en de roeping tot oecumenische verbondenheid met christenen wereldwijd, inclusief Palestijnse christenen.
Ook al kunnen deze roepingen botsen en schuren, de Protestantse Kerk kan geen van deze roepingen veronachtzamen. In de beleidsnota over het Israëlisch-Palestijnse conflict uit 2008 wordt nog eens verwoord dat de keuze voor het woord onopgeefbaar ‘verstaan dient te worden tegen de achtergrond van een eeuwenlange geschiedenis waarin de kerk zich sterk had vervreemd van haar wortels in het volk Israël, met alle voor Israël – en op een andere manier voor de kerk – desastreuze gevolgen’. Met andere woorden: in de kerk is theologische herbezinning een permanente must. In de eerste plaats om niet weer te vervallen in bijbelverstaan waarmee anti-semitisme (weer) gerechtvaardigd zou kunnen worden. En in de tweede plaats, daartoe geroepen door mede-christenen in Palestina, om niet illegale bezetting en schending van mensenrechten bijbels recht te praten.
Deze van twee kanten nodige bezinning brengt ons verlegenheid, waar we doorheen zullen moeten.
In de eerste plaats is er het besef, meestal onuitgesproken, met Israël dezelfde God te aanbidden. De God van Abraham, Isaak en Jakob is dezelfde als de Vader van Jezus Christus -de Zoon van David-. Israël is in de liturgie een vanzelfsprekende aanwezigheid in onze aanbidding van God. De liturgie is in al zijn facetten de aanbidding van Israëls God. Dat is niet zozeer een kwestie van meer aandacht maar van gelovig bewustzijn.
In de tweede plaats delen wij de Schriften met Israel. Het is daarom van belang ervoor zorg te dragen dat in elke eredienst die Schrift wordt gelezen. De gangbare leesroosters voorzien voor iedere zondag in lezingen uit het Eerste Testament. Die lezen wij en horen we nadrukkelijk als basis voor de verkondiging van het evangelie en de liedkeuze (waarin minimaal een psalm). Het nieuwe Liedboek neemt uitdrukkelijk de psalmen, de liturgie van Israël, op.
En ten derde is dus de vraag, van ons als christenen aan onszelf, en van Israel aan ons en van ons aan Israel: hoe lezen we, hoe verstaan we de -gezamenlijke- Schrift, de TeNaCh, het Eerste Testament?
Samen met joden, in Antwerpen, in Amsterdam, in Berlijn, in New York, in Jerusalem, putten we uit dezelfde bronnen, leven we vanuit dezelfde woorden. Mét alle weerbarstigheid kunnen we keer op keer leren en beleven dat de God van Israël een God van compassie en recht is, voor alle mensen.
(Met dank aan de landelijke werkgroep Kerk & Israel.)
Antisemitisme
Stel dat je vrienden de ´Protocollen van de wijzen van Zion´ hebben gelezen, samen met alle verhalen van middeleeuwse bloedsmaad, en dat zij elk woord geloven.
Je kunt protesteren- maar ze lezen het op het internet, in The Guardian en de Electronic Intifada, dus het moet waar zijn! Als je probeert uit te leggen dat de joden niet de banken en de media aansturen, noch dat zij achter 9/11 zaten, noch dat zij ISIS beheren, noch kinderen vermoorden (of hun organen stelen), jou wordt verteld dat je dit natuurlijk graag wil geloven over die verraderlijke mensen, maar je vriend weet het t best – en meer dan dat, jij probeert vrijheid van meningsuiting te verstikken.
Vervolgens wordt je getrakteerd op een discussie over hoe je vriend, in goede geweten moet opstaan en vrijmoedig zich moet uitspreken tegen de moord op kinderen en alle andere kwalen waarvan de protocollen (oude en nieuwe) de joden beschuldigen, omdat kinderen vermoorden verkeerd is, genocide verkeerd is, apartheid verkeerd is en wereldheerschappij proberen te krijgen ook te betreuren is.
Is er dan toch wel iets te zeggen dat hen ervan kan overtuigen dat ´de´ joden niet al deze verschrikkelijke dingen doen.
Hoe kennis maken met Israel en Israels God?
In ons dorp, waar ik ben grootgebracht, in de jaren 50, was een joods gezin; de man was onze slager, hij slachtte onze koe. Hij was een dorpeling als ieder ander, behalve dat hij een nakomeling was (in de diaspora) van het volk van die mooie bijbelse verhalen van de zondagsschool, over Jozef, David e.m. Spannend ! En overlevende (besefte ik later) van de uitroeingsstrategie van de nazi´s. En zo raakte ik geboeid door verhalen van Anne Frank en Etty Hillesum en ontdekte ik mooie literatuur van joodse schrijvers, zoals Chaim Potok en I B Singer. Waarin een mooie mengeling van joodse orthodoxie, weemoed, melancholie, vrolijkheid, humor; in Berlijn en New York, b.v. En muziek met dezelfde sfeer, kletzmer. Een mooie verfilming van het verhaal van Yentl ook; waarin de dochter van de rabbi van haar vader wel theologie mocht studeren, tegen de traditie in, maar met de gordijnen van de kamer dicht (want God mocht het wel zien, maar de buren niet). Het ademt gesprek, discussie, alle mogelijkheid om niet in dogma´s vast te gaan zitten (zo leek het), zelfkritisch. Ja, niet zo saai als mijn protestantse kerk op dat moment.
En wat was het een mooie kans om, weer wat later, naar het land Israel te gaan en daar als vrijwilliger in de kibbutz te ondergaan hoe het is om te leven in de ideaal-samenleving ´waar men alles gemeenschappelijk had´. ´Shalom´ als begroeting, waar ik ´moi´ gewend was (met ook, bij het weggaan, ´ajuu´; waarvan ik pas veel later begreep dat dat een verbastering was van ´a dieu´, ga ´met God´).
En dan ook nog hevig verliefd worden op een Israelisch meisje. En dan gaandeweg ontdekken dat in het jodendom ook diverse stromingen zich ontwikkeld hebben, net als in het christendom, met uitersten die niet meer met elkaar in gesprek zijn. En dan vervolgens bewuster en nadrukkelijk op zoek gaan naar die joodse achtergrond van Jezus. En zo ontdekken dat het zogenoemd Nieuwe Testament het Oude niet overbodig maakt, integendeel. Jezus en Paulus leven een specifiek joods geloof. De God over wie in de TeNaCh verteld wordt, daarover getuigt men dat het die God is die het volk uit de slavernij bevrijd heeft. Zo heeft het volk vervolgens, meerdere keren, het vertrouwen gekregen dat met die God bevrijding uit de machten van de dood mogelijk is; als ze zich maar (weer) op diens 10 aanwijzingen richten.
Via Jezus en Paulus m.n. kunnen ook niet-joden (gojim = uit ´de volken´ =´heidenen´) deze God voor hun leven van betekenis verklaren. Machten van de dood, on-geesten, kunnen met deze God overwonnen worden. En dat is wat ik vervolgens herken in de denkwijzen van christelijke theologen als Bonhoeffer en Miskotte en Veerkamp.
Israel heeft (me) een God leren kennen die geen god, of afgod, of on-geest, wil zijn; die daar niets mee te maken wil hebben (en die Abraham wegroept van de godenwereld van zijn vaderstam) en juist zo als een goede God functioneert, gericht op een toekomst van vrede en recht.
Zelfkritisch-zijn zit dus ook in deze traditie verweven. En het is dus vanwege de hedendaagse on-geesten die her en der de kop opsteken (terrorisme, racisme, anti-semitisme, islamofobie, fascisme, ...) dat we ons opnieuw zullen moeten bezinnen. Wat kunnen we (joden, christenen, moslims en andere mensen van goede wil) leren door de geschriften te lezen vanuit de vraag: welke aanwijzingen voor bevrijding worden ons aangereikt?
-Een dringende oproep daartoe hoor ik o.a. bij Palestijnse christenen, die te maken hebben met Israelische bezetters die hun onderdrukkende praktijk legitimeren met de bijbel in de hand (met hun interpretatie). En tot mijn verrassing reageren evangelicals (een christelijke stroming met een traditionele bijbelleeswijze) in ´Christ at the checkpoint´ in Betlehem, heel welwillend op deze oproep.
Intrigerend is ook dit: Op 7 en 8 november a.s. vindt in Utrecht een internationaal symposium plaats: Symposium Jezus en Paulus - joodse hervormers Jezus en Paulus: joodse broeders - joodse hervormers. Het is dit thema waarvoor Kerk & Israël uitgebreid aandacht vraagt.
