Apocalyptiek is een bijbels genre van spreken dat vooral ten tijde van de Romeinse overheersing gebruikt werd, tijden van benarde omstandigheden. Vanuit het verlangen naar betere (messiaanse) tijden werd de hoop bevrucht door allerlei visioenen, om te ontkomen aan de harde werkelijkheid. Met schrikwekkende beelden en symbolen wilde men het 'rampzalige einde' van vijandige krachten aankondigen: het einde van allen en van alles wat God tegen-streeft of wil uitschakelen; om Hem te laten triomferen in een overwinnende eindstrijd.
Apocalyptische beelden zijn ook met de kerk meegegaan, de geschiedenis door. Mensen hebben er het drama van hun eigen tijd in gehoord: dat was in de Middeleeuwen zo, in de vorige eeuw -die van onze vaders en moeders- vol van verbijsterende gebeurtenissen. En deze eeuw ..., ´wat zal die verder brengen?´ zo kunnen we ons deze weken afvragen ... De vraag is: hoe kijken wíj?, angstig óf verwachtingsvol? Welke beelden zien wij? (bij NT Geschriftenboek Openbaring 12:1-17)
Ook mensen van de eenentwintigste eeuw zijn omgeven door verschrikkingen. Dat mogen we best wel stellen. Iedere dag worden we via de tv ermee geconfronteerd. Velen in de wereld, in sommige grootsteden, leven met angst voor onverwachte aanslagen. Andere steden storten in door oorlogen. Mensen worden weggejaagd, gefolterd, vermoord of uitgehongerd.
Ook horen we dat we de wereld aan het vernietigen zijn door luchtverontreiniging, voedsel-vergiftiging, vervuiling van de bodem, onverantwoorde uitstoot van CO2, opwarming van de aarde, enzovoort. En menig overheid en groot multinational neemt dat nog steeds niet serieus.
We kunnen ons ook grote zorgen maken over de toekomst als we kijken naar de verhouding tussen de verschillende volken, culturen en godsdiensten. Er is toenemende onverdraagzaamheid, verharding en agressie, in meerdere landen. Het is opnieuw de hoogste tijd om de eenheid van gewone mensen te verdedigen tegen pogingen van racisten en fascisten om ons te verdelen, tegen elkaar op te zetten.
Ja, Openbaring gaat over onszelf, nu: Wij zijn voortdurend in strijd gewikkeld met goed en kwaad; en we zijn niet meer zo zeker als 20 jaar geleden dat het kwaad in toom te houden is.
Eigenlijk weten we het al: het optimistische vooruitgangs-denken van de afgelopen tijd, de ópgaande tijd van na de 2e W O, dat klopt niet meer met de huidige werkelijkheid. We hébben niet nu een betere wereld dan vroeger.
Jawel, gedeeltelijk zéker wel, de mensheid heeft heel veel goeds bereikt, in veel takken van wetenschap, de medische wetenschap bijv. En ook zijn er nieuwe waardevolle inzichten in de natuurwetenschappen waar we als mensheid ons voordeel mee doen. En ja, ook in de gods-dienstwetenschappen leren de diverse religies eerlijker naar elkaar te kijken en met elkaar om te gaan.
Daar willen we als wél-denkende mensen ook niet meer achter teruggedrongen worden. Christenen niet door conservatieve stromingen die gelijkwaardigheid van mensen ontkennen, joden niet door ultra-orthodoxe groeperingen die medemensen hun menselijkheid ontkennen en moslims niet door islamitische radicalen die vooral angst zaaien.
En toch blijken dergelijke conservatieve krachten in staat onze angst te voeden.
Vraag is dus: is ons gegroeide vertrouwen sterk genoeg, ook in zware tijden, is onze vertrouwensbron krachtig genoeg in ons leven verankerd? En kunnen we die weer meer betekenisgevende plaats toekennen?! Juist mét de verworven inzichten.
Ik wil met u een andere manier van kijken verkennen. Het horen van apocalyptische teksten geeft mij de kans.
In mijn theologie-opleiding, van 35 jaar geleden, vernam ik dat er in de theologie zelf, in het spreken over God doorheen de tijden, ontwikkeling plaats vindt. In de jaren 20 van de vorige eeuw werd er anders over God gesproken dan in de jaren 40 en in die jaren weer anders dan in de jaren 60 en 70. U begrijpt: afhankelijk van de omstandigheden. In de oorlogsjaren hadden mensen andere vragen bij God -waar in de theologie over nagedacht werd- dan in de optimistische jaren er na. Accenten verschuiven: God staat centraal, of de mens zelf komt nadrukkelijker in beeld; in tijden van groeiende wereldwijde solidariteit gaat het meer om navolging van Jezus, of -in tijd van zoeken naar spiritualiteit- is er vraag naar de werking van de Geest.
En wat ik nu zo mooi vind: ook in de bijbel vinden we verschillende genres van vertellingen over God en over mensen. De profetische manier -met daarin een rol voor God en mensen- en de apocalyptische manier, in en voor een andere tijd en andere omstandigheden, met een sterker accent op de rol van God.
Uit de bijbelse geschriften kunnen we, interessant voor onze omstandigheden, een manier van denken waarnemen waarin tijd gezien kan worden als een gebeuren waarin schokken op-treden, waarin breuken plaatsvinden; waarin als het ware verdichtingen en weer verdunningen optreden. In de tijd vinden herhaaldelijk breuken en 'omvormingen' plaats.
Johannes ziet in zijn visioen een tijd van omvormingen. Een breuk in de tijd vindt er plaats. Inbreuk in de tijd, door God.
Ook nu kunnen we zo kijken. Om iets anders te ontdekken dan met lineair vooruitgangs-denken.
We zien in onze tijd dat allerlei krachten invloed proberen uit te oefenen om omvormingen door te voeren, met name in de economie. En dat gebeurt vanuit verschillende, vaak tegengestelde, belangen.
Het is heus niet zo dat alle raadgevers en zogenaamde wereldredders met de laatste modieuze verlossende woorden uit zijn op ons áller heil.
Maar hun tekenen en wonderen zijn kennelijk zo verleidelijk, voor velen; het lijkt erg aan-nemelijk dat wat déze profeten zeggen en doen uitkomst zal bieden uit de grote verdrukking.
Zeer aannemelijk; zelfs voor de uitverkorenen van God. Want: het ís o, zo moeilijk om te onderscheiden wat uit het goede is, en wat uit het kwade.
Maar, zo horen we van Johannes, God zelf grijpt in, heeft ingegrepen, zal ingrijpen.
Want het feit dat er geen vooruitgang plaatsvindt -geen verbetering in de menselijke ver-houdingen-, dat de macht der duisternis zo groot is, dat het recht van de sterkste, van de rijke, van de machtige steeds weer geldt, dat ziet God.
God ziet de ellende van zijn volk, in Egypte, in Babel, in de Romeinse tijd ... en ook nu. Johannes herinnert er aan.
Van eerdere bijbelse geschriften horen we: 'Ga hen niet achterna', degenen die zich als uw redder voordoen.
Nee, om een eind te maken aan de verdrukking en om de invloed van de valse verlossers te overwinnen zal met overweldigende krachten God zelf verschijnen, in de figuur van de messias, het Lam. Met grote macht en heerlijkheid. De messiaanse tijd zal aanbreken door ingrijpen van God zelf.
Opnieuw, zoals Hij eerder gedaan heeft, -zoals we ons herinneren. Johannes brengt het ons met zijn beelden weer levend voor ogen.
De vrouw, bekleed met alle licht -zon, maan en sterren-, is zij niet een verwante van God, de Eeuwige?! Eva is zij, moeder der levenden; Sarah is zij, aartsmoeder van de twaalf stammen van Israel, en zij draagt nieuwe toekomst, van Godswege.
De vrouw, met een kind, aan wie God bescherming biedt -óok daar in de diepste woestijn-, is dat niet Hagar, een voormoeder vanúit de positie van slavernij?!
De woestijn kan bescherming bieden, voor een poos. Gedurende 40 jaar heeft God zijn volk in de woestijn beschermd, met manna bijv.
Ook van Elia herinneren we ons Gods bescherming in de woestijn -hij werd er door de raven in leven gehouden en hij ontmoette er God in de stilte en daarna durfde hij weer de wereld in, opnieuw geïnspireerd-.
En van Johannes horen we dat God aan de vrouw bescherming biedt door haar adelaars-vleugels te geven waarmee ze voor de draak kan wegvluchten en we horen dat de vrouw niet voor altijd in ballingschap hoeft te verblijven; halverwege de tijd, na drie en een halve tijd, is het met de draak gedaan.
Steeds opnieuw is er het bemoedigende aanbod van God aan mensen, zijn Koninkrijk ís wel degelijk ophanden.
Jawel, God máakt inbreuk in de tijd. En dat betekent: De tijd van verdrukking en dood, díe tijd eindigt! -als het aan God ligt-. De nieuwe tijd, de tijd van God, de tijd van recht en gerechtigheid dient zich aan.
Juist dáarvan zijn tekenen te zien! Kleine tekenen, maar met overweldigende macht.
Het Lam, dat is bij het visioen van Johannes geheimtaal voor de overwinningskracht van God.
Met de komst van de Messias zal een nieuwe tijd beginnen, zo getuigt Johannes. En mensen zijn in staat om daaruit te leven.
Dat ziet Johannes. Bij de gemeenten waarnaar hij zijn visioenen overbrieft.
De gemeenten weten dat God het volk verlost heeft van de ballingschap. En dat Hij dat dus opnieuw zal doen.
Door de zondvloed heen, door de woestijn heen, door de verdrukking heen, door de balling-schap heen, door de dood heen biedt God steeds hoop voor het onderdrukte volk, een mensheid, in grote verdrukking; de mens in onschuld gedood.
Mensen in verdrukking, mensen in onschuld gedood, deze zijn het die bij God de hoogste eer toekomen.
Voor hen moeten en kunnen -wat God betreft- de tijden omgevormd worden.
Johannes ziet het.
En wij kunnen het ook zien.
Ons zijn die visioenen toch doorgegeven! Wat een geweldige moed en hoop en stand-vastigheid en vertrouwen krijgen we mee.
Net als van zoveel moedige mensen in de oorlog. Het bewonderenswaardige wat we bij hen zien, is dat ze leven vanuit de kracht van het Lam dat overwint.
Met een prachtige tekst laat Bonhoeffer het ons horen (het is in het Liedboek opgenomen, nr. 511): ‘Door goede machten trouw en stil omgeven, behoed, getroost, zo wonderlijk en klaar, zo wil ik graag met u, mijn liefsten, leven en met u ingaan in het nieuwe jaar. Laat warm en stil de kaarsen branden heden, die Gij hier in ons duister hebt gebracht, breng als het kan ons samen, geef ons vrede. Wij weten het, uw licht schijnt in de nacht’.
Wat ik leer van het apocalyptische denken van Openbaring is dit: er moet wel wat kracht en ingrijpen-van-buitenaf aan te pas komen, wil het terecht-komen met onze wereld. Gods macht blijkt uiteindelijk de grootste. Er is uitzicht op Zijn Koninkrijk, midden in de weerbarstige werkelijkheid.
We mogen ons aansluiten bij de mensen van de tegenkracht, alle mensen van goede wil. In plaats van de dingen maar over ons heen te laten komen, worden we standvastig, onwankelbaar in de hoop en overvloedig in de liefde. Dat al het goede in ons zich voegt bij alle solidariteit en trouw die mensen elkaar betonen, overal in deze wereld en dat de tegen-beweging tegen al wat dood maakt, gesterkt wordt door Gods kracht en spirit.
Welkom
Welkom op mijn weblog.
Hier vind je allereerst bevindingen (berichten) van mij tijdens mijn verblijf in Israel/Palestina; op de pagina Waarnemer in Yanoun, te beginnen op 13 november 2012 (zie: Blogarchief). Verder vind je teksten die ik voor kerk en maatschappij heb geschreven; korte op dezelfde genoemde pagina en wat langere op andere pagina´s.
Laat ajb weten of ze je boeien.
Hier vind je allereerst bevindingen (berichten) van mij tijdens mijn verblijf in Israel/Palestina; op de pagina Waarnemer in Yanoun, te beginnen op 13 november 2012 (zie: Blogarchief). Verder vind je teksten die ik voor kerk en maatschappij heb geschreven; korte op dezelfde genoemde pagina en wat langere op andere pagina´s.
Laat ajb weten of ze je boeien.
maandag 17 december 2018
woensdag 31 oktober 2018
Kerkelijke stellingnames -in specifieke context
Geloofsbelijdenissen, kerkelijke stellingnames
Een belijdenis(-geschrift) vindt z’n ontstaansreden in een bijzondere tijd en plaats. Welke zijn de achtergronden van een aantal belijdenis-geschriften, zoals bv. de Barmer thesen en de zogenoemde Apostolische geloofsbelijdenis?
Ze zijn .Ontstaan in polemiek met ‘ketterijen',
Ze hebben .de Bijbel als uitgangspunt (niet de natuur, niet de ervaring),
Ze geven .een Antwoord op de machtsvraag: Wie is God? JHWH is God! Jezus is Heer.(Rom. 10, 9 en 1 Kor. 12, 3). En geen ander. Gericht tegen iedere machthebber die op die titel aanspraak zou maken.
Om in elk geval over éen ding bij het begin duidelijk te zijn: Het geloof van christenen begint met het horen wat er in TeNaCh en Evangelie aan ons is overgeleverd.
Het ‘Shema Israel’ in TeNaCH en in het jodendom is eveneens een ´belijdenis´. Hoor Israël, de Heer uw God is één!
De Islam heeft het Shema overgenomen in de Shahadah : "Er is geen God dan God (Allah) ".
In het Christendom klinkt het: Jezus is Heer!
Voor veel mensen in onze tijd neemt het geloof een andere wending; door
-de wetenschap (ook de bijbelwetenschap). Vroeger werd de werkelijkheid in een beneden- en een boven-verdieping ingedeeld en werd de geloofsleer van a tot z in die termen geformuleerd. Met nieuwe inzichten mag je ook het geloof anders formuleren.
-de confrontatie met andere werelden die ons een gevoel van relativiteit van ons eigen geloven bijbrengt;
-de verlichting, de secularisatie, de schok van Auschwitz, de welvaart die ons verblindt voor andere waarden dan het geluk hier en nu;
-de val van de muur, de globalisering, de invloed van andere godsdiensten en levensbeschouwingen;
-kritiek op christendom en kerk, de schanddaden en schandalen van de kerk; kritiek op alle godsdienst.
Deze veranderingen brengen een zoektocht naar het essentiële teweeg.
(De verklaring van de mensenrechten door de VN kan gezien worden als een seculiere vorm van belijdenis.)

Wat bedoel je als je ‘God' zegt? ‘JHWH' is God.
JHWH = ‘Ik ben die ik ben' -God maakt geschiedenis bij de mensen.
Geloven = vertrouwen én trouw zijn – verbonden zijn én vasthouden
Geloven is ‘in deze levende God vertrouwen, fiducie hebben’ – en daarom in geen van die andere goden, of zelfbenoemde godenzonen -zoals Moloch, of Farao, of Mammon, of Caesar –.
Het is wantrouwen jegens de andere goden en machten, als onontkoombare keerzijde.
Het heeft in die zin meer met ongeloof dan met geloof te maken.
Het is dus leven op een bepaalde manier: het Woord van de Heer horen en vertrouwen en doen. Belijden-is-doen.
Het is deelnemen aan en gedragen worden door de beweging die begonnen is met Abraham en die met Jezus naar ons is toegekomen en in de christelijke gemeente voortgang vindt.
Op weg gaan: ‘… en Abraham ging' (breuk met het verleden) - met een duidelijk en vast omlijnd doel. Hopend op de toekomst. Vertrouwen, fiducie hebben in de ‘Messiaanse zaak'.
Van horen naar vertrouwen en naar zien. Niet zonder twijfel (zien soms even).
Het gaat in de bijbel en in de kerk om de ene geloofwaardige God en wie in Hem gelooft, staat niet op zekerheden maar opent zich voor ‘altijd weer nieuwe ontdekkingen’.
Martin Luther King is -evenals bijvoorbeeld de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer (in 1945 door de nazi’s vermoord)- een christen die besefte dat er momenten zijn waarop passiviteit niet langer een optie is. Momenten waarop verzet, een duidelijk spreken, geboden is.
Is dat moment wellicht opnieuw aangebroken? Zijn er in onze tijd dringende redenen voor de kerk om stelling te nemen?