Ik ben benieuwd naar de uitkomsten daarvan.
(Gepubliceerd in de najaarseditie 2016 van KiM, Kerk in het midden, Nieuws van de Nieuwe Kerk, Middelburg. jrg 6, nr. 13.)
vrijdag 24 juni 2016
Het Grote Verhaal
Ton Veerkamp vertelt de politieke geschiedenis van het ‘Grote Verhaal’. Het verhaal van jodendom en christendom, van Thora en Bijbel.
Ton Veerkamps heimwee naar een bewoonbare wereld. De Bijbel is per slot van rekening een eeuwenoude bron van sociaal denken, ook zinvol voor hedendaagse politiek betrokken mensen.
(Presentatie van: Ton Veerkamp, Deze wereld anders. Politieke geschiedenis van het Grote Verhaal, Uitg. Skandalon Vught.)
Het grote verhaal van de bijbel en van de tradities die daaruit zijn voortgekomen, is gericht op de bevrijding en emancipatie van mens en samenleving. Dat was ook de inzet van Verlichting en socialisme. Wat is daar nog van over en hoe gaan we verder? Rest ons nog enkel rouwverwerking, of kunnen nieuwe perspectieven rond bevrijding en emancipatie worden geformuleerd, in het verlengde van het grote verhaal en als nieuwe articulatie daarvan?
Ton Veerkamp, theoloog, voormalig Jezuïet. Na filosofie en theologiestudies in Nederland en de VS (Nijmegen, Maastricht, New York), ging hij van 1970 tot 1989 aan de slag als studentenpastor van de Evangelische Studentengemeinde voor buitenlandse studenten aan Berlijnse Hogescholen. Hij was jarenlang hoofdredacteur van het exegetische tijdschrift Texte und Kontexte. Hij publiceerde o.a. De vernietiging van de Baäl (1983) en Der Gott der Liberalen (2005).
Oorspronkelijk was de Tora een politiek ontwerp vanuit het Joodse volk voor een maatschappij met vrijheid en gelijkheid voor iedereen: niet een andere wereld, maar deze wereld anders! Een aards boek over aardse zaken, in de volledig andere taal van die tijd.
Het christendom richtte zich met dit Grote Verhaal op de hemel, de hemel van de volksreligies. De aarde werd bijzaak en daarvoor betaalde het christendom met een vaak buitensporige aanpassing aan een wereld van macht en onderdrukking. Ze hield met die leer stand tot ver in de moderne tijd.
Het verlangen naar menselijkheid en rechtvaardigheid is echter nooit gedoofd: het Grote Verhaal blijft.
Met zijn boek Deze wereld anders onderneemt Ton Veerkamp de verdienstelijke poging om, uitgaande van de historische bronnen, het 'Grote Verhaal' van Israël en de oorsprong van het christendom uit te leggen. Veerkamp vertelt in zijn boek het verhaal van het Joodse volk vanaf de verwoesting van Jeruzalem in 600 voor Christus, tot aan het einde van het Romeinse Rijk, rond het jaar 500. Het Griekse rijk van Alexander de Grote komt in beeld, met de cultuur van het Hellenisme, en veel later de komst van de Romeinen in de regio. En uiteindelijk betreden de christelijke keizers in Rome en Constantinopel het toneel.
Het gaat Veerkamp om de kritische rol die het Joodse volk speelde, wat tot uitdrukking kwam in hun religieuze geschriften. 'Deze wereld anders' is een oefening in een manier van lezen die tekst en context bijeenhoudt: Groot Verhaal en politieke economie. Een zeldzaam standaardwerk, met bijbels-theologische hoofdlijnen van praktisch elk bijbelboek. Het boek cirkelt om de overtuiging dat het Joodse volk de keuze maakte voor een alternatieve samenleving, gegrond op recht en gerechtigheid, autonomie en gelijkheid. De hooggestemde idealen werden echter bekritiseerd en weggehoond, ook door tegenstemmen in het volk zelf. Niettemin bleek een kleine groep trouw aan ‘het Grote Verhaal’.
Op vrijwel elke pagina van dit boek lees je over recht, bevrijding, autonomie, onderdrukking– of hoe de sociale orde ook wordt benoemd. Dat zal voor veel Bijbellezers een verrassende – of bevreemdende– benadering zijn. Christenen lezen de Bijbel doorgaans als een persoonlijk geloofsboek. Met het oog op je persoonlijke vragen, zorgen en verlangens lees je psalmen, profetieën en Bijbelse geschiedenissen. Wat je leest, vertaal je naar je eigen individuele situatie.
Een herderslied als Psalm 23 geeft je troost en bemoediging, terwijl de brieven van Paulus je motiveren om als vernieuwd mens te leven, geïnspireerd door de Geest. Maar is dat het hele verhaal? Of nog scherper gesteld, is dat wel het eigenlijke verhaal van de Bijbel? Ton Veerkamp vindt dat je de Bijbel vooral als een politiek geschrift moet lezen, een boek dat mikt op respectvolle sociale verhoudingen en op gerechtigheid in de samenleving.
Ook andere theologen trekken wel lijnen naar politiek en samenleving, maar Veerkamp gaat nog stappen verder. Hij is tamelijk radicaal in zijn opvatting dat het in de Bijbelse geschriften gaat om protest tegen zaken als grootgrondbezit en uitbuiting door de heersende klasse.
Tora-republiek
Het grote beginpunt van Het Grote Verhaal ligt wat Veerkamp betreft bij de periode rond het jaar 400 voor Christus. Toen keerden de Joden terug uit de ballingschap in Babel. Op dat moment neemt de profeet Nehemia de leiding en dan ontstaat -wat hij noemt- de ‘Tora-republiek’.
Volgens Veerkamp was dit een compleet nieuw initiatief: een maatschappijvorm die niet gebaseerd was op macht en geld, niet op hebzucht en gewin, maar op de principes die het Joodse volk ontleende aan zijn geloofstraditie.
Het Bijbelboek Deuteronomium bv., dat de bevrijding van Israël uit Egypte als achtergrond heeft, dringt erop aan om als bevrijde mensen zelf nu ook ‘het land te bevrijden van uitbuitings-verhoudingen en daardoor een orde van autonomie en gelijkheid te stichten’.
Rond het jaar 300 voor Christus kreeg het zogenoemde hellenisme vat op het Midden-Oosten. Het kwam erop neer dat de Griekse cultuur een grote verspreiding kreeg, die eeuwen zou duren.
De Joden die zich na de veroveringen van Alexander de Grote in het Egyptische Alexandrië hadden gevestigd, stonden daardoor voor de vraag hoe zij het eigene van hun geloofstraditie, het Grote Verhaal, in hun nieuwe context zouden kunnen vertolken.
Veerkamp noemt de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel, de zogenoemde Septuaginta, een ‘transculturele prestatie van het hoogste niveau’. Het eigen van het Tora-geloof werd nu beschikbaar in de taal van een radicaal andere cultuur. Maar juist de wisselwerking tussen de ene cultuur en de andere – het jodendom en het hellenisme – had fikse risico’s. Het eigen karakter van het Grote Verhaal kan verbleken, en volgens Veerkamp is dat toen -en daarna vaker- gebeurd.
De politieke geschiedenis van het Grote Verhaal van de bijbel is die van nederlagen met af en toe een nieuwe kans. Veerkamp wil laten zien dat de psalmen, b.v., teksten zijn over ‘de ideologische strijd die het Grote Verhaal met het hellenisme voerde’. In het Griekse denken was het rationele en het geestelijke van groot belang, meer dan de aarde en de modder van de samenleving. De psalmen zetten die manier van denken de voet dwars. Je kunt ze niet voor je innerlijke geestelijke behoeften benutten ‘zonder de verrotting van de maatschappij de oorlog te verklaren’, zo zegt Veerkamp.
Het betoog van Veerkamp is geen verhaal van vrolijk-makend succes. Het mooie begin van de Tora-republiek bleef klein, werd weggedrukt, miskend en slecht begrepen. Een nieuwe kans bood de messiaanse gemeente -die zich liet inspireren door het leven van Jezus van Nazaret. De apostel Paulus zag hier een alternatief voor een joodse opstand die alleen maar kon uitlopen op een verschrikkelijke nederlaag -zoals de twee ´joodse oorlogen´ ook bewezen (66-70 en 132-135).
De verovering en verwoesting van Jeruzalem in 70 door de Romeinen maakte duidelijk hoe precair ook dit messiaanse project was. De vier evangeliën willen duidelijk maken dat de nederlaag van de messias en het judese volk níet het laatste woord is. Daarom laten ze de opstanding horen als slotakkoord, niet triomfaal, maar toch als zege. De apostolische geschriften eindigen met het boek Openbaring: de zege van Israel op de Romeinse wereldorde.
De kerk in de eerste eeuwen van het christendom heeft het Grote Verhaal geen recht gedaan, maar wilde zich volgens Veerkamp maar al te graag aanpassen aan de machten die het in de wereld voor het zeggen hebben. Dit is tekenend voor het hele beeld gedurende de eeuwen die Veerkamp beschrijft. Het Grote Verhaal, zo kunnen we begrijpen, is altijd het verhaal van een kleine groep idealisten gebleven, die nauwelijks serieus werden genomen, noch door de wereld, noch door de kerk.
Als je de hele geschiedenis doorneemt, tot en met de kerkvaders, is duidelijk dat het project van
het ‘grote verhaal’ niet is gelukt. Het christendom heeft zich zelfs tegenóver het jodendom gepositioneerd. Er is wel altijd een kleine groep die het draaiende houdt en het verder brengt, in beide tradities, joodse en christelijke. De poging van Marcion om TeNaCh uit de canon te schrappen werd tot ketterij verklaard; hoewel je niet nu de christenen de kost zal moeten geven die het desondanks enkel met een Nieuw Testament-plus-de-Psalmen doen.
Ik, niet wij
Voor Veerkamp is niet de vraag óf God bestaat beslissend, maar de vraag wát in onze samenleving als God fungeert. God is datgene waarin alle maatschappelijke afhankelijkheidsrelaties zich concentreren, zegt Veerkamp. Solidariteit bijvoorbeeld kan dus ‘god’ zijn in een samenleving, maar ook: Eigenbelang, Kapitaal, … Een maatschappij zonder God, zonder een punt waarop alles betrekking heeft en waarvan alles afhangt, bestaat gewoonweg niet.
Datgene wat in de samenleving als ‘God’ wordt beschouwd, vormt een grondstructuur waarrond een ‘Groot Verhaal’ ontstaat. Zo’n ‘Groot Verhaal’ is het verhaal dat een maatschappij aanstuurt en samenhoudt, waarin elke mens zijn plaats en rol aangewezen krijgt –het wordt door de meerderheid van de leden van de maatschappij -bewust of onbewust- aangenomen als: te volgen ‘waarheid’.
Heeft het Grote Verhaal in onze tijd zijn verwerkelijking gevonden -tot op grote hoogte-?
Franse filosofen verkondigden in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw ‘het einde van de grote discoursen, van de grote verhalen’. We zijn zogenaamd levensbeschouwelijke neutraal geworden. Deze neutraliteit veroorzaakt echter, zo ziet Veerkamp, een zwart gat of een leegte, die maar al te graag wordt ingenomen door de alles behalve neutrale ideologie van het neoliberalisme dat geleidelijk de geesten van velen is gaan bezetten.
“Zoiets als een maatschappij bestaat niet, er zijn alleen maar individuen en families”, zo drukte Margareth Thatcher het uit in een interview in 1987. Het grote verhaal van het neoliberalisme doet alsof er geen groot verhaal meer is: geen samenhang, geen maatschappij meer. Het neoliberalisme, zegt Veerkamp, was van meet af aan een verkapt religieus concept. Dat blijkt ook uit het van Adam Smith gevolgde concept van de ‘onzichtbare hand’: ieder mag handelen uit eigenbelang, maar een onzichtbare hand zorgt ervoor dat uit al die individuele economische beslissingen een ‘common wealth’ ontstaat, een algemeen belang. Zoiets als: ´ieder voor zich, de Vrije markt voor ons allen´. De ware godsdienst van deze neoliberale god is de vrije concurrentie: Ik, niet wij.
Altijd een god
Dat Veerkamp de inspiratie voor zijn politieke analyse precies uit de bijbel haalt, verrast velen vandaag wellicht. Toch gaat het om één van de grondvragen in de joodse schrift: Welke god wordt hier aanbeden? Veerkamp illustreert het met een zin uit het boek 1 Koningen waar de profeet Elia heel het volk laat samenroepen en hen de vraag stelt: “Hoe lang willen jullie op twee takken dansen? Is JHWH God, loop hem achterna. Is het de Baal, loop hem achterna.”
Fundamenteel gaat het in de bijbel dus om slechts twee mogelijke keuzes: Ofwel aanbid je ‘JHWH’ – het vervoegde werkwoord ‘ik-zal-er-zijn’ waarmee Israël haar God omschrijft: “Ik ben het, JHWH, die jullie voerde uit het land Egypte, uit het huis van de slavernij” (Exodus 20,2). De keuze voor JHWH is de keuze voor een samenleving van vrijen en gelijken, voor het einde van de heerschappij van mensen over mensen.
Ofwel aanbid je de Baäl, die personaliseert de heer en bezitter, de echtgenoot als eigenaar van zijn vrouw. Hij staat voor een maatschappij van het grootgrondbezit en het patriarchaat.
Er wordt dus altijd een god aanbeden. De vraag is voor welke soort God de meerderheid in een samenleving kiest. En uiteraard ook: voor welke jij kiest.
De nieuwe postmoderne leus is die van het verdwijnen van de Grote Verhalen. Ondanks dit in onze jaren aangekondigde ‘einde van de grote verhalen’ stelt Veerkamp de vraag waarmee de leegte werd opgevuld, welke is werkelijk het dominerende ´religieuze´ verhaal?
En vervolgens stelt hij dat wij met de profetische verhaaltraditie van de bijbel toch nog een groot verhaal hebben dat het dominante verhaal van vandaag, met haar eigen god en priesters, kan helpen ‘ontmaskeren’ en het verzet ertegen helpt te organiseren. Het Verhaal blijft, en daarmee het verlangen naar vrijheid en gelijkheid.
Tekst in context
Nadenken over de concrete betekenis van die onuitsprekelijke NAAM van de God van Israël: wat betekent het ‘er te zijn’ voor mekaar, voor de zwaksten eerst, en weg te trekken uit slavernijen, uit onderdrukkende systemen - hier en nu, dat vraagt steeds intensiever het Grote Verhaal van JHWH lezen en herlezen.
De manier waarop Veerkamp een bijbeltekst benadert, wijkt danig af van de traditionele kerkelijke lezing. Hij benadert de Schrift als teksten die in een specifieke verhaaltraditie staan en steeds ingebed zijn in een concrete context. Daarbij is het uitermate belangrijk de samenleving waarin de teksten zijn ontstaan grondig te kennen en te verrekenen bij het zoeken naar de betekenis van de tekst. De tekst speelt altijd in –bewust of onbewust – op het sociale proces waarin mensen leven en bepaalde posities innemen. De tekst vormt dus ook steeds een standpunt in een specifiek maatschappelijk debat. Daarmee kant Veerkamp zich ook tegen de idee dat bijbelteksten eeuwige waarheden verkondigen. De waarheid die we daarin dan zouden moeten lezen, is niet zelden de waarheid van wie de bijbelteksten interpreteert en uitlegt.
Eén van de voorbeelden hiervan is de lezing van de Bergrede bij Mattheus: de visie die Jezus verwoordt (o.m. “Slaat iemand u op de wang, keer hem dan ook de andere wang toe”) wordt meestal uitgelegd als algemene waarheid voor iedereen, overal geldend. De woorden die Mattheus hier in de mond van Jezus legt, omstreeks het jaar 85 na Christus, worden losgekoppeld van de socio-politieke context, de bestaande machtsverhoudingen op het moment dat het verhaal geschreven werd én het moment waarover de tekst verhaalt. Resultaat is dat Jezus een pleidooi lijkt te houden voor een pacifistische houding ten aanzien van geweld; in elke situatie, altijd en overal. De tekst wordt zo vergeestelijkt, waardoor de woorden hun politieke lading kwijt spelen.
Via zijn contextuele lezing van de tekst komt Veerkamp tot andere conclusies: in de joodse strijd tegen de Romeinse bezetter was er discussie omtrent de te volgen strategie: diende het verzet manu militari vormgegeven te worden, of niet? De Jezus-beweging lag daarover in debat met andere joodse fracties, en verduidelijkt in de Bergrede de eigen strategie: geen gewapend verzet -want dat is momenteel zelfmoord : de overmacht van de Romeinen is op dit moment veel te groot. Maar we zullen ook niet buigen. Er wordt o.m. gepleit voor het zich niet laten ‘verdelen en beheersen’, voor het versterken van de onderlinge solidariteit, voor het overeind houden van de eigen identiteit (het geloof in een alternatief en in een andere God dan de Romeinse keizer!) en voor een solidaire praktijk onder de slachtoffers van de bezetting.