Ik begin, niet geheel willekeurig, met de stellingen die vóor de 2e WO werden opgesteld in Duitsland. Niet geheel willekeurig, omdat de ervaring van de jodenvervolging, de vernieti-gingskampen, na de oorlog tot bezinning in de kerken heeft geleid die nu nog doorwerking heeft.
De Barmer Thesen (1934). ‘De actualiteit van de Barmer Thesen zit in de confrontatie van ons geloof met de machten die onze tijd beheersen. Die machten zijn niet zo duidelijk zichtbaar als in de tijd van Hitler, maar ze zijn er wel!’ (A.A. Spijkerboer, 2002.)
Toen Hitler in 1933 in Duitsland de macht gegrepen had, ging er een golf van enthousiasme door de Duitse Evangelische Kerk. Duitsland was bij het Verdrag van Versailles, dat een eind maakte aan de Eerste Wereldoorlog, schromelijk onrecht aangedaan, zo vond men. Veel Duitse protestanten zagen in Hitler de sterke man die dat onrecht zou wreken en Duitsland uit zijn diepe vernedering zou opheffen.
Het enthousiasme in de Duitse Evangelische Kirche voor Hitler was zo groot, dat men zelfs besloot de kerk op een nieuwe leest te schoeien: er moest een sterke centrale leiding komen. Toch bleek al gauw dat er iets grondig misging. In Pruisen, waar nationaal-socialistische christenen het heft in handen hadden genomen in de kerk, werd besloten predikanten die met een joodse vrouw getrouwd waren, uit hun ambt te zetten.
Dat riep verzet op bij de protestanten die bij de boodschap van de Bijbel en bij de belijdenis wilden blijven. We belijden immers: ‘…ik geloof de heilige, algemene kerk, de gemeenschap der heiligen. Als je toelaat dat christenen van joodse huize de kerk uitgezet worden, treed je die gemeenschap der heiligen met voeten', je verloochent je geloof en je houdt op kerk te zijn.
In 1925 had de theoloog Karl Barth (in Cardiff) een lezing gehouden over belijdenis-vorming binnen de traditie van de reformatie. Daarin zegt hij bijvoorbeeld: de kerk komt tot belijdenisvorming als het er werkelijk om spant. De kerk staat of valt met de zaak die beleden wordt.
In Nazi-Duitsland werkte Barth mee aan de opstelling van de Barmer Verklaring, die de Be-lijdende Kerk (de Bekennende Kirche) als belijdenisgeschrift aanvaardde (1934). Het anti-semitisme werd als ketterij afgewezen. Daar stond of viel de kerk mee in die specifieke situatie. Want ook dat is kenmerkend voor belijdenisvorming, vond Barth. Een specifieke historische situatie moet aanleiding geven tot het opstellen van een belijdenis.
De Theologische verklaring van Barmen bestaat uit zes Thesen. Deze Thesen hebben een overeenkomstige opbouw. Het zijn zes stellingen die allemaal beginnen met één of twee citaten uit het Bijbelse Nieuwe Testament. Dan volgt een passage waarin beknopt een be-lijdenis wordt geformuleerd. Als afsluiting volgt een korte passage waarin opvattingen worden benoemd die als valse leer of ketterij worden verworpen. (Luthers 95 stellingen waren eigen-lijk ook een geloofsbelijdenis.)
Ik ga er hier niet verder op in, ik ga verder met
De Belijdenis van Belhar. Deze werd in 1986 als belijdenisgeschrift aanvaard door de Nederduits Gereformeerde Sendingkerk (NGSK) in Zuid-Afrika. Het was in de dagen dat de spanning in Zuid-Afrika tot ongekende hoogte opliep. Anti-apartheidskrachten hadden elkaar gevonden in het Verenigd Democratisch Front. Kerkelijke leiders zoals bv. bisschop D. Tutu, van de Anglicaanse kerk, liepen voorop in de protestmarsen. De noodtoestand was van kracht.
Honderddertig jaar daarvoor, in 1857 had de Nederduits Gereformeerde Synode ruimte ge-maakt voor afzonderlijke avondmaalsvieringen voor gelovigen van verschillende afkomst, omdat enkele blanke lidmaten daarop aangedrongen hadden.
In de 20ste eeuw zouden deze kerkelijke standpunten toenemend samenvloeien met allerlei andere levensbeschouwingen, economische, culturele en politieke stromingen en ontwikke-lingen. En uiteindelijk zou dit leiden tot het staats-beleid van apartheid, vanaf 1948.
De geschiedenis van de Belijdenis van Belhar begint in 1982. In Ottawa komt de Wereld Alliantie van Reformatorische Kerken (WARC) in vergadering bijeen. Zoals dat elke zeven jaar gebeurt. Uiteraard zijn de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland vertegenwoordigd. Even vanzelfsprekend is de aanwezigheid van een aantal Zuid-Afrikaanse lidkerken, blanke kerken zoals de Nederduits Gereformeerde Kerk (NGK) en de Nederduits Hervormde Kerk (NdHK), maar ook de NGSK en de NGKA. Deze laatste bestaan praktisch geheel uit respectievelijk kleurlingen en zwarten. Niet omdat zij daarvoor gekozen hebben, maar omdat het apartheidsdenken in de NGK en de apartheids-wetgeving dit had afgedwongen.
In augustus 1982 werd in Ottawa een status confessionis verklaard over de theologische legitimering van apartheid. Die uitdrukking - status confessionis, ofwel ‘staat van belijden' - is een term uit de kerkgeschiedenis die aanduidt dat gelovigen, een kerk of kerken oordelen dat ‘een ogenblik van waarheid', een kairos-moment, aangebroken is. Dit is een ogenblik waarin het evangelie, naar hun oordeel, zelf op het spel staat. Zaken waarover gelovigen lange tijd met elkaar van mening verschild hebben, zijn zo ernstig geworden dat die meningsverschillen niet langer meer onschuldig zijn en geduld kunnen worden, zonder dat de waarheid van de evangelie-boodschap zelf in het gedrang komt.
De Belhar belijdenis laat zich niet denken zonder de invloed van K. Barth. In Belhar werd Barmen als model gehanteerd, tot in de vormgeving toe. De specifieke historische situatie was die van Apartheid. Dit racistische systeem werd door Afrikaner gereformeerde theologen bijbels-theologisch gerechtvaardigd.
De Nederduits Gereformeerde Sendingkerk belijdt in Belhar 1986 dat deze rechtvaardiging een ketterij is, die binnen de kerk van Christus op geen enkele manier geduld of gedoogd mag worden. De kerk wees apartheid op theologische gronden af met de Belijdenis van Belhar: ‘...dat het ware geloof in Jezus Christus de enige voorwaarde is voor lidmaatschap van de kerk. Daarom verwerpen wij enige leer die de natuurlijke verscheidenheid óf de zondige gescheidenheid zo verabsoluteert dat die verabsolutering de zichtbare en werkzame eenheid van de kerk belemmert of verbreekt of zelfs leidt tot 'n aparte kerkformatie.'
Wat in de Drie formulieren van enigheid inzake de verzoening al is beleden, wordt hier ver-ondersteld en kort aangeduid. Het accent ligt geheel op de doorwerking van de in Christus geschonken verzoening in de praktijk van ons leven:
zij brengt ‘in de samenleving en de wereld nieuwe levensmogelijkheden'.
Zo heeft deze belijdenis een tijdgebonden karakter, maar zij kan toch door de hele kerk, ook op andere plaatsen en in andere tijden, als relevant erkend worden.
De belijdenis moet dan wel zo geformuleerd zijn dat gebruik elders mogelijk is. Vandaar dat in Barmen 1934 de term antisemitisme of joden niet voorkomt, en in Belhar 1986 het woord apartheid niet.
Na de afschaffing van apartheid ontstond het streven de kerken van gereformeerde origine te laten samengaan in de Verenigende Gereformeerde Kerk (Uniting Reformed Church of South Africa).
Even terzijde: Nog in 2010 heb ik in de kerk in Mechelen meegemaakt dat een vlaams echt-paar de doop van hun zoon wenste in een dienst exclusief voor hen, om te voorkomen dat Assyrische christenen -wonend in België, gevlucht uit Turkeye- misschien voor diezelfde zondag doop voor hún kind zouden vragen -en dat ze dan met hen samen zouden moeten zijn.
Goed, we gaan naar het volgende belijdenisgeschrift. In antwoord op de dringende oproep van enkele leden en vanwege de toenemende urgentie van het wereldwijde economisch onrecht en ecologische verwoesting, nodigde de 23ste Algemene Vergadering van de Wereld Alliantie van Reformatorische Kerken (WARC) (bijeen in Hongarije, 1997) de lidkerken uit om een proces in te gaan van "herkenning, educatie en confessie (processus confessionis)".
De kerken dachten met elkaar na over de tekst van Jesaja 58:6 ".. de banden van het juk te ontbinden, verdrukten vrij te laten en elk juk te verbreken", terwijl zij het geroep hoorden van broeders en zusters over de hele wereld en er getuige van waren hoe de door God gegeven schepping bedreigd wordt.
Sindsdien hebben negen lidkerken zich geëngageerd tot een geloofsverplichting, sommige kerken hebben zich begeven in het proces om tot een verbondsluiting te komen en andere hebben het onderwerp bestudeerd en hebben onderkend hoe ernstig de crisis is.
Bovendien heeft de WARC, samen met de Wereldraad van Kerken, de Lutherse Wereld Federatie en regionale oecumenische organisaties, consultaties in alle regio's van de wereld gehouden, van Seoul/Bangkok (1999) tot Stony Point (VS,2004). Aanvullende consultaties hebben plaats gevonden met kerken uit het Zuiden in Buenos Aires (2003) en met kerken uit het Zuiden en Noorden in Londen (Colney, 2004).
‘Bijeengekomen in Accra, Ghana (2004), voor de Algemene Vergadering van de WARC, hebben we de slavenkerkers van Elmina bezocht, waar miljoenen Afrikanen tot koopwaar werden gemaakt, verkocht en onderworpen aan de gruwelen van onderdrukking en dood. De uitspraak "nooit weer" is tot een leugen geworden door de nog steeds doorgaande mensen-handel en de onderdrukking door het wereldwijde economische systeem.
Vandaag komen we tot een besluit aangaande onze geloofsverplichting. ...
Eén van de appellerende teksten die in de belijdenis geciteerd worden, is: ‘Gij kunt niet God dienen én de Mammon’. Het gebeurt wel, suggereert de tekst, maar ge kúnt het niet, vanuit het geloof in die ene bevrijdende God. Die beide, God en Mammon, verdragen elkaar niet. Ze zijn dus onverzoenlijk.
Daarom eindigt deze belijdenis met de tekst uit Handelingen dat je Gode meer gehoorzaam zult zijn dan mensen en overheden (punt 35). Als Jezus Heer is, heeft dat ook consequenties voor je handelen op economisch en ecologisch vlak.
Het moge ons gezegd zijn, ter wille van Zijn Koninkrijk dat komen zal!
Nog een laatste recent belijdenisgeschrift voordat we toekomen aan een resumé, een over-denken van het geheel.
Een Kairos initiatief van de kerken in Israel/Palestina. ‘Uur van de waarheid' (Een woord van geloof, hoop en liefde uit het hart van Palestina). 2009. Meerdere kerken vonden overeen-stemming in dit document; o.m. de Rooms-Katholieke, de Grieks Orthodoxe, de Anglicaanse en de Evangelisch Lutherse kerk in het midden-oosten.
Aan christenen wereldwijd wordt gevraagd een antwoord op te stellen aan de christenen in Palestina. Ze stellen bv. de vraag de bijbel anders te willen verstaan: ´Wij vragen van onze zusterkerken om -wat wij beleven als- de ´zonde van de bezetting´ niet te voorzien van een theologische dekmantel´.
Wij verklaren dat militaire bezetting van het land een zonde is, gericht tegen God en de mensheid, en dat elke theologie die de bezetting legitimeert, ver staat van de christelijke leer, omdat een waarachtige christelijke theologie een theologie is van liefde en solidariteit met onderdrukten, een roep om rechtvaardigheid en gelijkheid tussen de mensen.
Christenen in Israel/Palestina doen een dringend beroep op christenen- wereldwijd om hun theologie kritisch te bezien.
Evangelicale christenen, in Israel en Amerika, beantwoorden de oproep met een jaarlijkse bijbelconferentie in het Betlehem Bible College, onder de titel ‘Christ at the checkpoint’, over geloven in de context van het Israëlisch-Palestijns conflict.
Ook bij joodse broeders en zusters vinden we inclusieve bijbeluitleg. Twee voorbeelden van Joodse stemmen -die zich orthodox noemen-, met een universele lezing: Braverman: ´All people are chosen; all land is holy´.
En: de Amerikaans-joodse auteur Naomo Wolf, zij uitte zich verrast door de ontdekking ‘dat God in de Tora niet land geeft aan een volk, zomaar, maar dat God een specifieke kwaliteit-van-leven van mensen vraagt en dat dát een veilige woonplek oplevert.
Welaan, hebben deze belijdenissen ons wat te zeggen? Zijn ze verwant aan de Heidelbergse Catechismus, De Dordtse Leerregels, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Apostolische Geloofsbelijdenis?
En: wie was er in al die kairos-momenten nu ‘vrijzinnig’, of ‘recht in de leer’? Was Abraham vrijzinnig toen hij wegtrok uit de wereld van zijn vader? Of was hij juist recht in de leer? Was Paulus nou een ketter? En Luther, was hij nou vrij gemaakt, of vogelvrij, of juist bijbelvast? En Maarten Luther King?
Worden er in de beschreven recente belijdenissen zaken beleden die ook in de situatie waarin wij ons bevinden, relevant zijn? Zaken die ons oproepen tot belijdenis-vorming?
Ik wil u nog het volgende vertellen: Toen ik wat breder heb mogen kijken dan de Neder-landse kerksituatie, doordat ik de protestantse kerk in België heb mogen dienen, heb ik heel wat bijgeleerd. Ik heb in Mechelen gaandeweg-de-jaren steeds meer met genoegen en met respect de andere geloofsgemeenschappen ontmoet en met hen samengewerkt. Er was grote diversiteit: Van een Rome-getrouwe priester, met wie ik op diverse punten verschil in geloofs-beleving en in kerk-zijn, maar in wie ik een aimabele man trof die ik zijn Maria-devotie gun. We hadden bv. wél allebei fijne ervaring opgedaan met de oecumenische Taizé-jongeren-ontmoeting in Brussel. -Ook een Pinkster-gelovige jonge man met wie ik niet alleen maar -voor mijn gevoel simpele- halleluja-liedjes kan zingen, maar met wie het wel heel plezierig was om jaarlijks in januari een oecumenische dienst te organiseren in de Week van gebed voor eenheid van de christenen. -Een groep Assyrische christenen in onze kerk die een heel andere liturgie gewend waren in hun oosters-orthodoxe dorpskerk in het oosten van Turkeye -niet ver van Syrië-, maar die wel heel erg meelevend waren in de westerse kerk waar ze terecht gekomen waren -op de vlucht voor het Turkse leger-.
Grote diversiteit, verscheidenheid, maar er was bereidheid elkaars verhaal te horen, er groeide samenwerking -juist door elkaars eigenheid te respecteren. Wat mij betreft: met toewijding en geduld is verzoening mogelijk. (En het is ook nodig; de tijd en omstandigheden vragen om betrouwbare kerken, c.q. geloofsgemeenschappen. Dat ze wáar maken wat ze belijden.)
Als ik zeg, als wij-als-kerk zeggen te geloven, bv., dat Jezus ‘zoon van God’ is, dan bedoel ik dat in deze mens op ultieme wijze God te herkennen is, voor mij; in navolging van dat het volk Israel in de bijbel zoon van God genoemd wordt (Ex 4:22 ‘Dan moet u tegen de farao zeggen: Zo zegt JHWH, God de Heer: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël’.)
Het gaat er om als volk- en ook als persoon- te tonen wie God is, of eigenlijk ‘geloof-waardig’ te leven, want dat biedt toekomst -voor ieder.
De vraag of je dat ‘zoon-van-God’ van Jezus nou biologisch moet uitleggen, dat heeft het alleen maar -onnodig- ingewikkeld gemaakt. Want dan zegt er iemand: ‘dat kan ik niet meer geloven, hoor’. En dan zegt ‘n ander: ‘ja, maar dat mag je niet betwijfelen’.
En dan denk ik: laat je nou in oorlogstijd niet verleiden door de slang tot de discussie of-ie nou wel of niet gesproken heeft.
De PKN zegt: In haar vieren, haar spreken en haar handelen belijdt de Protestantse Kerk in elke tijd en in elke situatie opnieuw dat Jezus Christus Heer en Verlosser van de wereld is.
Zo roept ze op tot vernieuwing van het leven in cultuur, maatschappij en staat. De Protestantse Kerk doet dit in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht. Die zijn o.m. verwoord in de Apostolische geloofsbelijdenis. De kerk erkent de betekenis van de Theologische Verklaring van Barmen voor het belijden in het heden.
Nog even iets over de Apostolische geloofsbelijdenis. Het is de benaming voor ‘de twaalf artikelen van het onbetwijfeld christelijk geloof '. Deze belijdenis zoals wij die nu kennen, heeft haar oorsprong in de kerk van Rome, de Westerse; ze is dus van na de scheiding in 1054 tussen de oosterse, Byzantijnse kerk en de kerk van Rome.
Om aan de belijdenis apostolisch gezag te verlenen, bestond de legende dat de apostelen, voordat ze begonnen hun zendings-opdracht uit te voeren, eerst in Jeruzalem bij elkaar kwamen om samen een belijdenis op te stellen. Elke apostel zou een artikel bijgedragen hebben en het resultaat zou de normatieve leer voor de zendingsverkondiging bevatten.
In werkelijkheid is de ‘apostolische’ geloofsbelijdenis gegroeid uit de korte doopbelijdenissen die in de belangrijkste christelijke centra (zoals Rome, Caesarea en Antiochië) ontstaan waren.
Voorzover wij weten, is er nooit een concilie of synode over de Apostolische Geloofs-belijdenis gehouden. Een plaatselijke bisschop was vrij om de variant van zijn voorganger te handhaven, te veranderen of uit te breiden.
Ook als men woordelijk niet hetzelfde beleed, deed men toch dezelfde belijdenis. In de liturgie ging er wel de zogenoemde ‘verzaking van de duivel’ aan vooraf.
De drie formulieren van enigheid. Dit zijn belijdenisgeschriften uit de zestiende en zeven-tiende eeuw in de Nederlandse kerken van de reformatie: De Nederlandse geloofsbelijdenis (1561), de Heidelbergse catechismus (1563) en de Dordtse leerregels (1618-19).
De Nederlandse Geloofsbelijdenis, of Confession de Foy, is de oudste van de drie formulieren. Zij werd opgesteld door Guido de Brès, naar het model van de Franse geloofs-belijdenis van 1559. De Latijnse aanduiding Confessio Belgica herinnert aan haar afkomst uit de zuidelijke Nederlanden.
In een uiterst gespannen situatie, waarin de niet-katholieken door de overheid vervolgd werden, wilde de opsteller de gereformeerde leer uiteenzetten en zich daarbij van de revo-lutionair-gezinden distantiëren.
Vanwege onoverkomelijke bezwaren tegen de in de Ned. Geloofsbelijdenis geformuleerde visie op de overheidstaak (weren en uitroeien van afgoderij en valse godsdienst) zetten de Gereformeerde Kerken in 1905 een gedeelte van het 36ste artikel tussen haakjes.
Anderen in de gereformeerde gezindte willen daaraan blijven vasthouden. Zo beroept de SGP zich in haar beginselprogram uitdrukkelijk op artikel 36.
Dit jaar is het 400 jaar geleden dat de Dordtse Synode bij elkaar kwam. Een internationaal gezelschap van protestantse theologen ging daar in gesprek over een verschil van mening in de Nederlandse kerken. De spanningen rond dit verschil waren zo hoog opgelopen dat een burgeroorlog dreigde, en dat terwijl men ook met Spanje nog in oorlog was.
Waar ging het over in Dordt? Wat was dat voor een kwestie die de gemoederen zo kon verhitten?
Theologisch gezien ging het om de vraag: Is geloof een menselijke keuze, of is het een gave van God? Of, om het in woorden van onze tijd te zeggen: Is geloof maakbaar?
Voor de mondige mens, die zich meer en meer van zijn mogelijkheden bewust begon te worden, was het verleidelijk om te zeggen dat geloof op een menselijke beslissing berust. Geloof als een overtuiging waarvoor men kiest, zoals men ook voor een beroep of – ethisch – voor een manier van leven kan kiezen. Een opvatting die ook in de Nederlanden breed werd en wordt aangehangen.
Deze gedachte, in zijn consequenties doorgetrokken, riep niet alleen instemming, maar ook verzet op. Natuurlijk is geloven kiezen voor God, maar is geloof niet méér dan een menselijke keuze? Is geloof niet – net als liefde – iets dat ons overkómt? Iets waar je je zelf over ver-wondert? Ja, natuurlijk volgt daar ook een keuze op. Liefde is ook kiezen voor je geliefde. Maar het diepste, dat wat aan die keuze voorafgaat, is een geheim waar je geen greep op krijgt.
Goed, een resumé: De Heidelbergse Catechismus, een kerkelijk leerboekje uit de zestiende eeuw, stelt aan individuen vragen en geeft antwoorden.
Bv. Hoe ben je rechtvaardig voor God? (vraag 60). Antwoord: alleen door te geloven in Jezus Christus’.
En dan moet ik bekennen (mijn geweten zegt dat), dat ik een mens ben met goed én met kwaad. Ik kan bijvoorbeeld Gods geboden gemakkelijk naast me neerleggen en m'n eigen zin doordrijven, met alle ellendige gevolgen van dien -voor mijzelf en voor anderen-. Maar God geeft mij toch telkens weer een nieuw begin. Zo leer ik van de opstanding van Jezus Christus. God maakt een nieuw begin mogelijk. Zelfs door de dood heen.
Waarom is dit groots? Omdat hier over geloven gesproken wordt vanuit het ‘en toch’. Menselijkerwijs gezien is er geen uitweg, en tóch ..!
Dit is helemaal op het individu geformuleerd. De Accra-verklaring belijdt hetzelfde voor de samenleving. Groepen individuen, mensen-samen, organisaties, de samenleving, het gangbaar economisch stelsel, ze gaan/gaat/is regelmatig, of zelfs volledig in de fout, met alle gevolgen van dien. (Zie je wel: ‘tot niets goeds in staat’.)
En toch geloven we dat verandering mogelijk is -in ons vertrouwen op God, die bijzondere God-.
Is het moment van verzet bieden wellicht opnieuw aangebroken? Ja, zeggen 23 christelijke leiders -van meerdere kerken- in de Verenigde Staten. Onder de titel Reclaiming Jesus (‘Jezus opnieuw opeisen’) publiceerden zij dit voorjaar hun ‘geloofsbelijdenis in een tijd van crisis’. De verklaring verwijst naar ML King en ademt de geest van verzet: “Jezus is Heer. Dat is wat wij ten diepste belijden. Deze belijdenis vormde het middelpunt van de vroege kerk en moet ook voor ons opnieuw het middelpunt worden. Wanneer Jezus Heer is, dan was Caesar dat niet – evenmin als welke andere wereldse leider sindsdien.”
De opstellers van de verklaring vatten de christelijke geloofsbelijdenis samen in zes stellingen en laten elke stelling gepaard gaan met een verwerping van haar tegendeel. Ja, als christenen geloven we in het belang van de waarheid, weten we dat we geen vals getuigenis mogen af-leggen en ook dat de waarheid ons zal bevrijden, aldus een van de stellingen. “Daarom ver-werpen we de praktijk en het patroon van de leugen die ons politieke en sociale leven binnen-dringt. (…) De normalisatie van de leugen vormt een diep moreel gevaar voor het weefsel van de samenleving.”
En ja, als christenen zijn we geroepen tot wereldwijde bekeringsijver. -Niet omdat wíj een woord voor de wereld hebben, maar omdat God een Woord voor de wereld heeft-. En juist dáarom, zo zeggen de Amerikaanse geestelijken, vormt de leuze ‘Amerika eerst’ een theo-logische ketterij. Zij verwerpen met kracht vreemdelingenhaat en nationalisme dat het ene volk boven het andere plaatst. God schiep de mensen naar zijn beeld en gelijkenis. Dus kan er geen ruimte zijn voor racisme. Omdat allen één lichaam in Christus vormen, zijn ver-krachting, misbruik en achterstelling van vrouwen uit den boze. En omdat God solidair is met de armen, moeten wij dat ook zijn.
Reclaiming Jesus noemt geen namen. Dat hoeft ook niet omdat overduidelijk is tegen welke ‘Caesar’ van onze dagen men zich richt.
Het zijn -spijtig genoeg- juist evangelicalen die de achterban vormen van deze president; en ook -we zagen het afgelopen zondag- van de nieuw-verkozen president in Brazilië. De op-stellers van Reclaiming Jesus spreken hen met name toe (website reclaimingjesus.org).
Mijn stelling nu: Mij lijkt in onze wereld een ‘religie’ gangbaar geworden die bestaat uit een combinatie van naïef vooruitgangsgeloof en van de afgoderij die ons verlekkert met de slogan ‘laat de onzichtbare hand van de markt z’n gang maar gaan, dan zal alles goed komen’.
(We denken dat we barbarij en racisme en homohaat als iets achterlijks overwonnen hadden ... Maar de ernstige vraag, wat mij betreft, is: Wie, of wat, is de heersende God, of afgod?
Hoe actueel zijn belijdenissen van de kerk? En van persoonlijke gelovigen?
Wat is er in het leven van nu, van jou, van ons, waarbij je zegt/waarbij we als kerken samen zeggen: ‘en toch geloof ik/geloven wij ...’
Inleiding 30 okt. 2018. St Laurens (met dank aan collega's).
Een belijdenis(-geschrift) vindt z’n ontstaansreden in een bijzondere tijd en plaats. Welke zijn de achtergronden van een aantal belijdenis-geschriften, zoals bv. de Barmer thesen en de zogenoemde Apostolische geloofsbelijdenis?
Ze zijn .Ontstaan in polemiek met ‘ketterijen',
Ze hebben .de Bijbel als uitgangspunt (niet de natuur, niet de ervaring),
Ze geven .een Antwoord op de machtsvraag: Wie is God? JHWH is God! Jezus is Heer.(Rom. 10, 9 en 1 Kor. 12, 3). En geen ander. Gericht tegen iedere machthebber die op die titel aanspraak zou maken.
Om in elk geval over éen ding bij het begin duidelijk te zijn: Het geloof van christenen begint met het horen wat er in TeNaCh en Evangelie aan ons is overgeleverd.
Het ‘Shema Israel’ in TeNaCH en in het jodendom is eveneens een ´belijdenis´. Hoor Israël, de Heer uw God is één!
De Islam heeft het Shema overgenomen in de Shahadah : "Er is geen God dan God (Allah) ".
In het Christendom klinkt het: Jezus is Heer!
Voor veel mensen in onze tijd neemt het geloof een andere wending; door
-de wetenschap (ook de bijbelwetenschap). Vroeger werd de werkelijkheid in een beneden- en een boven-verdieping ingedeeld en werd de geloofsleer van a tot z in die termen geformuleerd. Met nieuwe inzichten mag je ook het geloof anders formuleren.
-de confrontatie met andere werelden die ons een gevoel van relativiteit van ons eigen geloven bijbrengt;
-de verlichting, de secularisatie, de schok van Auschwitz, de welvaart die ons verblindt voor andere waarden dan het geluk hier en nu;
-de val van de muur, de globalisering, de invloed van andere godsdiensten en levensbeschouwingen;
-kritiek op christendom en kerk, de schanddaden en schandalen van de kerk; kritiek op alle godsdienst.
Deze veranderingen brengen een zoektocht naar het essentiële teweeg.
(De verklaring van de mensenrechten door de VN kan gezien worden als een seculiere vorm van belijdenis.)

Wat bedoel je als je ‘God' zegt? ‘JHWH' is God.
JHWH = ‘Ik ben die ik ben' -God maakt geschiedenis bij de mensen.
Geloven = vertrouwen én trouw zijn – verbonden zijn én vasthouden
Geloven is ‘in deze levende God vertrouwen, fiducie hebben’ – en daarom in geen van die andere goden, of zelfbenoemde godenzonen -zoals Moloch, of Farao, of Mammon, of Caesar –.
Het is wantrouwen jegens de andere goden en machten, als onontkoombare keerzijde.
Het heeft in die zin meer met ongeloof dan met geloof te maken.
Het is dus leven op een bepaalde manier: het Woord van de Heer horen en vertrouwen en doen. Belijden-is-doen.
Het is deelnemen aan en gedragen worden door de beweging die begonnen is met Abraham en die met Jezus naar ons is toegekomen en in de christelijke gemeente voortgang vindt.
Op weg gaan: ‘… en Abraham ging' (breuk met het verleden) - met een duidelijk en vast omlijnd doel. Hopend op de toekomst. Vertrouwen, fiducie hebben in de ‘Messiaanse zaak'.
Van horen naar vertrouwen en naar zien. Niet zonder twijfel (zien soms even).
Het gaat in de bijbel en in de kerk om de ene geloofwaardige God en wie in Hem gelooft, staat niet op zekerheden maar opent zich voor ‘altijd weer nieuwe ontdekkingen’.
Martin Luther King is -evenals bijvoorbeeld de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer (in 1945 door de nazi’s vermoord)- een christen die besefte dat er momenten zijn waarop passiviteit niet langer een optie is. Momenten waarop verzet, een duidelijk spreken, geboden is.
Is dat moment wellicht opnieuw aangebroken? Zijn er in onze tijd dringende redenen voor de kerk om stelling te nemen?
Ik begin, niet geheel willekeurig, met de stellingen die vóor de 2e WO werden opgesteld in Duitsland. Niet geheel willekeurig, omdat de ervaring van de jodenvervolging, de vernieti-gingskampen, na de oorlog tot bezinning in de kerken heeft geleid die nu nog doorwerking heeft.
De Barmer Thesen (1934). ‘De actualiteit van de Barmer Thesen zit in de confrontatie van ons geloof met de machten die onze tijd beheersen. Die machten zijn niet zo duidelijk zichtbaar als in de tijd van Hitler, maar ze zijn er wel!’ (A.A. Spijkerboer, 2002.)
Toen Hitler in 1933 in Duitsland de macht gegrepen had, ging er een golf van enthousiasme door de Duitse Evangelische Kerk. Duitsland was bij het Verdrag van Versailles, dat een eind maakte aan de Eerste Wereldoorlog, schromelijk onrecht aangedaan, zo vond men. Veel Duitse protestanten zagen in Hitler de sterke man die dat onrecht zou wreken en Duitsland uit zijn diepe vernedering zou opheffen.
Het enthousiasme in de Duitse Evangelische Kirche voor Hitler was zo groot, dat men zelfs besloot de kerk op een nieuwe leest te schoeien: er moest een sterke centrale leiding komen. Toch bleek al gauw dat er iets grondig misging. In Pruisen, waar nationaal-socialistische christenen het heft in handen hadden genomen in de kerk, werd besloten predikanten die met een joodse vrouw getrouwd waren, uit hun ambt te zetten.
Dat riep verzet op bij de protestanten die bij de boodschap van de Bijbel en bij de belijdenis wilden blijven. We belijden immers: ‘…ik geloof de heilige, algemene kerk, de gemeenschap der heiligen. Als je toelaat dat christenen van joodse huize de kerk uitgezet worden, treed je die gemeenschap der heiligen met voeten', je verloochent je geloof en je houdt op kerk te zijn.
In 1925 had de theoloog Karl Barth (in Cardiff) een lezing gehouden over belijdenis-vorming binnen de traditie van de reformatie. Daarin zegt hij bijvoorbeeld: de kerk komt tot belijdenisvorming als het er werkelijk om spant. De kerk staat of valt met de zaak die beleden wordt.
In Nazi-Duitsland werkte Barth mee aan de opstelling van de Barmer Verklaring, die de Be-lijdende Kerk (de Bekennende Kirche) als belijdenisgeschrift aanvaardde (1934). Het anti-semitisme werd als ketterij afgewezen. Daar stond of viel de kerk mee in die specifieke situatie. Want ook dat is kenmerkend voor belijdenisvorming, vond Barth. Een specifieke historische situatie moet aanleiding geven tot het opstellen van een belijdenis.
De Theologische verklaring van Barmen bestaat uit zes Thesen. Deze Thesen hebben een overeenkomstige opbouw. Het zijn zes stellingen die allemaal beginnen met één of twee citaten uit het Bijbelse Nieuwe Testament. Dan volgt een passage waarin beknopt een be-lijdenis wordt geformuleerd. Als afsluiting volgt een korte passage waarin opvattingen worden benoemd die als valse leer of ketterij worden verworpen. (Luthers 95 stellingen waren eigen-lijk ook een geloofsbelijdenis.)