Teksten ánders
Ondanks het aangekondigde ‘einde van de grote verhalen’ hebben wij met deze profetische verhaaltraditie toch wel een groot verhaal dat het dominante verhaal van vandaag, met haar eigen god en priesters, kan helpen ‘ontmaskeren’ en het verzet ertegen helpt te organiseren. Toch moeten we niet naïef zijn, waarschuwt Veerkamp: “Natuurlijk dienen we allemaal de ene heer, de Baäl, het systeem van meedogenloze macht van mensen over mensen. Denken dat we de Baäl de rug toekeren, als we bananen eten of koffie drinken uit Fair Trade, biologische producten en elektrische stroom uit windmolens kopen, en we dus met een goed inkomen en met een gerust hart aan de goede kant zitten, is een illusie. We nemen deel aan het systeem van uitbuiting, vergiftiging (en doodgroeien, GB), of we dat willen of niet.”
Veerkamp wijst op de wijze waarop God, de Naam, reageert op de depressie van zijn profeet Elia. Elia vlucht, door koningin Izebel ten dode toe vervolgd en -naar hij denkt- door iedereen in de steek gelaten, volstrekt gedeprimeerd, de woestijn in, om daar te sterven. God, de Naam, roept hem tot de orde: ga, keer terug, naar de woestijn van Damascus (2Kon. 19:15). Terug naar de wereld waarin bevrijding de uitzondering, onderdrukking de regel is. We hebben eenvoudig onze plicht te doen: het Grote Verhaal te vertellen, door het met de wereld in verband te brengen.
Met dit kritische bewustzijn omtrent de eigen positie leert Veerkamp ons: “Theologie is geen wellness-christendom voor de burgerlijke ziel. Theologie is het antwoord op onze aardse vragen: wat zullen we eten, wat zullen wij drinken, hoe verdelen we wat we hebben. En die vragen mogen we niet aan de monotheïsten van ‘There is no alternative’ overlaten.
Ons verhaal tegen hun verhaal, dat is theologie. Steeds intensiever het Grote Verhaal van JHWH lezen en herlezen.” Nadenken over de concrete betekenis van die onuitsprekelijke NAAM van de God van Israël: wat betekent het ‘er te zijn’ voor mekaar, voor de zwaksten eerst, en weg te trekken uit slavernijen, uit onderdrukkende systemen - hier en nu, in deze concrete politieke situatie waarin we ons bevinden?
Het boek Deze wereld anders gaat over hoop en over zinvolle perspectieven voor de samenleving. ´Israël heeft andere ‘teksten' geschreven, anders dan het Gilgamesj-epos van het oude Mesopotamië, anders dan de Griekse Ilias, anders dan de Avesta van het oude Iran, anders dan de Upanishaden van het oude India´; anders ook dan ons hedendaagse ´there is no alternative´.
´Ik´ weer tot ´wij´
In Veerkamps Grote Verhaal is God die een zelfstandige rol speelt slechts indirect te vinden, omdat er zo sterk gedacht wordt vanuit maatschappelijke, sociale en politieke processen. God als Heer van de geschiedenis is verborgen aanwezig. De verwachting is gericht op menselijke inspanningen voor een betere wereld, maar die inspanningen zijn altijd dubbelzinnig en feilbaar.
Het betoog van Veerkamp is innemend te noemen, omdat hij het aandurft ‘het grote verhaal’ weer te vertellen. Dat dreigt de kerk tegenwoordig weleens wat te vergeten. Hij heeft ook zeker een punt in de zin dat de Bijbel een ‘partijdig’ boek is. Als je ‘ja’ zegt tegen de Messias kies je ook positie in maatschappelijke vraagstukken.
Het boek van Veerkamp is uitnodigend geschreven, het doet een appel op je om de Bijbel niet alleen op de innerlijke mens te laten slaan, met troost voor het individuele hart in droevige dagen. Geloof is ook een maatschappelijke factor, dat is een heel sterk en overtuigend punt bij Veerkamp. De vraag mag gesteld in hoeverre men in de kerk bezig is met de maatschappij, terwijl sociale en politieke betrokkenheid goede Bijbelse papieren heeft.
Dit is precies waartoe Veerkamp gelovigen uitnodigt : het zorgvuldig analyseren van de economische en politieke situatie en de daarmee samenhangende machtsverhoudingen, het onzichtbare dominante verhaal bloot leggen, de Baäls van vandaag ontmaskeren, onze eigen banden met de slavernij onder de loep nemen, onze gemeenschappelijke handelingsruimte om eruit weg te trekken exploreren, de solidariteit opnieuw in de vingers krijgen, ons ‘ik’ weer trainen tot een ‘wij’. Ook ten aanzien van het ‘neutraliteitsdenken’ dat vandaag bon ton is, heeft Veerkamp ons met een gezonde portie argwaan opgezadeld: een neutrale positie bestaat niet. Je staat altijd ergens. Je versterkt altijd één stem in het debat. Ook als je zwijgt. Ook als je geen kant wil kiezen.
Met het boek krijg je een heel andere uitleg binnen dan wat je meestal hoort. Bij de psalmen ervaren we doorgaans op een fantastische manier hoogten en diepten in ons gevoelsleven, waarin we ons als individu aangesproken voelen. Maar Veerkamp ziet er politieke liederen in, strijd-liederen zelfs. Als je zijn uitleg gelezen hebt en dan een psalm zingt, krijg je een totaal andere beleving. De oude lezing met het oog op het persoonlijke geloof mag blijven bestaan, maar je hoeft het er niet toe te beperken. Dat leer je van Veerkamp.
Als laatste: In de plaats van elkaar nog langer vliegen af te vangen, doen de tradities van jodendom, christendom, islam en humanisme er goed aan te focussen op het hart van hun eigen tradities en samen op zoek te gaan naar wegen om de solidariteit opnieuw in het centrum te plaatsen van een samenleving die ziek is van egocentrisme.
Gerrit Buunk, 8 december 2015, Middelburg. (Ik heb deze presentatie opgesteld met hulp van inleidingen van anderen, o.a. Dick Boer.)
Ton Veerkamps heimwee naar een bewoonbare wereld. De Bijbel is per slot van rekening een eeuwenoude bron van sociaal denken, ook zinvol voor hedendaagse politiek betrokken mensen.
(Presentatie van: Ton Veerkamp, Deze wereld anders. Politieke geschiedenis van het Grote Verhaal, Uitg. Skandalon Vught.)
Het grote verhaal van de bijbel en van de tradities die daaruit zijn voortgekomen, is gericht op de bevrijding en emancipatie van mens en samenleving. Dat was ook de inzet van Verlichting en socialisme. Wat is daar nog van over en hoe gaan we verder? Rest ons nog enkel rouwverwerking, of kunnen nieuwe perspectieven rond bevrijding en emancipatie worden geformuleerd, in het verlengde van het grote verhaal en als nieuwe articulatie daarvan?
Ton Veerkamp, theoloog, voormalig Jezuïet. Na filosofie en theologiestudies in Nederland en de VS (Nijmegen, Maastricht, New York), ging hij van 1970 tot 1989 aan de slag als studentenpastor van de Evangelische Studentengemeinde voor buitenlandse studenten aan Berlijnse Hogescholen. Hij was jarenlang hoofdredacteur van het exegetische tijdschrift Texte und Kontexte. Hij publiceerde o.a. De vernietiging van de Baäl (1983) en Der Gott der Liberalen (2005).
Oorspronkelijk was de Tora een politiek ontwerp vanuit het Joodse volk voor een maatschappij met vrijheid en gelijkheid voor iedereen: niet een andere wereld, maar deze wereld anders! Een aards boek over aardse zaken, in de volledig andere taal van die tijd.
Het christendom richtte zich met dit Grote Verhaal op de hemel, de hemel van de volksreligies. De aarde werd bijzaak en daarvoor betaalde het christendom met een vaak buitensporige aanpassing aan een wereld van macht en onderdrukking. Ze hield met die leer stand tot ver in de moderne tijd.
Het verlangen naar menselijkheid en rechtvaardigheid is echter nooit gedoofd: het Grote Verhaal blijft.
Met zijn boek Deze wereld anders onderneemt Ton Veerkamp de verdienstelijke poging om, uitgaande van de historische bronnen, het 'Grote Verhaal' van Israël en de oorsprong van het christendom uit te leggen. Veerkamp vertelt in zijn boek het verhaal van het Joodse volk vanaf de verwoesting van Jeruzalem in 600 voor Christus, tot aan het einde van het Romeinse Rijk, rond het jaar 500. Het Griekse rijk van Alexander de Grote komt in beeld, met de cultuur van het Hellenisme, en veel later de komst van de Romeinen in de regio. En uiteindelijk betreden de christelijke keizers in Rome en Constantinopel het toneel.
Het gaat Veerkamp om de kritische rol die het Joodse volk speelde, wat tot uitdrukking kwam in hun religieuze geschriften. 'Deze wereld anders' is een oefening in een manier van lezen die tekst en context bijeenhoudt: Groot Verhaal en politieke economie. Een zeldzaam standaardwerk, met bijbels-theologische hoofdlijnen van praktisch elk bijbelboek. Het boek cirkelt om de overtuiging dat het Joodse volk de keuze maakte voor een alternatieve samenleving, gegrond op recht en gerechtigheid, autonomie en gelijkheid. De hooggestemde idealen werden echter bekritiseerd en weggehoond, ook door tegenstemmen in het volk zelf. Niettemin bleek een kleine groep trouw aan ‘het Grote Verhaal’.
Op vrijwel elke pagina van dit boek lees je over recht, bevrijding, autonomie, onderdrukking– of hoe de sociale orde ook wordt benoemd. Dat zal voor veel Bijbellezers een verrassende – of bevreemdende– benadering zijn. Christenen lezen de Bijbel doorgaans als een persoonlijk geloofsboek. Met het oog op je persoonlijke vragen, zorgen en verlangens lees je psalmen, profetieën en Bijbelse geschiedenissen. Wat je leest, vertaal je naar je eigen individuele situatie.
Een herderslied als Psalm 23 geeft je troost en bemoediging, terwijl de brieven van Paulus je motiveren om als vernieuwd mens te leven, geïnspireerd door de Geest. Maar is dat het hele verhaal? Of nog scherper gesteld, is dat wel het eigenlijke verhaal van de Bijbel? Ton Veerkamp vindt dat je de Bijbel vooral als een politiek geschrift moet lezen, een boek dat mikt op respectvolle sociale verhoudingen en op gerechtigheid in de samenleving.
Ook andere theologen trekken wel lijnen naar politiek en samenleving, maar Veerkamp gaat nog stappen verder. Hij is tamelijk radicaal in zijn opvatting dat het in de Bijbelse geschriften gaat om protest tegen zaken als grootgrondbezit en uitbuiting door de heersende klasse.
Tora-republiek
Het grote beginpunt van Het Grote Verhaal ligt wat Veerkamp betreft bij de periode rond het jaar 400 voor Christus. Toen keerden de Joden terug uit de ballingschap in Babel. Op dat moment neemt de profeet Nehemia de leiding en dan ontstaat -wat hij noemt- de ‘Tora-republiek’.
Volgens Veerkamp was dit een compleet nieuw initiatief: een maatschappijvorm die niet gebaseerd was op macht en geld, niet op hebzucht en gewin, maar op de principes die het Joodse volk ontleende aan zijn geloofstraditie.
Het Bijbelboek Deuteronomium bv., dat de bevrijding van Israël uit Egypte als achtergrond heeft, dringt erop aan om als bevrijde mensen zelf nu ook ‘het land te bevrijden van uitbuitings-verhoudingen en daardoor een orde van autonomie en gelijkheid te stichten’.
Rond het jaar 300 voor Christus kreeg het zogenoemde hellenisme vat op het Midden-Oosten. Het kwam erop neer dat de Griekse cultuur een grote verspreiding kreeg, die eeuwen zou duren.
De Joden die zich na de veroveringen van Alexander de Grote in het Egyptische Alexandrië hadden gevestigd, stonden daardoor voor de vraag hoe zij het eigene van hun geloofstraditie, het Grote Verhaal, in hun nieuwe context zouden kunnen vertolken.
Veerkamp noemt de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel, de zogenoemde Septuaginta, een ‘transculturele prestatie van het hoogste niveau’. Het eigen van het Tora-geloof werd nu beschikbaar in de taal van een radicaal andere cultuur. Maar juist de wisselwerking tussen de ene cultuur en de andere – het jodendom en het hellenisme – had fikse risico’s. Het eigen karakter van het Grote Verhaal kan verbleken, en volgens Veerkamp is dat toen -en daarna vaker- gebeurd.
De politieke geschiedenis van het Grote Verhaal van de bijbel is die van nederlagen met af en toe een nieuwe kans. Veerkamp wil laten zien dat de psalmen, b.v., teksten zijn over ‘de ideologische strijd die het Grote Verhaal met het hellenisme voerde’. In het Griekse denken was het rationele en het geestelijke van groot belang, meer dan de aarde en de modder van de samenleving. De psalmen zetten die manier van denken de voet dwars. Je kunt ze niet voor je innerlijke geestelijke behoeften benutten ‘zonder de verrotting van de maatschappij de oorlog te verklaren’, zo zegt Veerkamp.
Het betoog van Veerkamp is geen verhaal van vrolijk-makend succes. Het mooie begin van de Tora-republiek bleef klein, werd weggedrukt, miskend en slecht begrepen. Een nieuwe kans bood de messiaanse gemeente -die zich liet inspireren door het leven van Jezus van Nazaret. De apostel Paulus zag hier een alternatief voor een joodse opstand die alleen maar kon uitlopen op een verschrikkelijke nederlaag -zoals de twee ´joodse oorlogen´ ook bewezen (66-70 en 132-135).
De verovering en verwoesting van Jeruzalem in 70 door de Romeinen maakte duidelijk hoe precair ook dit messiaanse project was. De vier evangeliën willen duidelijk maken dat de nederlaag van de messias en het judese volk níet het laatste woord is. Daarom laten ze de opstanding horen als slotakkoord, niet triomfaal, maar toch als zege. De apostolische geschriften eindigen met het boek Openbaring: de zege van Israel op de Romeinse wereldorde.
De kerk in de eerste eeuwen van het christendom heeft het Grote Verhaal geen recht gedaan, maar wilde zich volgens Veerkamp maar al te graag aanpassen aan de machten die het in de wereld voor het zeggen hebben. Dit is tekenend voor het hele beeld gedurende de eeuwen die Veerkamp beschrijft. Het Grote Verhaal, zo kunnen we begrijpen, is altijd het verhaal van een kleine groep idealisten gebleven, die nauwelijks serieus werden genomen, noch door de wereld, noch door de kerk.
Als je de hele geschiedenis doorneemt, tot en met de kerkvaders, is duidelijk dat het project van
het ‘grote verhaal’ niet is gelukt. Het christendom heeft zich zelfs tegenóver het jodendom gepositioneerd. Er is wel altijd een kleine groep die het draaiende houdt en het verder brengt, in beide tradities, joodse en christelijke. De poging van Marcion om TeNaCh uit de canon te schrappen werd tot ketterij verklaard; hoewel je niet nu de christenen de kost zal moeten geven die het desondanks enkel met een Nieuw Testament-plus-de-Psalmen doen.
Ik, niet wij
Voor Veerkamp is niet de vraag óf God bestaat beslissend, maar de vraag wát in onze samenleving als God fungeert. God is datgene waarin alle maatschappelijke afhankelijkheidsrelaties zich concentreren, zegt Veerkamp. Solidariteit bijvoorbeeld kan dus ‘god’ zijn in een samenleving, maar ook: Eigenbelang, Kapitaal, … Een maatschappij zonder God, zonder een punt waarop alles betrekking heeft en waarvan alles afhangt, bestaat gewoonweg niet.
Datgene wat in de samenleving als ‘God’ wordt beschouwd, vormt een grondstructuur waarrond een ‘Groot Verhaal’ ontstaat. Zo’n ‘Groot Verhaal’ is het verhaal dat een maatschappij aanstuurt en samenhoudt, waarin elke mens zijn plaats en rol aangewezen krijgt –het wordt door de meerderheid van de leden van de maatschappij -bewust of onbewust- aangenomen als: te volgen ‘waarheid’.
Heeft het Grote Verhaal in onze tijd zijn verwerkelijking gevonden -tot op grote hoogte-?
Franse filosofen verkondigden in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw ‘het einde van de grote discoursen, van de grote verhalen’. We zijn zogenaamd levensbeschouwelijke neutraal geworden. Deze neutraliteit veroorzaakt echter, zo ziet Veerkamp, een zwart gat of een leegte, die maar al te graag wordt ingenomen door de alles behalve neutrale ideologie van het neoliberalisme dat geleidelijk de geesten van velen is gaan bezetten.