Ik ga er hier niet verder op in, ik ga verder met
De Belijdenis van Belhar. Deze werd in 1986 als belijdenisgeschrift aanvaard door de Nederduits Gereformeerde Sendingkerk (NGSK) in Zuid-Afrika. Het was in de dagen dat de spanning in Zuid-Afrika tot ongekende hoogte opliep. Anti-apartheidskrachten hadden elkaar gevonden in het Verenigd Democratisch Front. Kerkelijke leiders zoals bv. bisschop D. Tutu, van de Anglicaanse kerk, liepen voorop in de protestmarsen. De noodtoestand was van kracht.
Honderddertig jaar daarvoor, in 1857 had de Nederduits Gereformeerde Synode ruimte ge-maakt voor afzonderlijke avondmaalsvieringen voor gelovigen van verschillende afkomst, omdat enkele blanke lidmaten daarop aangedrongen hadden.
In de 20ste eeuw zouden deze kerkelijke standpunten toenemend samenvloeien met allerlei andere levensbeschouwingen, economische, culturele en politieke stromingen en ontwikke-lingen. En uiteindelijk zou dit leiden tot het staats-beleid van apartheid, vanaf 1948.
De geschiedenis van de Belijdenis van Belhar begint in 1982. In Ottawa komt de Wereld Alliantie van Reformatorische Kerken (WARC) in vergadering bijeen. Zoals dat elke zeven jaar gebeurt. Uiteraard zijn de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland vertegenwoordigd. Even vanzelfsprekend is de aanwezigheid van een aantal Zuid-Afrikaanse lidkerken, blanke kerken zoals de Nederduits Gereformeerde Kerk (NGK) en de Nederduits Hervormde Kerk (NdHK), maar ook de NGSK en de NGKA. Deze laatste bestaan praktisch geheel uit respectievelijk kleurlingen en zwarten. Niet omdat zij daarvoor gekozen hebben, maar omdat het apartheidsdenken in de NGK en de apartheids-wetgeving dit had afgedwongen.
In augustus 1982 werd in Ottawa een status confessionis verklaard over de theologische legitimering van apartheid. Die uitdrukking - status confessionis, ofwel ‘staat van belijden' - is een term uit de kerkgeschiedenis die aanduidt dat gelovigen, een kerk of kerken oordelen dat ‘een ogenblik van waarheid', een kairos-moment, aangebroken is. Dit is een ogenblik waarin het evangelie, naar hun oordeel, zelf op het spel staat. Zaken waarover gelovigen lange tijd met elkaar van mening verschild hebben, zijn zo ernstig geworden dat die meningsverschillen niet langer meer onschuldig zijn en geduld kunnen worden, zonder dat de waarheid van de evangelie-boodschap zelf in het gedrang komt.
De Belhar belijdenis laat zich niet denken zonder de invloed van K. Barth. In Belhar werd Barmen als model gehanteerd, tot in de vormgeving toe. De specifieke historische situatie was die van Apartheid. Dit racistische systeem werd door Afrikaner gereformeerde theologen bijbels-theologisch gerechtvaardigd.
De Nederduits Gereformeerde Sendingkerk belijdt in Belhar 1986 dat deze rechtvaardiging een ketterij is, die binnen de kerk van Christus op geen enkele manier geduld of gedoogd mag worden. De kerk wees apartheid op theologische gronden af met de Belijdenis van Belhar: ‘...dat het ware geloof in Jezus Christus de enige voorwaarde is voor lidmaatschap van de kerk. Daarom verwerpen wij enige leer die de natuurlijke verscheidenheid óf de zondige gescheidenheid zo verabsoluteert dat die verabsolutering de zichtbare en werkzame eenheid van de kerk belemmert of verbreekt of zelfs leidt tot 'n aparte kerkformatie.'
Wat in de Drie formulieren van enigheid inzake de verzoening al is beleden, wordt hier ver-ondersteld en kort aangeduid. Het accent ligt geheel op de doorwerking van de in Christus geschonken verzoening in de praktijk van ons leven:
zij brengt ‘in de samenleving en de wereld nieuwe levensmogelijkheden'.
Zo heeft deze belijdenis een tijdgebonden karakter, maar zij kan toch door de hele kerk, ook op andere plaatsen en in andere tijden, als relevant erkend worden.
De belijdenis moet dan wel zo geformuleerd zijn dat gebruik elders mogelijk is. Vandaar dat in Barmen 1934 de term antisemitisme of joden niet voorkomt, en in Belhar 1986 het woord apartheid niet.
Na de afschaffing van apartheid ontstond het streven de kerken van gereformeerde origine te laten samengaan in de Verenigende Gereformeerde Kerk (Uniting Reformed Church of South Africa).
Even terzijde: Nog in 2010 heb ik in de kerk in Mechelen meegemaakt dat een vlaams echt-paar de doop van hun zoon wenste in een dienst exclusief voor hen, om te voorkomen dat Assyrische christenen -wonend in België, gevlucht uit Turkeye- misschien voor diezelfde zondag doop voor hún kind zouden vragen -en dat ze dan met hen samen zouden moeten zijn.
Goed, we gaan naar het volgende belijdenisgeschrift. In antwoord op de dringende oproep van enkele leden en vanwege de toenemende urgentie van het wereldwijde economisch onrecht en ecologische verwoesting, nodigde de 23ste Algemene Vergadering van de Wereld Alliantie van Reformatorische Kerken (WARC) (bijeen in Hongarije, 1997) de lidkerken uit om een proces in te gaan van "herkenning, educatie en confessie (processus confessionis)".
De kerken dachten met elkaar na over de tekst van Jesaja 58:6 ".. de banden van het juk te ontbinden, verdrukten vrij te laten en elk juk te verbreken", terwijl zij het geroep hoorden van broeders en zusters over de hele wereld en er getuige van waren hoe de door God gegeven schepping bedreigd wordt.
Sindsdien hebben negen lidkerken zich geëngageerd tot een geloofsverplichting, sommige kerken hebben zich begeven in het proces om tot een verbondsluiting te komen en andere hebben het onderwerp bestudeerd en hebben onderkend hoe ernstig de crisis is.
Bovendien heeft de WARC, samen met de Wereldraad van Kerken, de Lutherse Wereld Federatie en regionale oecumenische organisaties, consultaties in alle regio's van de wereld gehouden, van Seoul/Bangkok (1999) tot Stony Point (VS,2004). Aanvullende consultaties hebben plaats gevonden met kerken uit het Zuiden in Buenos Aires (2003) en met kerken uit het Zuiden en Noorden in Londen (Colney, 2004).
‘Bijeengekomen in Accra, Ghana (2004), voor de Algemene Vergadering van de WARC, hebben we de slavenkerkers van Elmina bezocht, waar miljoenen Afrikanen tot koopwaar werden gemaakt, verkocht en onderworpen aan de gruwelen van onderdrukking en dood. De uitspraak "nooit weer" is tot een leugen geworden door de nog steeds doorgaande mensen-handel en de onderdrukking door het wereldwijde economische systeem.
Vandaag komen we tot een besluit aangaande onze geloofsverplichting. ...
Eén van de appellerende teksten die in de belijdenis geciteerd worden, is: ‘Gij kunt niet God dienen én de Mammon’. Het gebeurt wel, suggereert de tekst, maar ge kúnt het niet, vanuit het geloof in die ene bevrijdende God. Die beide, God en Mammon, verdragen elkaar niet. Ze zijn dus onverzoenlijk.
Daarom eindigt deze belijdenis met de tekst uit Handelingen dat je Gode meer gehoorzaam zult zijn dan mensen en overheden (punt 35). Als Jezus Heer is, heeft dat ook consequenties voor je handelen op economisch en ecologisch vlak.
Het moge ons gezegd zijn, ter wille van Zijn Koninkrijk dat komen zal!
Nog een laatste recent belijdenisgeschrift voordat we toekomen aan een resumé, een over-denken van het geheel.
Een Kairos initiatief van de kerken in Israel/Palestina. ‘Uur van de waarheid' (Een woord van geloof, hoop en liefde uit het hart van Palestina). 2009. Meerdere kerken vonden overeen-stemming in dit document; o.m. de Rooms-Katholieke, de Grieks Orthodoxe, de Anglicaanse en de Evangelisch Lutherse kerk in het midden-oosten.
Aan christenen wereldwijd wordt gevraagd een antwoord op te stellen aan de christenen in Palestina. Ze stellen bv. de vraag de bijbel anders te willen verstaan: ´Wij vragen van onze zusterkerken om -wat wij beleven als- de ´zonde van de bezetting´ niet te voorzien van een theologische dekmantel´.
Wij verklaren dat militaire bezetting van het land een zonde is, gericht tegen God en de mensheid, en dat elke theologie die de bezetting legitimeert, ver staat van de christelijke leer, omdat een waarachtige christelijke theologie een theologie is van liefde en solidariteit met onderdrukten, een roep om rechtvaardigheid en gelijkheid tussen de mensen.
Christenen in Israel/Palestina doen een dringend beroep op christenen- wereldwijd om hun theologie kritisch te bezien.
Evangelicale christenen, in Israel en Amerika, beantwoorden de oproep met een jaarlijkse bijbelconferentie in het Betlehem Bible College, onder de titel ‘Christ at the checkpoint’, over geloven in de context van het Israëlisch-Palestijns conflict.
Ook bij joodse broeders en zusters vinden we inclusieve bijbeluitleg. Twee voorbeelden van Joodse stemmen -die zich orthodox noemen-, met een universele lezing: Braverman: ´All people are chosen; all land is holy´.
En: de Amerikaans-joodse auteur Naomo Wolf, zij uitte zich verrast door de ontdekking ‘dat God in de Tora niet land geeft aan een volk, zomaar, maar dat God een specifieke kwaliteit-van-leven van mensen vraagt en dat dát een veilige woonplek oplevert.
Welaan, hebben deze belijdenissen ons wat te zeggen? Zijn ze verwant aan de Heidelbergse Catechismus, De Dordtse Leerregels, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Apostolische Geloofsbelijdenis?
En: wie was er in al die kairos-momenten nu ‘vrijzinnig’, of ‘recht in de leer’? Was Abraham vrijzinnig toen hij wegtrok uit de wereld van zijn vader? Of was hij juist recht in de leer? Was Paulus nou een ketter? En Luther, was hij nou vrij gemaakt, of vogelvrij, of juist bijbelvast? En Maarten Luther King?
Worden er in de beschreven recente belijdenissen zaken beleden die ook in de situatie waarin wij ons bevinden, relevant zijn? Zaken die ons oproepen tot belijdenis-vorming?
Ik wil u nog het volgende vertellen: Toen ik wat breder heb mogen kijken dan de Neder-landse kerksituatie, doordat ik de protestantse kerk in België heb mogen dienen, heb ik heel wat bijgeleerd. Ik heb in Mechelen gaandeweg-de-jaren steeds meer met genoegen en met respect de andere geloofsgemeenschappen ontmoet en met hen samengewerkt. Er was grote diversiteit: Van een Rome-getrouwe priester, met wie ik op diverse punten verschil in geloofs-beleving en in kerk-zijn, maar in wie ik een aimabele man trof die ik zijn Maria-devotie gun. We hadden bv. wél allebei fijne ervaring opgedaan met de oecumenische Taizé-jongeren-ontmoeting in Brussel. -Ook een Pinkster-gelovige jonge man met wie ik niet alleen maar -voor mijn gevoel simpele- halleluja-liedjes kan zingen, maar met wie het wel heel plezierig was om jaarlijks in januari een oecumenische dienst te organiseren in de Week van gebed voor eenheid van de christenen. -Een groep Assyrische christenen in onze kerk die een heel andere liturgie gewend waren in hun oosters-orthodoxe dorpskerk in het oosten van Turkeye -niet ver van Syrië-, maar die wel heel erg meelevend waren in de westerse kerk waar ze terecht gekomen waren -op de vlucht voor het Turkse leger-.
Grote diversiteit, verscheidenheid, maar er was bereidheid elkaars verhaal te horen, er groeide samenwerking -juist door elkaars eigenheid te respecteren. Wat mij betreft: met toewijding en geduld is verzoening mogelijk. (En het is ook nodig; de tijd en omstandigheden vragen om betrouwbare kerken, c.q. geloofsgemeenschappen. Dat ze wáar maken wat ze belijden.)
Als ik zeg, als wij-als-kerk zeggen te geloven, bv., dat Jezus ‘zoon van God’ is, dan bedoel ik dat in deze mens op ultieme wijze God te herkennen is, voor mij; in navolging van dat het volk Israel in de bijbel zoon van God genoemd wordt (Ex 4:22 ‘Dan moet u tegen de farao zeggen: Zo zegt JHWH, God de Heer: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël’.)
Het gaat er om als volk- en ook als persoon- te tonen wie God is, of eigenlijk ‘geloof-waardig’ te leven, want dat biedt toekomst -voor ieder.
De vraag of je dat ‘zoon-van-God’ van Jezus nou biologisch moet uitleggen, dat heeft het alleen maar -onnodig- ingewikkeld gemaakt. Want dan zegt er iemand: ‘dat kan ik niet meer geloven, hoor’. En dan zegt ‘n ander: ‘ja, maar dat mag je niet betwijfelen’.
En dan denk ik: laat je nou in oorlogstijd niet verleiden door de slang tot de discussie of-ie nou wel of niet gesproken heeft.
De PKN zegt: In haar vieren, haar spreken en haar handelen belijdt de Protestantse Kerk in elke tijd en in elke situatie opnieuw dat Jezus Christus Heer en Verlosser van de wereld is.
Zo roept ze op tot vernieuwing van het leven in cultuur, maatschappij en staat. De Protestantse Kerk doet dit in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht. Die zijn o.m. verwoord in de Apostolische geloofsbelijdenis. De kerk erkent de betekenis van de Theologische Verklaring van Barmen voor het belijden in het heden.
Nog even iets over de Apostolische geloofsbelijdenis. Het is de benaming voor ‘de twaalf artikelen van het onbetwijfeld christelijk geloof '. Deze belijdenis zoals wij die nu kennen, heeft haar oorsprong in de kerk van Rome, de Westerse; ze is dus van na de scheiding in 1054 tussen de oosterse, Byzantijnse kerk en de kerk van Rome.
Om aan de belijdenis apostolisch gezag te verlenen, bestond de legende dat de apostelen, voordat ze begonnen hun zendings-opdracht uit te voeren, eerst in Jeruzalem bij elkaar kwamen om samen een belijdenis op te stellen. Elke apostel zou een artikel bijgedragen hebben en het resultaat zou de normatieve leer voor de zendingsverkondiging bevatten.
In werkelijkheid is de ‘apostolische’ geloofsbelijdenis gegroeid uit de korte doopbelijdenissen die in de belangrijkste christelijke centra (zoals Rome, Caesarea en Antiochië) ontstaan waren.
Voorzover wij weten, is er nooit een concilie of synode over de Apostolische Geloofs-belijdenis gehouden. Een plaatselijke bisschop was vrij om de variant van zijn voorganger te handhaven, te veranderen of uit te breiden.
Ook als men woordelijk niet hetzelfde beleed, deed men toch dezelfde belijdenis. In de liturgie ging er wel de zogenoemde ‘verzaking van de duivel’ aan vooraf.
De drie formulieren van enigheid. Dit zijn belijdenisgeschriften uit de zestiende en zeven-tiende eeuw in de Nederlandse kerken van de reformatie: De Nederlandse geloofsbelijdenis (1561), de Heidelbergse catechismus (1563) en de Dordtse leerregels (1618-19).
De Nederlandse Geloofsbelijdenis, of Confession de Foy, is de oudste van de drie formulieren. Zij werd opgesteld door Guido de Brès, naar het model van de Franse geloofs-belijdenis van 1559. De Latijnse aanduiding Confessio Belgica herinnert aan haar afkomst uit de zuidelijke Nederlanden.
In een uiterst gespannen situatie, waarin de niet-katholieken door de overheid vervolgd werden, wilde de opsteller de gereformeerde leer uiteenzetten en zich daarbij van de revo-lutionair-gezinden distantiëren.
Vanwege onoverkomelijke bezwaren tegen de in de Ned. Geloofsbelijdenis geformuleerde visie op de overheidstaak (weren en uitroeien van afgoderij en valse godsdienst) zetten de Gereformeerde Kerken in 1905 een gedeelte van het 36ste artikel tussen haakjes.
Anderen in de gereformeerde gezindte willen daaraan blijven vasthouden. Zo beroept de SGP zich in haar beginselprogram uitdrukkelijk op artikel 36.
Dit jaar is het 400 jaar geleden dat de Dordtse Synode bij elkaar kwam. Een internationaal gezelschap van protestantse theologen ging daar in gesprek over een verschil van mening in de Nederlandse kerken. De spanningen rond dit verschil waren zo hoog opgelopen dat een burgeroorlog dreigde, en dat terwijl men ook met Spanje nog in oorlog was.
Waar ging het over in Dordt? Wat was dat voor een kwestie die de gemoederen zo kon verhitten?
Theologisch gezien ging het om de vraag: Is geloof een menselijke keuze, of is het een gave van God? Of, om het in woorden van onze tijd te zeggen: Is geloof maakbaar?
Voor de mondige mens, die zich meer en meer van zijn mogelijkheden bewust begon te worden, was het verleidelijk om te zeggen dat geloof op een menselijke beslissing berust. Geloof als een overtuiging waarvoor men kiest, zoals men ook voor een beroep of – ethisch – voor een manier van leven kan kiezen. Een opvatting die ook in de Nederlanden breed werd en wordt aangehangen.
Deze gedachte, in zijn consequenties doorgetrokken, riep niet alleen instemming, maar ook verzet op. Natuurlijk is geloven kiezen voor God, maar is geloof niet méér dan een menselijke keuze? Is geloof niet – net als liefde – iets dat ons overkómt? Iets waar je je zelf over ver-wondert? Ja, natuurlijk volgt daar ook een keuze op. Liefde is ook kiezen voor je geliefde. Maar het diepste, dat wat aan die keuze voorafgaat, is een geheim waar je geen greep op krijgt.
Goed, een resumé: De Heidelbergse Catechismus, een kerkelijk leerboekje uit de zestiende eeuw, stelt aan individuen vragen en geeft antwoorden.
Bv. Hoe ben je rechtvaardig voor God? (vraag 60). Antwoord: alleen door te geloven in Jezus Christus’.
En dan moet ik bekennen (mijn geweten zegt dat), dat ik een mens ben met goed én met kwaad. Ik kan bijvoorbeeld Gods geboden gemakkelijk naast me neerleggen en m'n eigen zin doordrijven, met alle ellendige gevolgen van dien -voor mijzelf en voor anderen-. Maar God geeft mij toch telkens weer een nieuw begin. Zo leer ik van de opstanding van Jezus Christus. God maakt een nieuw begin mogelijk. Zelfs door de dood heen.
Waarom is dit groots? Omdat hier over geloven gesproken wordt vanuit het ‘en toch’. Menselijkerwijs gezien is er geen uitweg, en tóch ..!
Dit is helemaal op het individu geformuleerd. De Accra-verklaring belijdt hetzelfde voor de samenleving. Groepen individuen, mensen-samen, organisaties, de samenleving, het gangbaar economisch stelsel, ze gaan/gaat/is regelmatig, of zelfs volledig in de fout, met alle gevolgen van dien. (Zie je wel: ‘tot niets goeds in staat’.)
En toch geloven we dat verandering mogelijk is -in ons vertrouwen op God, die bijzondere God-.
Is het moment van verzet bieden wellicht opnieuw aangebroken? Ja, zeggen 23 christelijke leiders -van meerdere kerken- in de Verenigde Staten. Onder de titel Reclaiming Jesus (‘Jezus opnieuw opeisen’) publiceerden zij dit voorjaar hun ‘geloofsbelijdenis in een tijd van crisis’. De verklaring verwijst naar ML King en ademt de geest van verzet: “Jezus is Heer. Dat is wat wij ten diepste belijden. Deze belijdenis vormde het middelpunt van de vroege kerk en moet ook voor ons opnieuw het middelpunt worden. Wanneer Jezus Heer is, dan was Caesar dat niet – evenmin als welke andere wereldse leider sindsdien.”
De opstellers van de verklaring vatten de christelijke geloofsbelijdenis samen in zes stellingen en laten elke stelling gepaard gaan met een verwerping van haar tegendeel. Ja, als christenen geloven we in het belang van de waarheid, weten we dat we geen vals getuigenis mogen af-leggen en ook dat de waarheid ons zal bevrijden, aldus een van de stellingen. “Daarom ver-werpen we de praktijk en het patroon van de leugen die ons politieke en sociale leven binnen-dringt. (…) De normalisatie van de leugen vormt een diep moreel gevaar voor het weefsel van de samenleving.”
En ja, als christenen zijn we geroepen tot wereldwijde bekeringsijver. -Niet omdat wíj een woord voor de wereld hebben, maar omdat God een Woord voor de wereld heeft-. En juist dáarom, zo zeggen de Amerikaanse geestelijken, vormt de leuze ‘Amerika eerst’ een theo-logische ketterij. Zij verwerpen met kracht vreemdelingenhaat en nationalisme dat het ene volk boven het andere plaatst. God schiep de mensen naar zijn beeld en gelijkenis. Dus kan er geen ruimte zijn voor racisme. Omdat allen één lichaam in Christus vormen, zijn ver-krachting, misbruik en achterstelling van vrouwen uit den boze. En omdat God solidair is met de armen, moeten wij dat ook zijn.
Reclaiming Jesus noemt geen namen. Dat hoeft ook niet omdat overduidelijk is tegen welke ‘Caesar’ van onze dagen men zich richt.
Het zijn -spijtig genoeg- juist evangelicalen die de achterban vormen van deze president; en ook -we zagen het afgelopen zondag- van de nieuw-verkozen president in Brazilië. De op-stellers van Reclaiming Jesus spreken hen met name toe (website reclaimingjesus.org).
Mijn stelling nu: Mij lijkt in onze wereld een ‘religie’ gangbaar geworden die bestaat uit een combinatie van naïef vooruitgangsgeloof en van de afgoderij die ons verlekkert met de slogan ‘laat de onzichtbare hand van de markt z’n gang maar gaan, dan zal alles goed komen’.
(We denken dat we barbarij en racisme en homohaat als iets achterlijks overwonnen hadden ... Maar de ernstige vraag, wat mij betreft, is: Wie, of wat, is de heersende God, of afgod?
Hoe actueel zijn belijdenissen van de kerk? En van persoonlijke gelovigen?
Wat is er in het leven van nu, van jou, van ons, waarbij je zegt/waarbij we als kerken samen zeggen: ‘en toch geloof ik/geloven wij ...’
Inleiding 30 okt. 2018. St Laurens (met dank aan collega's).
dinsdag 30 oktober 2018
Nomade, gesettelde, de overvloedige zal dienstbaar zijn aan de geringere
Bij Genesis 25: 19-34.
Het verhaal van Esau en Jakob gaat eigenlijk over hun ouders, én over hun nakomelingen. Over hoe twee heel verschillende mensen maar moeten zien hoe ze het met elkaar rooien. Over de teleurstellingen, en over de hoop dat het de kinderen beter zal vergaan.
Esau en Jakob, de twee zo verschillende tweelingbroers, zijn gedoemd tot het vervullen van de verwachtingen van hun ouders.
Het gaat over list en bedrog, over de geschiedenis naar je hand zetten, over tegen elkaar uit-spelen. De tragiek van een mensenleven.
Misschien ontmoeten we in Rebekka en Isaak en hun gezin mensen zoals we die overal ontmoeten, mensen als wijzelf: mensen met verlangens en met angsten, mensen met sterke kanten en met onvermogens, mensen met een beetje geluk en met innerlijke strijd, mensen die niets te kiezen hebben. Elk van hen, elk van ons zoekt naar Gods hand in hun bestaan, en elk meent die te herkennen.
Misschien is het steeds zo dat mensen van generatie op generatie leren wat leven is, leren wat onze bestemming is; én is het zo dat God, de Eeuwige, ons juist daar nabij is.
Het gaat er misschien om hoe we ‘erfgenaam’ van God kunnen worden, naar Zijn beeld en gelijkenis?
Het verhaal staat in de geschriften die het volk Israel zelf gehoord heeft toen ze in ballingschap was in Babylonie.
Het Toraboek Genesis vertelt aan Israel hoe zij ooit volk geworden zijn, volk van God. Het gaat over de rode draad van het grote verhaal van God met zijn volk, de kinderen van Abraham: hoe vergaat het hen, hoe worden zij tot ‘volk van God’?
Deze verhalen hebben hen nieuw inzicht gegeven. En met dat nieuwe inzicht hebben zij het leven in de ballingschap volgehouden én zijn ze weer 'nieuw' volk van God geworden.
Hoe kunnen wij erfgenaam van God worden? Hoe kan een mens in haar leven uitbeelden waar ze vandaan komt, hoe kan een volk -opnieuw- God voorleven?
Het verhaal gaat over rondtrekkende herders en over landbouwers. Het is een verhaal over een nomadische veehoudersstam en een gevestigde akkerbouwersstam.
Esau staat voor de rondtrekkende nomade en Jakob is de gesettelde landbouwer.
En tevens is het het verhaal van meerdere stammen die eenheid onder éen God hebben gevonden. Israel is een samensmelting van meerdere nomadenstammen uit de woestijnen en cultuurgebieden van Palestina. Sommige stammen waren éerder gevestigd als landbouwers dan andere stammen. Een strijd om bestaansmiddelen tussen de nieuwe akkerbouwers en de traditionele herdernomaden hing samen met die ontwikkelingen.
En in dit verhaal hoort Israel -en horen wij- aanwijzingen voor haar en onze toekomst, als ‘Godsvolk’.
De wording van Israel tot volk, volk van God, is een geschiedenis niet van zelf-ontwikkeling, maar van steeds nieuwe kansen krijgen. Wat Israel in Babylonie zichzelf met dit verhaal en met de andere wordingsverhalen, duidelijk wil maken, is dat zij in hun geschiedenis steeds aanwijzingen zien waar God hen nieuwe kansen heeft gegeven.
En die aanwijzingen kunnen ook wij nú gebruiken.
Israel, de eerstgeborene van God, mag steeds opnieuw beginnen. Hoe beroerd ze het voor zichzelf ook maken, steeds is er -van Godswege- nieuwe beweging, nieuwe wording, nieuwe schepping, 'leven na de dood'.
Er is een weg uit slavernij, er is een weg uit ballingschap, en ook de dood is niet het einde.
Van Abraham gaat het verhaal over op Isaak; hij is de volgende drager van de zegen. Wel wordt -bij het graf van Abraham- Ismaël apart genoemd, naast Isaak. De eerstgeborene naast nummer twee; de 'natuurzoon' naast de 'genadezoon'. De rollen worden niet naar het geijkte, natuurlijke of gegroeide patroon verdeeld; Gód is het die het patroon bepaalt.
En volgens mij heeft Luther dat in zíjn tijd ook gezien. Het is niet het menselijk instituut kerk dat vast kan stellen wie zondig is óf behouden zal worden.
Maar of wij protestanten nu nog steeds kunnen beweren dat wij dus over de beste papieren beschikken om te kunnen zeggen dat wij de ware erfgenamen zijn, dat valt te bezien. Zijn het wel de kerkelijken die mogen bepalen wat werkelijk gelovig-zijn inhoudt?
Welke nieuwe kansen worden ons geboden?
Het eerstgeboorterecht is bij God niet vanzelfsprekend, of 'natuurlijk'; en in de geschiedenis van Isaaks zonen tekent zich dat af. Zo blijkt de stammoeder Rebekka, evenals Sara, onvruchtbaar. En ook hier wil dat zeggen dat niets uit het 'natuurlijk' verloop kan worden afgeleid, of dat wij mensen dan wel even mogen régelen wat wij als ´natuurlijk´ zien. Nee, het is Gód van wie we toekomst mogen verwachten, mits we zijn aanwijzingen volgen.
Al aan het begin van het verhaal wordt verteld dat het om twee volken zal gaan, waarvan de meeste de zwakste zal dienen (vs.23).
Rondom Esau worden toespelingen gemaakt om een beeld van hem te vormen; op zijn uiterlijk, dat 'rossig' is: in het Hebreeuws: 'edom'; en het 'rode' van de soep waar hij om vraagt. Het woord rood/rodig hangt samen met het Hebreeuwse woord 'adamah', de aarde, waaruit de 'adam' geformeerd is. Bovendien wordt Esau beschreven als een 'harige' mantel (vs 25); het is een woordspeling op de landstreek Seïr (= vacht, 32, 3), waar hij zijn woongebied zal hebben -te midden van de bedoeïenen met hun tenten gemaakt van runderhuiden.
Ook Jakob komt in het verhaal duidelijk in beeld. Uit zijn naam 'hiel' moet al blijken dat hij van vóór zijn geboorte een 'hielelichter' is. (Daarin kunnen we overigens ook een mooie associatie horen met een scheper die een schaap pootje haakt om te voorkomen dat die van het pad afwijkt.)
Het doorbréken van het 'natuurrecht', van Gods eerstgeboorterecht, gaat met pijn gepaard en het is niet zomaar eenduidig goed óf verkeerd. Maar het verhaal verbloemt niet dat Israël op niet zo'n fraaie wijze daaraan is gekomen. Het volk zal dus -opnieuw- moeten leren samen-leven.
God heeft een belofte gegeven, aan Abraham, maar dat betekent nog niet dat de toekomst
van nature zal gebeuren. Twintig jaar moeten ze wachten, Izaak en Rebecca, op hun kinderen.
Dat lijkt een rode draad te zijn door Genesis: die van de onvruchtbare huwelijken. Ook al is er de belofte, ook al is er die sterke vrouw, Rebecca, -zij koos voor Izaak, en daarmee voor Gods belofte van de toekomst-, maar toch gaat het niet vanzelf: één volk, één land, één opdracht om met God te leven.
Gods toekomst vereist een samenspel tussen God en mensen, maar dan wel een samenspel volgens Gods aanwijzingen.
En als er dan twéé aan het vechten zijn, hoe moet dat dan verder?
Aan het volk Israël wordt geleerd dat ze verwant is met de volken om haar heen, waarmee ook zo vaak gevochten zal worden. Maar naar de Thora blijkt dat God oog heeft voor die éne, die niet zo vanzelfsprekend aan zijn recht kan komen.
Als we weten dat het eerstgeboorterecht in de stam betekent dat je twee keer zoveel zult erven als je broer, dan is het niet waarschijnlijk dat je dat verkoopt voor een bord soep. Zo dom zal Ezau ook niet geweest zijn.
Ezau vraagt om te mogen eten van dat rode, dat rode daar.
Ezau was degene die er op uit trok, op jacht ging, en niets met de akkers te maken had
In ieder geval vraagt Ezau om een plaats naast Jacob, naast het rode .. van de akker.
Want goed beschouwd had Jacob toen al, economisch gezien de betere positie voor de toekomst.
Het leven van een nomade was onzekerder dan het leven van iemand die zorg droeg voor de kuddes en de akkers -nog wel in tenten, maar op een vaste plaats.
En Ezau wil in dat leven delen. Dat ligt achter zijn vraag om te mogen eten, van dat rode.
En wat doet Jacob, die licht hem een hiel..
Twee volken .., hoe herkenbaar. En hoe tragisch ook ..
De Naardense vertaling biedt hier wel een mooie inkijk vind ik: de overvloedige zal dienstbaar zijn aan de geringere ...
Vond ik wel een eyeopener ..., want welke van de twee is dan de overvloedige, hij met de tweederde erfenis of hij met de betere economische vooruitzichten?
In onze tijd zouden we ons daar iets als het volgende bij kunnen voorstellen: bij al die nieuwe ontwikkelingen in de maatschappij, nieuwe technologieën, informatica (waar mensen in hun dagelijkse zorg-om-levensonderhoud met elkaar geconfronteerd worden), daar zie jij kansen voor jezelf om binnen de kortste keren 'binnen' te zijn, eventueel ten koste van anderen; van 'al diegenen die maar lui zijn, of illegaal', b.v.
Je laat je verleiden om je af te zetten tegen willekeurige groepen medemensen. Je laat je verleiden anderen zelfverantwoordelijk te laten voor alles wat er bij hen niet goed gaat. En je offert ze gewoon op.
Je laat je verleiden, want ook keurige politieke leiders doen mee in het onderscheid maken tussen volk en Gods-volk.
Nee, zegt God, alle volk is mijn volk.
En vervolgens wil dat níet zeggen dat jij, Jakob, die valt voor de verleiding van de uitsluiting, de verleiding van de afgod, dat jij voor mij, voor God, bent afgeschreven.
Maar daar gaat het niet alleen om: temidden van al die heftigheid van emoties, van boosheid en botsingen, klinkt ook de vraag van Rebekka: ´als het zo moet, waarom leef ik dan?´, de vraag aan God, de God die toekomst belooft -Zijn toekomst.