“Zoiets als een maatschappij bestaat niet, er zijn alleen maar individuen en families”, zo drukte Margareth Thatcher het uit in een interview in 1987. Het grote verhaal van het neoliberalisme doet alsof er geen groot verhaal meer is: geen samenhang, geen maatschappij meer. Het neoliberalisme, zegt Veerkamp, was van meet af aan een verkapt religieus concept. Dat blijkt ook uit het van Adam Smith gevolgde concept van de ‘onzichtbare hand’: ieder mag handelen uit eigenbelang, maar een onzichtbare hand zorgt ervoor dat uit al die individuele economische beslissingen een ‘common wealth’ ontstaat, een algemeen belang. Zoiets als: ´ieder voor zich, de Vrije markt voor ons allen´. De ware godsdienst van deze neoliberale god is de vrije concurrentie: Ik, niet wij.
Altijd een god
Dat Veerkamp de inspiratie voor zijn politieke analyse precies uit de bijbel haalt, verrast velen vandaag wellicht. Toch gaat het om één van de grondvragen in de joodse schrift: Welke god wordt hier aanbeden? Veerkamp illustreert het met een zin uit het boek 1 Koningen waar de profeet Elia heel het volk laat samenroepen en hen de vraag stelt: “Hoe lang willen jullie op twee takken dansen? Is JHWH God, loop hem achterna. Is het de Baal, loop hem achterna.”
Fundamenteel gaat het in de bijbel dus om slechts twee mogelijke keuzes: Ofwel aanbid je ‘JHWH’ – het vervoegde werkwoord ‘ik-zal-er-zijn’ waarmee Israël haar God omschrijft: “Ik ben het, JHWH, die jullie voerde uit het land Egypte, uit het huis van de slavernij” (Exodus 20,2). De keuze voor JHWH is de keuze voor een samenleving van vrijen en gelijken, voor het einde van de heerschappij van mensen over mensen.
Ofwel aanbid je de Baäl, die personaliseert de heer en bezitter, de echtgenoot als eigenaar van zijn vrouw. Hij staat voor een maatschappij van het grootgrondbezit en het patriarchaat.
Er wordt dus altijd een god aanbeden. De vraag is voor welke soort God de meerderheid in een samenleving kiest. En uiteraard ook: voor welke jij kiest.
De nieuwe postmoderne leus is die van het verdwijnen van de Grote Verhalen. Ondanks dit in onze jaren aangekondigde ‘einde van de grote verhalen’ stelt Veerkamp de vraag waarmee de leegte werd opgevuld, welke is werkelijk het dominerende ´religieuze´ verhaal?
En vervolgens stelt hij dat wij met de profetische verhaaltraditie van de bijbel toch nog een groot verhaal hebben dat het dominante verhaal van vandaag, met haar eigen god en priesters, kan helpen ‘ontmaskeren’ en het verzet ertegen helpt te organiseren. Het Verhaal blijft, en daarmee het verlangen naar vrijheid en gelijkheid.
Tekst in context
Nadenken over de concrete betekenis van die onuitsprekelijke NAAM van de God van Israël: wat betekent het ‘er te zijn’ voor mekaar, voor de zwaksten eerst, en weg te trekken uit slavernijen, uit onderdrukkende systemen - hier en nu, dat vraagt steeds intensiever het Grote Verhaal van JHWH lezen en herlezen.
De manier waarop Veerkamp een bijbeltekst benadert, wijkt danig af van de traditionele kerkelijke lezing. Hij benadert de Schrift als teksten die in een specifieke verhaaltraditie staan en steeds ingebed zijn in een concrete context. Daarbij is het uitermate belangrijk de samenleving waarin de teksten zijn ontstaan grondig te kennen en te verrekenen bij het zoeken naar de betekenis van de tekst. De tekst speelt altijd in –bewust of onbewust – op het sociale proces waarin mensen leven en bepaalde posities innemen. De tekst vormt dus ook steeds een standpunt in een specifiek maatschappelijk debat. Daarmee kant Veerkamp zich ook tegen de idee dat bijbelteksten eeuwige waarheden verkondigen. De waarheid die we daarin dan zouden moeten lezen, is niet zelden de waarheid van wie de bijbelteksten interpreteert en uitlegt.
Eén van de voorbeelden hiervan is de lezing van de Bergrede bij Mattheus: de visie die Jezus verwoordt (o.m. “Slaat iemand u op de wang, keer hem dan ook de andere wang toe”) wordt meestal uitgelegd als algemene waarheid voor iedereen, overal geldend. De woorden die Mattheus hier in de mond van Jezus legt, omstreeks het jaar 85 na Christus, worden losgekoppeld van de socio-politieke context, de bestaande machtsverhoudingen op het moment dat het verhaal geschreven werd én het moment waarover de tekst verhaalt. Resultaat is dat Jezus een pleidooi lijkt te houden voor een pacifistische houding ten aanzien van geweld; in elke situatie, altijd en overal. De tekst wordt zo vergeestelijkt, waardoor de woorden hun politieke lading kwijt spelen.
Via zijn contextuele lezing van de tekst komt Veerkamp tot andere conclusies: in de joodse strijd tegen de Romeinse bezetter was er discussie omtrent de te volgen strategie: diende het verzet manu militari vormgegeven te worden, of niet? De Jezus-beweging lag daarover in debat met andere joodse fracties, en verduidelijkt in de Bergrede de eigen strategie: geen gewapend verzet -want dat is momenteel zelfmoord : de overmacht van de Romeinen is op dit moment veel te groot. Maar we zullen ook niet buigen. Er wordt o.m. gepleit voor het zich niet laten ‘verdelen en beheersen’, voor het versterken van de onderlinge solidariteit, voor het overeind houden van de eigen identiteit (het geloof in een alternatief en in een andere God dan de Romeinse keizer!) en voor een solidaire praktijk onder de slachtoffers van de bezetting.
Teksten ánders
Ondanks het aangekondigde ‘einde van de grote verhalen’ hebben wij met deze profetische verhaaltraditie toch wel een groot verhaal dat het dominante verhaal van vandaag, met haar eigen god en priesters, kan helpen ‘ontmaskeren’ en het verzet ertegen helpt te organiseren. Toch moeten we niet naïef zijn, waarschuwt Veerkamp: “Natuurlijk dienen we allemaal de ene heer, de Baäl, het systeem van meedogenloze macht van mensen over mensen. Denken dat we de Baäl de rug toekeren, als we bananen eten of koffie drinken uit Fair Trade, biologische producten en elektrische stroom uit windmolens kopen, en we dus met een goed inkomen en met een gerust hart aan de goede kant zitten, is een illusie. We nemen deel aan het systeem van uitbuiting, vergiftiging (en doodgroeien, GB), of we dat willen of niet.”
Veerkamp wijst op de wijze waarop God, de Naam, reageert op de depressie van zijn profeet Elia. Elia vlucht, door koningin Izebel ten dode toe vervolgd en -naar hij denkt- door iedereen in de steek gelaten, volstrekt gedeprimeerd, de woestijn in, om daar te sterven. God, de Naam, roept hem tot de orde: ga, keer terug, naar de woestijn van Damascus (2Kon. 19:15). Terug naar de wereld waarin bevrijding de uitzondering, onderdrukking de regel is. We hebben eenvoudig onze plicht te doen: het Grote Verhaal te vertellen, door het met de wereld in verband te brengen.
Met dit kritische bewustzijn omtrent de eigen positie leert Veerkamp ons: “Theologie is geen wellness-christendom voor de burgerlijke ziel. Theologie is het antwoord op onze aardse vragen: wat zullen we eten, wat zullen wij drinken, hoe verdelen we wat we hebben. En die vragen mogen we niet aan de monotheïsten van ‘There is no alternative’ overlaten.
Ons verhaal tegen hun verhaal, dat is theologie. Steeds intensiever het Grote Verhaal van JHWH lezen en herlezen.” Nadenken over de concrete betekenis van die onuitsprekelijke NAAM van de God van Israël: wat betekent het ‘er te zijn’ voor mekaar, voor de zwaksten eerst, en weg te trekken uit slavernijen, uit onderdrukkende systemen - hier en nu, in deze concrete politieke situatie waarin we ons bevinden?
Het boek Deze wereld anders gaat over hoop en over zinvolle perspectieven voor de samenleving. ´Israël heeft andere ‘teksten' geschreven, anders dan het Gilgamesj-epos van het oude Mesopotamië, anders dan de Griekse Ilias, anders dan de Avesta van het oude Iran, anders dan de Upanishaden van het oude India´; anders ook dan ons hedendaagse ´there is no alternative´.