Heel dat ingewikkelde probleem van strijd en ruzie wordt in een goddelijk licht geplaatst.
En dan klinkt daar als antwoord: de overvloedige zal dienstbaar zijn aan de geringere!
Daar ligt het antwoord op het probleem van de volkenruzie. Want er is dus een uitweg. Dit is de aanwijzing.
Er staat niet dat de laatste de eerste zal zijn. Of omgekeerd. Maar dat de overvloedige dienstbaar zal zijn aan de geringere.
Zolang beide broers de aardse overvloed voor zichzelf willen hebben, is er geen uitweg uit het conflict.
En beide broers hebben nog een lange weg te gaan. Jacob heeft door schade en schande moeten leren. Hij werd zelf bedrogen en kwam uiteindelijk in gevecht met zichzelf en met God. Pas daarna, en zo zie je maar dat de bijbel geen instant-oplossingen aanbiedt, zien we dat Jacob eindelijk dienaar kan zijn voor Ezau. Hij buigt zevenmaal voor Ezau en noemt zich dienaar.
Maar ook Ezau erkent dat hij overvloed heeft en daarom wíl hij Jacob niet als dienaar.
En zo verzoenen beide broers zich.
Uiteindelijk een happy end. Maar het is wel een einde dat niet gemakkelijk voor de hand ligt.
Beide broers hebben een lange weg te gaan, maar verzoening ís mogelijk, zodra je je afvraagt
‘waarom ben ik hier en waartoe ben ik op weg?
´Als het zo moet, waarom leef ik dan?´ Dat is de diepste vraag in ons leven.
Heeft het aardse goed míj vooral wat te bieden, of heeft God ons samen wat te bieden?
God biedt toekomst. Niet toekomst voor een, ten koste van anderen. Gods toekomst is voor ieder. We winnen er zélf bij, door dienaar van onze broeders te zijn.
Tot slot: We zijn begonnen bij ballingschap, we passeerden ook de reformatorische vraag naar ons behoud en we komen uit bij toekomstperspektief.
Er zal dus toekomst zíjn, bij God! Daar mogen we -nog steeds en opnieuw- op vertrouwen. We hóeven niet onze toevlucht te zoeken tot andere goden, afgoden die ons tot sluwheid verleiden.
Ben je op zoek naar werk -voor je levensonderhoud, zoek dan werk waar je je medemens recht in de ogen kunt kijken. Je medemens in dat bedrijf én je medemens in een nog traditionele wijze van voorzien-in-je-levensonderhoud.
Of je nu in de informatisering werkt of in de landbouw, in een illegaal naaiatelier, in welke werksoort dan ook, het moet erom gaan dat mensen er het recht hebben hun brood te verdienen, mét beleg!
Uit onszelf lukt het kennelijk niet om ons dáar bij te houden.
Welnu. God stáat er voor! Hij is onze vaste burcht. Mensen beginnen pas echt te leven als ze durven leven van genade, het vrije geschenk van God die zichzelf meedeelt; dat is de erfenis die van Abraham via Jezus bij ons is terecht gekomen.
We hebben -steeds opnieuw- de kans om dat eerstgeboorterecht aan te nemen en er van te léven, echt te leven, samen-leven. (met dank aan collega's)
Het verhaal van Esau en Jakob gaat eigenlijk over hun ouders, én over hun nakomelingen. Over hoe twee heel verschillende mensen maar moeten zien hoe ze het met elkaar rooien. Over de teleurstellingen, en over de hoop dat het de kinderen beter zal vergaan.
Esau en Jakob, de twee zo verschillende tweelingbroers, zijn gedoemd tot het vervullen van de verwachtingen van hun ouders.
Het gaat over list en bedrog, over de geschiedenis naar je hand zetten, over tegen elkaar uit-spelen. De tragiek van een mensenleven.
Misschien ontmoeten we in Rebekka en Isaak en hun gezin mensen zoals we die overal ontmoeten, mensen als wijzelf: mensen met verlangens en met angsten, mensen met sterke kanten en met onvermogens, mensen met een beetje geluk en met innerlijke strijd, mensen die niets te kiezen hebben. Elk van hen, elk van ons zoekt naar Gods hand in hun bestaan, en elk meent die te herkennen.
Misschien is het steeds zo dat mensen van generatie op generatie leren wat leven is, leren wat onze bestemming is; én is het zo dat God, de Eeuwige, ons juist daar nabij is.
Het gaat er misschien om hoe we ‘erfgenaam’ van God kunnen worden, naar Zijn beeld en gelijkenis?
Het verhaal staat in de geschriften die het volk Israel zelf gehoord heeft toen ze in ballingschap was in Babylonie.
Het Toraboek Genesis vertelt aan Israel hoe zij ooit volk geworden zijn, volk van God. Het gaat over de rode draad van het grote verhaal van God met zijn volk, de kinderen van Abraham: hoe vergaat het hen, hoe worden zij tot ‘volk van God’?
Deze verhalen hebben hen nieuw inzicht gegeven. En met dat nieuwe inzicht hebben zij het leven in de ballingschap volgehouden én zijn ze weer 'nieuw' volk van God geworden.
Hoe kunnen wij erfgenaam van God worden? Hoe kan een mens in haar leven uitbeelden waar ze vandaan komt, hoe kan een volk -opnieuw- God voorleven?
Het verhaal gaat over rondtrekkende herders en over landbouwers. Het is een verhaal over een nomadische veehoudersstam en een gevestigde akkerbouwersstam.
Esau staat voor de rondtrekkende nomade en Jakob is de gesettelde landbouwer.
En tevens is het het verhaal van meerdere stammen die eenheid onder éen God hebben gevonden. Israel is een samensmelting van meerdere nomadenstammen uit de woestijnen en cultuurgebieden van Palestina. Sommige stammen waren éerder gevestigd als landbouwers dan andere stammen. Een strijd om bestaansmiddelen tussen de nieuwe akkerbouwers en de traditionele herdernomaden hing samen met die ontwikkelingen.
En in dit verhaal hoort Israel -en horen wij- aanwijzingen voor haar en onze toekomst, als ‘Godsvolk’.
De wording van Israel tot volk, volk van God, is een geschiedenis niet van zelf-ontwikkeling, maar van steeds nieuwe kansen krijgen. Wat Israel in Babylonie zichzelf met dit verhaal en met de andere wordingsverhalen, duidelijk wil maken, is dat zij in hun geschiedenis steeds aanwijzingen zien waar God hen nieuwe kansen heeft gegeven.
En die aanwijzingen kunnen ook wij nú gebruiken.
Israel, de eerstgeborene van God, mag steeds opnieuw beginnen. Hoe beroerd ze het voor zichzelf ook maken, steeds is er -van Godswege- nieuwe beweging, nieuwe wording, nieuwe schepping, 'leven na de dood'.
Er is een weg uit slavernij, er is een weg uit ballingschap, en ook de dood is niet het einde.
Van Abraham gaat het verhaal over op Isaak; hij is de volgende drager van de zegen. Wel wordt -bij het graf van Abraham- Ismaël apart genoemd, naast Isaak. De eerstgeborene naast nummer twee; de 'natuurzoon' naast de 'genadezoon'. De rollen worden niet naar het geijkte, natuurlijke of gegroeide patroon verdeeld; Gód is het die het patroon bepaalt.
En volgens mij heeft Luther dat in zíjn tijd ook gezien. Het is niet het menselijk instituut kerk dat vast kan stellen wie zondig is óf behouden zal worden.
Maar of wij protestanten nu nog steeds kunnen beweren dat wij dus over de beste papieren beschikken om te kunnen zeggen dat wij de ware erfgenamen zijn, dat valt te bezien. Zijn het wel de kerkelijken die mogen bepalen wat werkelijk gelovig-zijn inhoudt?
Welke nieuwe kansen worden ons geboden?
Het eerstgeboorterecht is bij God niet vanzelfsprekend, of 'natuurlijk'; en in de geschiedenis van Isaaks zonen tekent zich dat af. Zo blijkt de stammoeder Rebekka, evenals Sara, onvruchtbaar. En ook hier wil dat zeggen dat niets uit het 'natuurlijk' verloop kan worden afgeleid, of dat wij mensen dan wel even mogen régelen wat wij als ´natuurlijk´ zien. Nee, het is Gód van wie we toekomst mogen verwachten, mits we zijn aanwijzingen volgen.
Al aan het begin van het verhaal wordt verteld dat het om twee volken zal gaan, waarvan de meeste de zwakste zal dienen (vs.23).
Rondom Esau worden toespelingen gemaakt om een beeld van hem te vormen; op zijn uiterlijk, dat 'rossig' is: in het Hebreeuws: 'edom'; en het 'rode' van de soep waar hij om vraagt. Het woord rood/rodig hangt samen met het Hebreeuwse woord 'adamah', de aarde, waaruit de 'adam' geformeerd is. Bovendien wordt Esau beschreven als een 'harige' mantel (vs 25); het is een woordspeling op de landstreek Seïr (= vacht, 32, 3), waar hij zijn woongebied zal hebben -te midden van de bedoeïenen met hun tenten gemaakt van runderhuiden.
Ook Jakob komt in het verhaal duidelijk in beeld. Uit zijn naam 'hiel' moet al blijken dat hij van vóór zijn geboorte een 'hielelichter' is. (Daarin kunnen we overigens ook een mooie associatie horen met een scheper die een schaap pootje haakt om te voorkomen dat die van het pad afwijkt.)
Het doorbréken van het 'natuurrecht', van Gods eerstgeboorterecht, gaat met pijn gepaard en het is niet zomaar eenduidig goed óf verkeerd. Maar het verhaal verbloemt niet dat Israël op niet zo'n fraaie wijze daaraan is gekomen. Het volk zal dus -opnieuw- moeten leren samen-leven.
God heeft een belofte gegeven, aan Abraham, maar dat betekent nog niet dat de toekomst
van nature zal gebeuren. Twintig jaar moeten ze wachten, Izaak en Rebecca, op hun kinderen.
Dat lijkt een rode draad te zijn door Genesis: die van de onvruchtbare huwelijken. Ook al is er de belofte, ook al is er die sterke vrouw, Rebecca, -zij koos voor Izaak, en daarmee voor Gods belofte van de toekomst-, maar toch gaat het niet vanzelf: één volk, één land, één opdracht om met God te leven.
Gods toekomst vereist een samenspel tussen God en mensen, maar dan wel een samenspel volgens Gods aanwijzingen.
En als er dan twéé aan het vechten zijn, hoe moet dat dan verder?
Aan het volk Israël wordt geleerd dat ze verwant is met de volken om haar heen, waarmee ook zo vaak gevochten zal worden. Maar naar de Thora blijkt dat God oog heeft voor die éne, die niet zo vanzelfsprekend aan zijn recht kan komen.
Als we weten dat het eerstgeboorterecht in de stam betekent dat je twee keer zoveel zult erven als je broer, dan is het niet waarschijnlijk dat je dat verkoopt voor een bord soep. Zo dom zal Ezau ook niet geweest zijn.
Ezau vraagt om te mogen eten van dat rode, dat rode daar.
Ezau was degene die er op uit trok, op jacht ging, en niets met de akkers te maken had
In ieder geval vraagt Ezau om een plaats naast Jacob, naast het rode .. van de akker.
Want goed beschouwd had Jacob toen al, economisch gezien de betere positie voor de toekomst.
Het leven van een nomade was onzekerder dan het leven van iemand die zorg droeg voor de kuddes en de akkers -nog wel in tenten, maar op een vaste plaats.
En Ezau wil in dat leven delen. Dat ligt achter zijn vraag om te mogen eten, van dat rode.
En wat doet Jacob, die licht hem een hiel..
Twee volken .., hoe herkenbaar. En hoe tragisch ook ..
De Naardense vertaling biedt hier wel een mooie inkijk vind ik: de overvloedige zal dienstbaar zijn aan de geringere ...
Vond ik wel een eyeopener ..., want welke van de twee is dan de overvloedige, hij met de tweederde erfenis of hij met de betere economische vooruitzichten?
In onze tijd zouden we ons daar iets als het volgende bij kunnen voorstellen: bij al die nieuwe ontwikkelingen in de maatschappij, nieuwe technologieën, informatica (waar mensen in hun dagelijkse zorg-om-levensonderhoud met elkaar geconfronteerd worden), daar zie jij kansen voor jezelf om binnen de kortste keren 'binnen' te zijn, eventueel ten koste van anderen; van 'al diegenen die maar lui zijn, of illegaal', b.v.
Je laat je verleiden om je af te zetten tegen willekeurige groepen medemensen. Je laat je verleiden anderen zelfverantwoordelijk te laten voor alles wat er bij hen niet goed gaat. En je offert ze gewoon op.
Je laat je verleiden, want ook keurige politieke leiders doen mee in het onderscheid maken tussen volk en Gods-volk.
Nee, zegt God, alle volk is mijn volk.
En vervolgens wil dat níet zeggen dat jij, Jakob, die valt voor de verleiding van de uitsluiting, de verleiding van de afgod, dat jij voor mij, voor God, bent afgeschreven.
Maar daar gaat het niet alleen om: temidden van al die heftigheid van emoties, van boosheid en botsingen, klinkt ook de vraag van Rebekka: ´als het zo moet, waarom leef ik dan?´, de vraag aan God, de God die toekomst belooft -Zijn toekomst.
Heel dat ingewikkelde probleem van strijd en ruzie wordt in een goddelijk licht geplaatst.
En dan klinkt daar als antwoord: de overvloedige zal dienstbaar zijn aan de geringere!
Daar ligt het antwoord op het probleem van de volkenruzie. Want er is dus een uitweg. Dit is de aanwijzing.
Er staat niet dat de laatste de eerste zal zijn. Of omgekeerd. Maar dat de overvloedige dienstbaar zal zijn aan de geringere.
Zolang beide broers de aardse overvloed voor zichzelf willen hebben, is er geen uitweg uit het conflict.
En beide broers hebben nog een lange weg te gaan. Jacob heeft door schade en schande moeten leren. Hij werd zelf bedrogen en kwam uiteindelijk in gevecht met zichzelf en met God. Pas daarna, en zo zie je maar dat de bijbel geen instant-oplossingen aanbiedt, zien we dat Jacob eindelijk dienaar kan zijn voor Ezau. Hij buigt zevenmaal voor Ezau en noemt zich dienaar.
Maar ook Ezau erkent dat hij overvloed heeft en daarom wíl hij Jacob niet als dienaar.
En zo verzoenen beide broers zich.
Uiteindelijk een happy end. Maar het is wel een einde dat niet gemakkelijk voor de hand ligt.
Beide broers hebben een lange weg te gaan, maar verzoening ís mogelijk, zodra je je afvraagt
‘waarom ben ik hier en waartoe ben ik op weg?
´Als het zo moet, waarom leef ik dan?´ Dat is de diepste vraag in ons leven.
Heeft het aardse goed míj vooral wat te bieden, of heeft God ons samen wat te bieden?
God biedt toekomst. Niet toekomst voor een, ten koste van anderen. Gods toekomst is voor ieder. We winnen er zélf bij, door dienaar van onze broeders te zijn.
Tot slot: We zijn begonnen bij ballingschap, we passeerden ook de reformatorische vraag naar ons behoud en we komen uit bij toekomstperspektief.
Er zal dus toekomst zíjn, bij God! Daar mogen we -nog steeds en opnieuw- op vertrouwen. We hóeven niet onze toevlucht te zoeken tot andere goden, afgoden die ons tot sluwheid verleiden.
Ben je op zoek naar werk -voor je levensonderhoud, zoek dan werk waar je je medemens recht in de ogen kunt kijken. Je medemens in dat bedrijf én je medemens in een nog traditionele wijze van voorzien-in-je-levensonderhoud.
Of je nu in de informatisering werkt of in de landbouw, in een illegaal naaiatelier, in welke werksoort dan ook, het moet erom gaan dat mensen er het recht hebben hun brood te verdienen, mét beleg!
Uit onszelf lukt het kennelijk niet om ons dáar bij te houden.
Welnu. God stáat er voor! Hij is onze vaste burcht. Mensen beginnen pas echt te leven als ze durven leven van genade, het vrije geschenk van God die zichzelf meedeelt; dat is de erfenis die van Abraham via Jezus bij ons is terecht gekomen.
We hebben -steeds opnieuw- de kans om dat eerstgeboorterecht aan te nemen en er van te léven, echt te leven, samen-leven. (met dank aan collega's)
zondag 31 december 2017
Heil en zegen, bij welke 'God'?
Wat een vreugde, wat een mooie dingen krijgen we te horen en te zien vandaag, de 7e kerstdag!
Jesaja heeft, zo zegt hij letterlijk, een blijde boodschap te brengen.
En Lucas laat ons de vreugde zien van de eerste getuige die in het kind Jezus de zaligheid van God heeft gezien. (Uit de Profeten: Jesaja 61:10 - 62:3 en uit de Evangeliën: Lucas 2: 22-40)
Heel even kunnen we ons afvragen of deze boodschappen ook nu voor ons bedoeld zijn. Maar van Jesaja horen we het meteen: Zijn blijde boodschap is bedoeld voor zachtmoedigen, voor gebrokenen van hart, voor gevangenen en voor gebondenen, voor treurenden, voor treurenden van Sion en voor vreemdelingen.
Want, zo laat Jesaja weten: God, de Eeuwige, heeft het recht lief.
En Simeon -de eerste getuige van de messias- verklaart: dat God Zijn zaligheid bereid heeft 'voor het aangezicht van alle volken, een Licht tot verlichting voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israel'.
Ja, er is weldegelijk uitzicht op een toekomst van heil, ondanks dat we dat zo op het eerste gezicht in onze werkelijkheid niet zomaar kunnen waarnemen.
Ja, we mogen aannemen dat we voor verwachting van heil het beste bij déze God terecht kunnen. Bij deze God en níet bij andere!
De kerk leeft uit verwachting. Wij worden naar de toekomst geroepen.
‘En zie er was een man in Jeruzalem wiens naam was Simeon en deze man was rechtvaardig en Godvrezend en hij verwachtte de vertroosting van Israel en ‘de Heilige Geest was op hem'-net als op Jesaja-. En hij zou de messias zien voordat hij zou sterven.
Het is deze Simeon, deze 'rechtvaardige' -zoals hij genoemd wordt-, het is deze die de belofte- van-God-aan-zijn-volk voor een nieuwe generatie doorgeeft. Ook in deze tijd zal heil, Gods heil, zichtbaar worden.
Heel gewoon, een kind van het volk Israel wordt naar de tempel gebracht, het wordt binnen gedragen in de kring van het verbond, zoals men dat gewend is te doen.
Het messiaskind is een kind van het Verbond, zo laat Lucas ons weten. Zijn ouders doen net als andere Godvrezende Joden: In gehoorzaamheid aan de Tora-voorschriften stellen zij hun eerstgeborene ter beschikking van God de Eeuwige.
Twee representanten van Gods volk, rechtvaardig worden ze genoemd, zijn er getuige van dat met dit kind Jezus de heerlijkheid-van-God in de tempel verschijnt.
Waar zij al heel lang op hopen, gebeurt voor hun ogen. De Wetsgetrouwe Simeon en de profetes Anna zien Gods belofte in vervulling gaan.
En Simeon getuigt: Mijn ogen hebben uw heil gezien dat Ge bereid hebt voor het aangezicht van alle volken.
Heel nadrukkelijk wordt het hier gesteld: Gods heil is als licht tot openbaring voor de volken en het is heerlijkheid voor Gods volk.
Gods toekomst is nabij, niet slechts voor Israel, maar voor alle volken.
Gods toekomst was nabij voor het volk in ballingschap. Gods toekomst is opnieuw nabij 'voor allen die voor Jeruzalem verlossing verwachten'.
En Anna is kennelijk een vrouw die daarover kan meepraten.
Anna, een profetes, is 84 jaar oud en al heel lang weduwe. Van de 12x7 jaar is zij maar 1x7 jaar gehuwd geweest. En al die jaren, dagelijks, verstaat zij de kunst om te wachten zonder te wanhopen. Ze diende God onafgebroken, in de tempel, met vasten en bidden. Ze verliest niet de openheid voor het onverwachte verhoren van haar gebeden. Ze blijft Gods toekomst verwachten. Ze blijft leven uit verwachting.
Deze vrouw ziet in het kind Jezus hoop voor de toekomst. Zij neemt onmiddellijk de gelegenheid te baat om over God en Zijn heil te spreken, tot allen die voor Jeruzalem, voor het volk verlossing verwachten.
Maar, deze oude wijze mensen weten het zo goed. -zij zijn wijze mensen, deze wetgetrouwe en profetische representanten van Israel-: De geboorte van messias Jezus zal een wending in de wereldgeschiedenis teweeg brengen en zijn weg, werk en kruis betekenen hét kruispunt.
Simeon zegt: 'Zie, deze is gezet als val én opstanding van velen in Israel' en: 'hij zal een teken zijn dat weersproken wordt; en de overleggingen uit vele harten zullen openbaar worden'.
Met de openbaring van het heil in Jezus Christus zal ook de tegenwerking aan het licht komen. De komst van het nieuwe zal op verzet stuiten én pijn brengen voor wie er zich met hart en ziel voor inzet.
Laten we eerlijk zijn. In de tijd van de Romeinse overheersing zullen er zeker invloedrijke mensen in Israel zijn die 'overwegingen in hun hart' hebben hoe zij het beste hun eigen belangen veilig kunnen stellen.
Maar, onder meer ten behoeve van arme weduwen zoals Anna zullen dit soort overwegingen- in-vele-harten door de messias openbaar gemaakt worden.
Zo zal de messias hoop geven voor rechtelozen wiens belangen bij de héersende machten geschaad worden.
Laten we eerlijk zijn. De messias zal mensen vlóeren óf doen opstaan, zijn optreden zal 'onthullend' zijn.
En de eerste die dit te horen krijgt is de moeder.
Door je eigen ziel, moeder van alle gelovigen, zal een zwaard gaan.
We krijgen van God een vreugdevolle boodschap, maar die boodschap is tegelijk een o zo realistische.
Gods volk krijgt het opnieuw te horen. Haar uitverkiezing staat onder het voorteken 'dat dit volk tot zegen zal zijn van alle naties'. Uit haar eigen midden staat de messias op. En hij zal scheiding en onderscheiding der geesten te weeg brengen.
Dóor lijden, weerstand en dood heen gaat het naar leven. Níet er om-heen.
In Kerstsfeer willen we het ons allemaal wel romantisch en idyllisch voorstellen, maar Lucas haalt ons al weer uit de roes en laat zien dat Jezus' weg de weg is van offer en van inzet.
Gods volk zal een teken zijn van Zijn heilsgeschiedenis. De heilsgeschiedenis heeft te maken met lijden-voor-Gods-Zaak; heeft ook te maken met ergernis aan de Eeuwige en aan zijn Volk en aan zijn Gemeente -die het Rijk Gods dóet.
Zo'n weg vraagt geloof en geloofsgehoorzaamheid en dat geeft in de wereld en in ons leven vuurwerk en geknal. Want het moet gezegd: Heil is niet slechts voor een selecte groep, ten koste van anderen, maar God doet gerechtigheid ontspruiten voor het oog van álle volken.
Simeon zegt: 'Zie, deze is gezet als val en opstanding van velen in Israel' en: 'hij zal een teken zijn dat weersproken wordt; en de overleggingen uit vele harten zullen openbaar worden'. Onder meer ten behoeve van arme weduwen zoals Anna.
In Jesaja horen we twee keer dat het heil gebeuren zal voor het oog van de volken.
Heil, redding en gerechtigheid; Jesaja spreekt erover in de meest uitzichtloze situatie in Israels geschiedenis, de tijd van de ballingschap in Babylonië.
In de meest uitzichtloze situatie krijgt een volk te horen dat God Zijn toekomst van heil voor hen in petto heeft.
En het is éen en al opgetogenheid waarmee Jesaja deze boodschap doorgeeft:
Hij, God, heeft mij gezonden om een blijde boodschap te brengen aan zachtmoedigen,
om te verbinden gebrokenen van hart, om voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening der gevangenis; om uit te roepen een jaar van het welbehagen van de Eeuwige en een dag der wrake van onze God; om alle treurenden te troosten, om over de treurenden van Sion te beschikken dat men hun geve hoofdsieraad in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lof-gewaad in plaats van een kwijnende geest.
En men zal hen noemen: Terebinten der gerechtigheid, een planting van de Eeuwige, tot Zijn ver-heerlijking.
Ook voor nu mogen we hopen dat gemeenschappen van gelovige mensen voorbeeld zullen laten zien, gerechtigheid en vrede zullen doen.
‘Want zoals de aarde haar gewas voortbrengt en een hof zijn zaaisel doet uitspruiten, zo zal God, de Eeuwige, gerechtigheid en lof doen uitspruiten, voor het oog van alle volken.
Heil kómt er. Van déze God. Dat is zeker!
En waaróm zorgt deze God daar voor?: 'Want, zo zegt God zelf, ‘ik, JHWH, heb het recht lief'.
Deze God heeft het recht lief. Dáarom mogen we heil bij Hém verwachten.
En heel kort en krachtig krijgen we te horen waarom we heil níet bij andere machten hoeven te verwachten: Dáar is roof in het brand-offer te zien, dáar is on-waarheid in hun werk en dáar is níet sprake van een eeuwig verbond.
Het kan misschien zo líjken dat er ook bij hedendaagse verleidingen heil te verkrijgen is, bij de god van de zogenaamde vrijheid, bv., die zegt dat je vooral ‘voor jezelf' moet gaan, -en voor sommigen wordt dat op kórte termijn ook bevestigd- maar op den duur zal het roof blijken te zijn.
En als er in het afgelopen jaar éen voorbeeld is van roof, van 'werk van rechtvaardigheid géen kans geven', of zelfs dat tegenwerken, dan is dat: de macht van het geld gebruiken tegen mogelijk onderdak bieden aan vluchtelingen. Een leegstaand herenhuis met een aanlokkelijk bedrag wegkopen zodat het niet meer beschikbaar is.
We kunnen al jaren zeggen dat veel mensen in onze hedendaagse samenleving niet meer gelovig zijn, niet meer kerkelijk zijn, en we kunnen ook zeggen dat velen, waaronder wijzelf, iedere dag ons aangetrokken voelen tot de verleidingen van andere, moderne goden. En soms moeten we erkennen dat onder die goden afgoden schuilgaan en dat wij hun verlokkingen amper herkennen. Maar dat is nog bijna iets onschuldigs bij wat we dus ook zien: Bewust, openlijk, nadrukkelijk de absolute macht inzetten en gebruiken om eventuele werken van rechtvaardigheid onmogelijk te maken.
En wat we ook, enkele maanden geleden, weer openlijk te horen kregen: rauw antisemitisme in een 'studieconferentie' in Rotterdam. Eén van de sprekers daar schreef op internet dat hij 'geen traan zou laten als men ‘de trein naar het Oosten’ weer opnieuw opstart'.
Mij is geleerd dat dat -werken van rechtvaardigheid onmogelijk maken, of tegenwerken- te betitelen is als duivels werk. Nadrukkelijk de macht van het kwaad hanteren.
Het spijt me, maar dit móet gezegd worden! Ik hoop en ik bid vurig dat zo'n denken en handelen in ons niet zal post vatten. Moge de God van vrede en recht vaardig over ons blijven!
Als we ons heil van God de Eeuwige verwachten, zal er nóg iets gebeuren: 'jullie zullen priesters van de Eeuwige heten, men zal u dienaren van onze God noemen; allen die hen zullen zien, zullen hen kennen, dat zij zijn een geslacht dat de Heer gezegend heeft. En de volken zullen uw gerechtigheid zien en alle koningen uw heerlijkheid en jullie zullen met een nieuwe naam genoemd worden, die de Heer zelf heeft bepaald. En jullie zullen een sierlijke kroon zijn in de hand van de Eeuwige en een koninklijke tulband in de hand van je God'.
Aan het volk zal te zíen zijn dat ze volk van God zijn. Ze zal zich dan ook als volk van God gedragen. Ze zal een sierlijke kroon en een koninklijke tulband zijn. Ze zal gerechtigheid doen.
Wij kunnen op de laatste zondag van het kalenderjaar een voorbeeld nemen aan de oude Godgetrouwe, rechtvaardige Simeon en Anna. Deze beiden zijn er getuige van dat met het kind Jezus de heerlijkheid-van-God in de tempel verschijnt.
Ook in het komend jaar blíjven wíj getuigen van Gods toekomst, zichtbaar geworden in zijn volk, in zijn messias, én zichtbaar té worden in zijn messiaanse gemeente.
Moge het komend jaar een heilzaam jaar worden, voor zachtmoedigen, voor gebrokenen van hart, voor gevangenen en voor gebondenen, voor treurenden, voor treurenden van Sion, voor weduwen en voor vreemdelingen. Voor alle volken.
Jesaja heeft, zo zegt hij letterlijk, een blijde boodschap te brengen.
En Lucas laat ons de vreugde zien van de eerste getuige die in het kind Jezus de zaligheid van God heeft gezien. (Uit de Profeten: Jesaja 61:10 - 62:3 en uit de Evangeliën: Lucas 2: 22-40)
Heel even kunnen we ons afvragen of deze boodschappen ook nu voor ons bedoeld zijn. Maar van Jesaja horen we het meteen: Zijn blijde boodschap is bedoeld voor zachtmoedigen, voor gebrokenen van hart, voor gevangenen en voor gebondenen, voor treurenden, voor treurenden van Sion en voor vreemdelingen.
Want, zo laat Jesaja weten: God, de Eeuwige, heeft het recht lief.
En Simeon -de eerste getuige van de messias- verklaart: dat God Zijn zaligheid bereid heeft 'voor het aangezicht van alle volken, een Licht tot verlichting voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israel'.
Ja, er is weldegelijk uitzicht op een toekomst van heil, ondanks dat we dat zo op het eerste gezicht in onze werkelijkheid niet zomaar kunnen waarnemen.
Ja, we mogen aannemen dat we voor verwachting van heil het beste bij déze God terecht kunnen. Bij deze God en níet bij andere!
De kerk leeft uit verwachting. Wij worden naar de toekomst geroepen.
‘En zie er was een man in Jeruzalem wiens naam was Simeon en deze man was rechtvaardig en Godvrezend en hij verwachtte de vertroosting van Israel en ‘de Heilige Geest was op hem'-net als op Jesaja-. En hij zou de messias zien voordat hij zou sterven.
Het is deze Simeon, deze 'rechtvaardige' -zoals hij genoemd wordt-, het is deze die de belofte- van-God-aan-zijn-volk voor een nieuwe generatie doorgeeft. Ook in deze tijd zal heil, Gods heil, zichtbaar worden.
Heel gewoon, een kind van het volk Israel wordt naar de tempel gebracht, het wordt binnen gedragen in de kring van het verbond, zoals men dat gewend is te doen.
Het messiaskind is een kind van het Verbond, zo laat Lucas ons weten. Zijn ouders doen net als andere Godvrezende Joden: In gehoorzaamheid aan de Tora-voorschriften stellen zij hun eerstgeborene ter beschikking van God de Eeuwige.
Twee representanten van Gods volk, rechtvaardig worden ze genoemd, zijn er getuige van dat met dit kind Jezus de heerlijkheid-van-God in de tempel verschijnt.
Waar zij al heel lang op hopen, gebeurt voor hun ogen. De Wetsgetrouwe Simeon en de profetes Anna zien Gods belofte in vervulling gaan.
En Simeon getuigt: Mijn ogen hebben uw heil gezien dat Ge bereid hebt voor het aangezicht van alle volken.
Heel nadrukkelijk wordt het hier gesteld: Gods heil is als licht tot openbaring voor de volken en het is heerlijkheid voor Gods volk.
Gods toekomst is nabij, niet slechts voor Israel, maar voor alle volken.
Gods toekomst was nabij voor het volk in ballingschap. Gods toekomst is opnieuw nabij 'voor allen die voor Jeruzalem verlossing verwachten'.
En Anna is kennelijk een vrouw die daarover kan meepraten.
Anna, een profetes, is 84 jaar oud en al heel lang weduwe. Van de 12x7 jaar is zij maar 1x7 jaar gehuwd geweest. En al die jaren, dagelijks, verstaat zij de kunst om te wachten zonder te wanhopen. Ze diende God onafgebroken, in de tempel, met vasten en bidden. Ze verliest niet de openheid voor het onverwachte verhoren van haar gebeden. Ze blijft Gods toekomst verwachten. Ze blijft leven uit verwachting.
Deze vrouw ziet in het kind Jezus hoop voor de toekomst. Zij neemt onmiddellijk de gelegenheid te baat om over God en Zijn heil te spreken, tot allen die voor Jeruzalem, voor het volk verlossing verwachten.