´Ik´ weer tot ´wij´
In Veerkamps Grote Verhaal is God die een zelfstandige rol speelt slechts indirect te vinden, omdat er zo sterk gedacht wordt vanuit maatschappelijke, sociale en politieke processen. God als Heer van de geschiedenis is verborgen aanwezig. De verwachting is gericht op menselijke inspanningen voor een betere wereld, maar die inspanningen zijn altijd dubbelzinnig en feilbaar.
Het betoog van Veerkamp is innemend te noemen, omdat hij het aandurft ‘het grote verhaal’ weer te vertellen. Dat dreigt de kerk tegenwoordig weleens wat te vergeten. Hij heeft ook zeker een punt in de zin dat de Bijbel een ‘partijdig’ boek is. Als je ‘ja’ zegt tegen de Messias kies je ook positie in maatschappelijke vraagstukken.
Het boek van Veerkamp is uitnodigend geschreven, het doet een appel op je om de Bijbel niet alleen op de innerlijke mens te laten slaan, met troost voor het individuele hart in droevige dagen. Geloof is ook een maatschappelijke factor, dat is een heel sterk en overtuigend punt bij Veerkamp. De vraag mag gesteld in hoeverre men in de kerk bezig is met de maatschappij, terwijl sociale en politieke betrokkenheid goede Bijbelse papieren heeft.
Dit is precies waartoe Veerkamp gelovigen uitnodigt : het zorgvuldig analyseren van de economische en politieke situatie en de daarmee samenhangende machtsverhoudingen, het onzichtbare dominante verhaal bloot leggen, de Baäls van vandaag ontmaskeren, onze eigen banden met de slavernij onder de loep nemen, onze gemeenschappelijke handelingsruimte om eruit weg te trekken exploreren, de solidariteit opnieuw in de vingers krijgen, ons ‘ik’ weer trainen tot een ‘wij’. Ook ten aanzien van het ‘neutraliteitsdenken’ dat vandaag bon ton is, heeft Veerkamp ons met een gezonde portie argwaan opgezadeld: een neutrale positie bestaat niet. Je staat altijd ergens. Je versterkt altijd één stem in het debat. Ook als je zwijgt. Ook als je geen kant wil kiezen.
Met het boek krijg je een heel andere uitleg binnen dan wat je meestal hoort. Bij de psalmen ervaren we doorgaans op een fantastische manier hoogten en diepten in ons gevoelsleven, waarin we ons als individu aangesproken voelen. Maar Veerkamp ziet er politieke liederen in, strijd-liederen zelfs. Als je zijn uitleg gelezen hebt en dan een psalm zingt, krijg je een totaal andere beleving. De oude lezing met het oog op het persoonlijke geloof mag blijven bestaan, maar je hoeft het er niet toe te beperken. Dat leer je van Veerkamp.
Als laatste: In de plaats van elkaar nog langer vliegen af te vangen, doen de tradities van jodendom, christendom, islam en humanisme er goed aan te focussen op het hart van hun eigen tradities en samen op zoek te gaan naar wegen om de solidariteit opnieuw in het centrum te plaatsen van een samenleving die ziek is van egocentrisme.
Gerrit Buunk, 8 december 2015, Middelburg. (Ik heb deze presentatie opgesteld met hulp van inleidingen van anderen, o.a. Dick Boer.)
maandag 2 mei 2016
Schepping, Pasen, Nieuwe Schepping
Er zijn steeds wel kunstenaars die op hun eigen wijze het bijbels scheppingsverhaal in mooie beelden willen uitdrukken. Vorige zomer was er in de Wandelkerk in Middelburg een expositie met de schepping als thema en voor de periode na Pasen is er een expositie met als titel ´Eindig in Eeuwigheid, schepping, jij & ik´, van Gijs Elzinga. Deze expositie brengt me er toe om het volgende aan te tekenen.
Het bijbels scheppingsverhaal wordt ons veelal voorgehouden als zou het daar gaan over een weten dat de aarde, of eigenlijk het hele universum, ontstaan is door schepping, door ingrijpen van buitenaf, door een hogere macht, door God. Ons wordt verteld dat we dit vanwege dit scheppingsverhaal moeten geloven.
Het is vervolgens aan diverse kunstenaars om ons het vele mooie en wonderlijke in de schepping te
tonen.
Geloven is een gezindheid, een manier van in het leven staan. Het valt mij op dat de joodse dichters van het Scheppingslied laten horen wat hun inzichten (geworden) zijn omtrent hun gezamenlijke vraag ´Waar gaan we heen, waar gaat het heen, hoe gaat het verder? En Waar komen we vandaan?´ Als volk stellen ze zich in de bijbelteksten op vele manieren de vraag hoe ze volk-van-God geworden zijn, c q kunnen worden. Dat is een filosofische, of levensbeschouwelijke vraag, waar nog een andere vraag achter zit, namelijk -heel kort samengevat-: gaat ´het´?, of gaan ´we´? Met andere woorden: zijn wij mensen helemaal zelf verantwoordelijk voor hoe we leven, of worden we geleefd? Oftewel: aan welke machten leveren we ons uit? Hebben we keuze?
Bij de keuze van de opbouw hebben de schrijvers goed gekeken naar de verhalen van de dominante
godsdienst te midden waarvan ze als ballingen in Babylonië leefden. In de opbouw van het verhaal wordt al duidelijk gemaakt dat de God van Israël van een hogere orde is dan de oppergod van Babel: de zon. Immers op de eerste dag schept God het licht en pas op de vierde dag de zon. Hiermee maken de schrijvers duidelijk dat de Eeuwige de geheel Andere is en juist dat komt in de kern van het Scheppingslied naar voren.
In ons gangbaar, dagelijks leven wordt ons voorgehouden, vertellen we elkaar ´dat het leven -nu eenmaal- gaat zoals het gaat´. We kunnen er zelf niets/niet zoveel aan doen. We moeten het maar nemen zoals het komt -en er het beste van maken. En in de economie (en wat is níet economie in onze dagen?) wordt al heel lang gezegd: als we de vrije krachten van de markt maar hun gang laten gaan, dan komt het vanzelf wel goed.
Mijn vraag hierbij is: welk idee over ´hogere macht´ zit hierin (verstopt)?
Het zal best interessant zijn om te weten waar het leven ooit is begonnen. Maar, of het nu (een) God is
geweest, of het nu vier goden zijn geweest die alles hebben gemaakt of dat het een heel klein stofdeeltje
is geweest dat zich steeds ontwikkeld heeft…..dat weten we niet. En dáár gaat het volgens mij in de bijbel ook niet om! Dat scheppingsverhaal van die zeven dagen wil ons niet vertellen dat God alles uit het niets heeft gemaakt, het wil ons veeleer vertellen hoe die aarde er uit moet zien en wat voor mensbeeld daarbij hoort. Het wil ons wijzen op een ‘manier van leven’.
Hoe ga je, vanuit je levensovertuiging, om met de wereld om je heen? Dat is de kernvraag van het scheppingsverhaal. Niet een geschiedenisverhaal, maar een verhaal voor vandaag de dag. Een verhaal dat een spiegel wil voorhouden. Het wil je levensovertuiging gestalte geven. Kijk eens hoe de wereld eigenlijk zou moeten zijn. Het laat ons zien dat er in de geschiedenis een gedachte is ontstaan die een ander mens- en wereld- en Godsbeeld belangrijk vindt, anders dan hoe het er in het gangbare, heersende denken in de wereld aan toegaat. Niet voor niets vertaalt de Naardense Bijbelvertaling vers 1 van Genesis met “sinds het begin is God schepper”.
Het scheppend handelen van God is van alle tijden. Als het leven van mensen tohoewabohoe (wan-orde) is, is het God die bevrijdt door licht te scheppen. Dat is waarom onze God anders is dan andere goden. Andere goden laten zich door mensen hun gunsten afsmeken door de meest bizarre offers te eisen (en voor goden kun je ook systemen, dogma’s en politieke ideologieën lezen). Onze God is het te doen om de bevrijding van mensen uit de slavernij van angst, opdat deze wereld een leefbare wereld wordt.
En om dát mensbeeld belangrijk te vinden, is geloof nodig. Je moet als mens het geloof hebben dat die
woorden van dat scheppingsverhaal iets willen vertellen over hoe de wereld moet zijn. De bijbelse teksten zijn dan ook in gesprek, in discussie, telkens in nieuwe tijd, in nieuwe omstandigheden, met gangbare denkbeelden, heersende gedachten in de omgeving. En ook nu, met name door de Paasgedachte, horen we spreken over Een nieuwe schepping! Pasen als nieuw begin (2 Korintiërs 5:17-18a).
Door Jezus van Nazareth is het verbond van God met Israël universeel geworden: voor alle mensen op aarde. Jezus als gelovige Jood beaamt dat de aarde van God is en dat ze gedeeld moet worden met al wat leeft. Brood delen, zieken genezen, vrouwen waardig behandelen, gastvrij omgaan met uitgeslotenen, opkomen voor armen, trouw zijn tot op het kruis, zijn tekenen van de komst van het Rijk van God. Geloven in de opstanding, van Jezus, is geloven in het visioen dat evenwicht tussen mens en natuur mogelijk is, is geloven dat de nieuwe mens daartoe kan bijdragen, is geloven dat de liefdevolle God toekomst schenkt aan zijn schepping, is geloven dat de wereld is voorbestemd om een nieuwe hemel en een nieuwe aarde te worden.
Chaos maakt plaats voor orde, verdriet voor vreugde, zonde voor heiligheid, duister voor licht, kwaad voor
goed, Egypte voor het beloofde land, gevangenschap voor vrijheid, slaaf zijn voor kind zijn, vijandschap voor vriendschap, angst voor liefde.
Als je je geloof belijdt en als je wordt gedoopt (in de Paasnacht), zeg je: ik kies voor het nieuwe leven in Gods koninkrijk, op aarde zoals in de hemel. We doen dat in het besef dat het oude (helaas) nooit ver weg is. Maar door de Geest zeggen we steeds opnieuw: ik laat het oude leven los om het nieuwe leven vast te pakken.
Als de tijd vóór Pasen een tijd is om dingen op te geven of te laten staan, laat de tijd vanaf Pasen dan een tijd zijn om iets nieuws op te pakken. We kunnen (wat vaker) opgewekt en opstandig zijn. Want: De Heer is waarlijk opgestaan!
(tekst gepubliceerd in Kerk in het midden, Middelburg, voorjaar 2016)
Het bijbels scheppingsverhaal wordt ons veelal voorgehouden als zou het daar gaan over een weten dat de aarde, of eigenlijk het hele universum, ontstaan is door schepping, door ingrijpen van buitenaf, door een hogere macht, door God. Ons wordt verteld dat we dit vanwege dit scheppingsverhaal moeten geloven.
Het is vervolgens aan diverse kunstenaars om ons het vele mooie en wonderlijke in de schepping te
tonen.
Geloven is een gezindheid, een manier van in het leven staan. Het valt mij op dat de joodse dichters van het Scheppingslied laten horen wat hun inzichten (geworden) zijn omtrent hun gezamenlijke vraag ´Waar gaan we heen, waar gaat het heen, hoe gaat het verder? En Waar komen we vandaan?´ Als volk stellen ze zich in de bijbelteksten op vele manieren de vraag hoe ze volk-van-God geworden zijn, c q kunnen worden. Dat is een filosofische, of levensbeschouwelijke vraag, waar nog een andere vraag achter zit, namelijk -heel kort samengevat-: gaat ´het´?, of gaan ´we´? Met andere woorden: zijn wij mensen helemaal zelf verantwoordelijk voor hoe we leven, of worden we geleefd? Oftewel: aan welke machten leveren we ons uit? Hebben we keuze?
Bij de keuze van de opbouw hebben de schrijvers goed gekeken naar de verhalen van de dominante
godsdienst te midden waarvan ze als ballingen in Babylonië leefden. In de opbouw van het verhaal wordt al duidelijk gemaakt dat de God van Israël van een hogere orde is dan de oppergod van Babel: de zon. Immers op de eerste dag schept God het licht en pas op de vierde dag de zon. Hiermee maken de schrijvers duidelijk dat de Eeuwige de geheel Andere is en juist dat komt in de kern van het Scheppingslied naar voren.
In ons gangbaar, dagelijks leven wordt ons voorgehouden, vertellen we elkaar ´dat het leven -nu eenmaal- gaat zoals het gaat´. We kunnen er zelf niets/niet zoveel aan doen. We moeten het maar nemen zoals het komt -en er het beste van maken. En in de economie (en wat is níet economie in onze dagen?) wordt al heel lang gezegd: als we de vrije krachten van de markt maar hun gang laten gaan, dan komt het vanzelf wel goed.
Mijn vraag hierbij is: welk idee over ´hogere macht´ zit hierin (verstopt)?
Het zal best interessant zijn om te weten waar het leven ooit is begonnen. Maar, of het nu (een) God is
geweest, of het nu vier goden zijn geweest die alles hebben gemaakt of dat het een heel klein stofdeeltje
is geweest dat zich steeds ontwikkeld heeft…..dat weten we niet. En dáár gaat het volgens mij in de bijbel ook niet om! Dat scheppingsverhaal van die zeven dagen wil ons niet vertellen dat God alles uit het niets heeft gemaakt, het wil ons veeleer vertellen hoe die aarde er uit moet zien en wat voor mensbeeld daarbij hoort. Het wil ons wijzen op een ‘manier van leven’.
Hoe ga je, vanuit je levensovertuiging, om met de wereld om je heen? Dat is de kernvraag van het scheppingsverhaal. Niet een geschiedenisverhaal, maar een verhaal voor vandaag de dag. Een verhaal dat een spiegel wil voorhouden. Het wil je levensovertuiging gestalte geven. Kijk eens hoe de wereld eigenlijk zou moeten zijn. Het laat ons zien dat er in de geschiedenis een gedachte is ontstaan die een ander mens- en wereld- en Godsbeeld belangrijk vindt, anders dan hoe het er in het gangbare, heersende denken in de wereld aan toegaat. Niet voor niets vertaalt de Naardense Bijbelvertaling vers 1 van Genesis met “sinds het begin is God schepper”.
Het scheppend handelen van God is van alle tijden. Als het leven van mensen tohoewabohoe (wan-orde) is, is het God die bevrijdt door licht te scheppen. Dat is waarom onze God anders is dan andere goden. Andere goden laten zich door mensen hun gunsten afsmeken door de meest bizarre offers te eisen (en voor goden kun je ook systemen, dogma’s en politieke ideologieën lezen). Onze God is het te doen om de bevrijding van mensen uit de slavernij van angst, opdat deze wereld een leefbare wereld wordt.
En om dát mensbeeld belangrijk te vinden, is geloof nodig. Je moet als mens het geloof hebben dat die
woorden van dat scheppingsverhaal iets willen vertellen over hoe de wereld moet zijn. De bijbelse teksten zijn dan ook in gesprek, in discussie, telkens in nieuwe tijd, in nieuwe omstandigheden, met gangbare denkbeelden, heersende gedachten in de omgeving. En ook nu, met name door de Paasgedachte, horen we spreken over Een nieuwe schepping! Pasen als nieuw begin (2 Korintiërs 5:17-18a).
Door Jezus van Nazareth is het verbond van God met Israël universeel geworden: voor alle mensen op aarde. Jezus als gelovige Jood beaamt dat de aarde van God is en dat ze gedeeld moet worden met al wat leeft. Brood delen, zieken genezen, vrouwen waardig behandelen, gastvrij omgaan met uitgeslotenen, opkomen voor armen, trouw zijn tot op het kruis, zijn tekenen van de komst van het Rijk van God. Geloven in de opstanding, van Jezus, is geloven in het visioen dat evenwicht tussen mens en natuur mogelijk is, is geloven dat de nieuwe mens daartoe kan bijdragen, is geloven dat de liefdevolle God toekomst schenkt aan zijn schepping, is geloven dat de wereld is voorbestemd om een nieuwe hemel en een nieuwe aarde te worden.
Chaos maakt plaats voor orde, verdriet voor vreugde, zonde voor heiligheid, duister voor licht, kwaad voor
goed, Egypte voor het beloofde land, gevangenschap voor vrijheid, slaaf zijn voor kind zijn, vijandschap voor vriendschap, angst voor liefde.
Als je je geloof belijdt en als je wordt gedoopt (in de Paasnacht), zeg je: ik kies voor het nieuwe leven in Gods koninkrijk, op aarde zoals in de hemel. We doen dat in het besef dat het oude (helaas) nooit ver weg is. Maar door de Geest zeggen we steeds opnieuw: ik laat het oude leven los om het nieuwe leven vast te pakken.
Als de tijd vóór Pasen een tijd is om dingen op te geven of te laten staan, laat de tijd vanaf Pasen dan een tijd zijn om iets nieuws op te pakken. We kunnen (wat vaker) opgewekt en opstandig zijn. Want: De Heer is waarlijk opgestaan!
(tekst gepubliceerd in Kerk in het midden, Middelburg, voorjaar 2016)
Abonneren op:
Posts (Atom)