Maar, deze oude wijze mensen weten het zo goed. -zij zijn wijze mensen, deze wetgetrouwe en profetische representanten van Israel-: De geboorte van messias Jezus zal een wending in de wereldgeschiedenis teweeg brengen en zijn weg, werk en kruis betekenen hét kruispunt.
Simeon zegt: 'Zie, deze is gezet als val én opstanding van velen in Israel' en: 'hij zal een teken zijn dat weersproken wordt; en de overleggingen uit vele harten zullen openbaar worden'.
Met de openbaring van het heil in Jezus Christus zal ook de tegenwerking aan het licht komen. De komst van het nieuwe zal op verzet stuiten én pijn brengen voor wie er zich met hart en ziel voor inzet.
Laten we eerlijk zijn. In de tijd van de Romeinse overheersing zullen er zeker invloedrijke mensen in Israel zijn die 'overwegingen in hun hart' hebben hoe zij het beste hun eigen belangen veilig kunnen stellen.
Maar, onder meer ten behoeve van arme weduwen zoals Anna zullen dit soort overwegingen- in-vele-harten door de messias openbaar gemaakt worden.
Zo zal de messias hoop geven voor rechtelozen wiens belangen bij de héersende machten geschaad worden.
Laten we eerlijk zijn. De messias zal mensen vlóeren óf doen opstaan, zijn optreden zal 'onthullend' zijn.
En de eerste die dit te horen krijgt is de moeder.
Door je eigen ziel, moeder van alle gelovigen, zal een zwaard gaan.
We krijgen van God een vreugdevolle boodschap, maar die boodschap is tegelijk een o zo realistische.
Gods volk krijgt het opnieuw te horen. Haar uitverkiezing staat onder het voorteken 'dat dit volk tot zegen zal zijn van alle naties'. Uit haar eigen midden staat de messias op. En hij zal scheiding en onderscheiding der geesten te weeg brengen.
Dóor lijden, weerstand en dood heen gaat het naar leven. Níet er om-heen.
In Kerstsfeer willen we het ons allemaal wel romantisch en idyllisch voorstellen, maar Lucas haalt ons al weer uit de roes en laat zien dat Jezus' weg de weg is van offer en van inzet.
Gods volk zal een teken zijn van Zijn heilsgeschiedenis. De heilsgeschiedenis heeft te maken met lijden-voor-Gods-Zaak; heeft ook te maken met ergernis aan de Eeuwige en aan zijn Volk en aan zijn Gemeente -die het Rijk Gods dóet.
Zo'n weg vraagt geloof en geloofsgehoorzaamheid en dat geeft in de wereld en in ons leven vuurwerk en geknal. Want het moet gezegd: Heil is niet slechts voor een selecte groep, ten koste van anderen, maar God doet gerechtigheid ontspruiten voor het oog van álle volken.
Simeon zegt: 'Zie, deze is gezet als val en opstanding van velen in Israel' en: 'hij zal een teken zijn dat weersproken wordt; en de overleggingen uit vele harten zullen openbaar worden'. Onder meer ten behoeve van arme weduwen zoals Anna.
In Jesaja horen we twee keer dat het heil gebeuren zal voor het oog van de volken.
Heil, redding en gerechtigheid; Jesaja spreekt erover in de meest uitzichtloze situatie in Israels geschiedenis, de tijd van de ballingschap in Babylonië.
In de meest uitzichtloze situatie krijgt een volk te horen dat God Zijn toekomst van heil voor hen in petto heeft.
En het is éen en al opgetogenheid waarmee Jesaja deze boodschap doorgeeft:
Hij, God, heeft mij gezonden om een blijde boodschap te brengen aan zachtmoedigen,
om te verbinden gebrokenen van hart, om voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening der gevangenis; om uit te roepen een jaar van het welbehagen van de Eeuwige en een dag der wrake van onze God; om alle treurenden te troosten, om over de treurenden van Sion te beschikken dat men hun geve hoofdsieraad in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lof-gewaad in plaats van een kwijnende geest.
En men zal hen noemen: Terebinten der gerechtigheid, een planting van de Eeuwige, tot Zijn ver-heerlijking.
Ook voor nu mogen we hopen dat gemeenschappen van gelovige mensen voorbeeld zullen laten zien, gerechtigheid en vrede zullen doen.
‘Want zoals de aarde haar gewas voortbrengt en een hof zijn zaaisel doet uitspruiten, zo zal God, de Eeuwige, gerechtigheid en lof doen uitspruiten, voor het oog van alle volken.
Heil kómt er. Van déze God. Dat is zeker!
En waaróm zorgt deze God daar voor?: 'Want, zo zegt God zelf, ‘ik, JHWH, heb het recht lief'.
Deze God heeft het recht lief. Dáarom mogen we heil bij Hém verwachten.
En heel kort en krachtig krijgen we te horen waarom we heil níet bij andere machten hoeven te verwachten: Dáar is roof in het brand-offer te zien, dáar is on-waarheid in hun werk en dáar is níet sprake van een eeuwig verbond.
Het kan misschien zo líjken dat er ook bij hedendaagse verleidingen heil te verkrijgen is, bij de god van de zogenaamde vrijheid, bv., die zegt dat je vooral ‘voor jezelf' moet gaan, -en voor sommigen wordt dat op kórte termijn ook bevestigd- maar op den duur zal het roof blijken te zijn.
En als er in het afgelopen jaar éen voorbeeld is van roof, van 'werk van rechtvaardigheid géen kans geven', of zelfs dat tegenwerken, dan is dat: de macht van het geld gebruiken tegen mogelijk onderdak bieden aan vluchtelingen. Een leegstaand herenhuis met een aanlokkelijk bedrag wegkopen zodat het niet meer beschikbaar is.
We kunnen al jaren zeggen dat veel mensen in onze hedendaagse samenleving niet meer gelovig zijn, niet meer kerkelijk zijn, en we kunnen ook zeggen dat velen, waaronder wijzelf, iedere dag ons aangetrokken voelen tot de verleidingen van andere, moderne goden. En soms moeten we erkennen dat onder die goden afgoden schuilgaan en dat wij hun verlokkingen amper herkennen. Maar dat is nog bijna iets onschuldigs bij wat we dus ook zien: Bewust, openlijk, nadrukkelijk de absolute macht inzetten en gebruiken om eventuele werken van rechtvaardigheid onmogelijk te maken.
En wat we ook, enkele maanden geleden, weer openlijk te horen kregen: rauw antisemitisme in een 'studieconferentie' in Rotterdam. Eén van de sprekers daar schreef op internet dat hij 'geen traan zou laten als men ‘de trein naar het Oosten’ weer opnieuw opstart'.
Mij is geleerd dat dat -werken van rechtvaardigheid onmogelijk maken, of tegenwerken- te betitelen is als duivels werk. Nadrukkelijk de macht van het kwaad hanteren.
Het spijt me, maar dit móet gezegd worden! Ik hoop en ik bid vurig dat zo'n denken en handelen in ons niet zal post vatten. Moge de God van vrede en recht vaardig over ons blijven!
Als we ons heil van God de Eeuwige verwachten, zal er nóg iets gebeuren: 'jullie zullen priesters van de Eeuwige heten, men zal u dienaren van onze God noemen; allen die hen zullen zien, zullen hen kennen, dat zij zijn een geslacht dat de Heer gezegend heeft. En de volken zullen uw gerechtigheid zien en alle koningen uw heerlijkheid en jullie zullen met een nieuwe naam genoemd worden, die de Heer zelf heeft bepaald. En jullie zullen een sierlijke kroon zijn in de hand van de Eeuwige en een koninklijke tulband in de hand van je God'.
Aan het volk zal te zíen zijn dat ze volk van God zijn. Ze zal zich dan ook als volk van God gedragen. Ze zal een sierlijke kroon en een koninklijke tulband zijn. Ze zal gerechtigheid doen.
Wij kunnen op de laatste zondag van het kalenderjaar een voorbeeld nemen aan de oude Godgetrouwe, rechtvaardige Simeon en Anna. Deze beiden zijn er getuige van dat met het kind Jezus de heerlijkheid-van-God in de tempel verschijnt.
Ook in het komend jaar blíjven wíj getuigen van Gods toekomst, zichtbaar geworden in zijn volk, in zijn messias, én zichtbaar té worden in zijn messiaanse gemeente.
Moge het komend jaar een heilzaam jaar worden, voor zachtmoedigen, voor gebrokenen van hart, voor gevangenen en voor gebondenen, voor treurenden, voor treurenden van Sion, voor weduwen en voor vreemdelingen. Voor alle volken.
donderdag 28 december 2017
Een rol voor 'God'?
Al ruim 2000 jaar houden mensen het vol om -met meer of minder succes- het verhaal te vertellen over ene Jezus, wiens korte leven zo bijzonder was geweest dat ook zijn geboorte een toch wel speciale gebeurtenis moet zijn geweest.
En uit dat geheel van geschiedenis en verhaal spreekt telkens vooral de bijzondere betekenis die mensen erin beleefd hebben over God.
Al wel ruim 5000 jaar spreken mensen over hun Godsbelevingen.
Het Joodse volk, het volk Israel, vertelt telkens opnieuw de verhalen over hoe zij volk-van-God zijn geworden, over hoe zij -als volk- telkens weer door God geroepen worden om volk-tot-zijn-eer te zijn. En over hoe zij zich telkens weer -in vreugde en vertrouwen, door vallen en opstaan- op Hem richten. Zó inspiratie biedend voor het leven van telkens nieuwe generaties.
Het volk Israel is over de hele wereld verspreid, in de loop der eeuwen; het Joodse geloof dus ook. En de -heel persoonlijke- verhalen over hun God kunnen dus overal gehoord worden.
En ook door de christelijke kerken zijn de verhalen overal over de wereld verteld. Want christenen hebben de opdracht uitgevoerd om ook onder niet-Joden over de God van de bevrijding, de God van koning David te vertellen; want die hebben ze door Jezus leren kennen.
En wát een geschiedenissen hébben mensen door de eeuwen heen meegemaakt, rond kerk en synagoge! We hebben allemaal wel zo, in een flits, een voorbeeld in gedachten van wat er in naam van de kerk verkeerd is gegaan, ten opzichte van Joden, ten opzichte van andere volken.
Maar gelukkig, na ruim 5000 jaar van belevingen van mensen met mensen en met God -tot in de diepste diepten van ellende-, blíjven joodse mensen het volhouden om aan volgende generaties te vertellen over hun God, ook hun éigen nieuwe belevingen. En, na ongeveer 2000 jaar van verder vertellen over de bijzondere geboorte van een zoon van een timmerman, zitten tóch weer velen in de kerk met de hoopvolle verwachting iets nieuws over dat wonderlijke kind te horen te zullen krijgen.
Welke eigen -nieuwe- beleving kunnen wij vertellen; een verhaal dat ons raakt, dat ons iets doet, dat ons inspireert, dat betekenis aan ons leven zal geven.
Want, éen ding dat ik de laatste jaren geleerd heb, is dat veel mensen, vooral jonge mensen, er naar verlangen om authentieke, echte verhalen te horen te krijgen -van gewone medemensen- waaruit ze kunnen leren wát waardevol is in het leven en hoe we voor dat waardevolle kunnen stáan. We wíllen -ook tegenwoordig- zulke verhalen te horen krijgen; maar niet op een oude gestrenge manier van ‘je moet dit maar gewoon aannemen, ook al begrijp je het niet allemaal'. De manier waarop we elkaar met onze verhalen tegemoet kunnen treden, tegemoet-komend aan onze vragen en aan onze verlangens-naar-waarden, is níet de manier van de strenge, rechtlijnige gezagsverhalen -waarbij de vaders en ‘de heren' ‘t voor het zeggen hebben-, maar de manier van het broederlijk en zusterlijk uitwisselen van groeiende inzichten uit wat je meemaakt.
Dat wat jij meemaakt en wat je daarin als waardevol-voor-het-leven ontdekt, wil ik graag horen; voor mezelf om te toetsen, om af te wegen. Waar gáat ‘t nou om in ‘t leven, wat is belangrijk, en hoe kan ík meedoen in wat essentieel is; ik, timmerman, ik vrachtwagenchauffeur, ik computer-deskundige, ik vrouw, ik man, jongen, meisje ...
Op welke momenten in je leven merk je, of heb je gemerkt, dat God in jouw leven een rol speelt? -En ik vraag geen oude formuleringen, ik vraag naar jóuw belevingen, bevindingen-. Kom naast me zitten, zoals m'n broer naast me komt, en zoals m'n zus, en zoals m'n vrienden.
Vertel, b.v., wat het je doet, gedáan heeft toen de liefde jou overkwam; dat er iemand is die van jóu houdt. Je hébt de liefde geproefd!?
Vertel, wat het betékent om werk te kunnen doen waar je iets van jezelf in kwijt kunt, waar het er toe dóet dat jíj dat werk doet, dat jíj er bent. Dat ook jij niet voor niks geboren bent.
Vertel, hoe práchtig de schepping in elkaar zit en dat je daar van kan geníeten; van zó veel mooie bloemen, bomen, dieren, sterren, mensen, ...; zó goed gemaakt! En daar ben jij -o, hoe wonderlijk- een klein onderdeeltje van.
Vertel, hoe je geráakt wordt, hoe je ontroerd wordt; waardoor je kunt vloeken -ja, dat ook-, en ook hoe je strijdbaar blijft, én waarom je kunt jubelen.
Ja, het doet verdomde pijn om de wereld, om mensen te moeten zien lijden. En daar word ik verdrietig van, en daar word ik boos van. Want ik heb gezíen dat mensen arm gemáakt worden -doordat elders mensen zich verrijken-.
Het is een grof schandaal, ten hemel schreiend, dat er met Kerst in rijke landen voor miljoenen wordt opgevreten, aan reerug, aan zalmmoes. Godgeklaagd!
Zo, dit is taal van een dominee die in de fabriek gewerkt heeft, die in het derde-wereldland Vietnam de diepe armoede gezien heeft, en die God en Jezus en z'n hele kliek al lang een keer aan de kant geschoven had.
Soms voelt ‘t zó machteloos.
En dán, dan gaan we tóch door.
Hoe dóen we dat?
Ja, hoe doen we dat?
Ik doe ‘t doordat God míj weer heeft vastgepakt; -zo heb ik dat beleefd-.
Opnieuw -door de dood heen, zeg maar- heb ik liefde geproefd, heb ik verwondering beleefd, voel ik me weerbaar, door Jezus, met God.
Ja, ook in Israel en Palestina ! Misschien wel juist daar, samen met welwillende joden, christenen en moslims.
Dus: Vertel, hoe je je -soms- zo héerlijk strijdbaar kan voelen, dat je het er niet bij kúnt laten zitten. Al die machten van onrecht en onvrede, en domheid, hébben gewoon geen gelijk.
Kijk, naar de schaapherders, dat ruwe volk; kijk, naar bouwvakkers; kijk, naar je medemens.
Is er éen minder dan jij? Is er éen meer dan jij? Achten we ons gelijkwaardig? Willen we écht, als broers, als zussen, van elkaar horen wat we écht belangrijk vinden in het leven?
Nee, willen we echt láten zíen, láten horen, wat we belangrijk vinden in ons leven; en wat we daarover -van God- geleerd hebben?
En willen we ons dan ook wel -in die gelijkwaardigheid- laten gezeggen, willen we ons wel laten corrigeren?
Wíllen we wel -als mannen b.v.- van onze zusters leren, of van onze medebroeders?
Of laten we ons door domme machten-van-de-verleiding leiden?; en moet er dán écht gezag, ‘gezag en orde' bij optreden? Willen we alleen maar door ondervinding, door schade en schande, leren?; met ook schade voor anderen.
Laat je gezeggen, open je hart, luister naar de schaapherders -die op hun beurt luisteren naar de boodschappers, naar de profeten, naar de engelen-: zij loven en prijzen God, omdat Hij hen de redder heeft laten zien.
Jawel, met God, met Gods Zoon, met hem als vriend, als broer -en in zijn zusterlijke Geest- zál het anders gaan!
Vrede kan wél, gerechtigheid kan wél; liefde zal de sterkste blijken! Het Licht straalt, overal.
Het volk dat éen en al duisternis te verduren heeft -onverdraagzaamheid, onvrede, , krijgt Licht, krijgt kracht, wordt gedragen, wordt gezien, wordt verlost.
Dát is wat wij te horen krijgen: Waar wij -mannen en vrouwen- ons machteloos voelen in de rijkdommelijke wan-orde, daar worden we -ook na zoveel-duizend jaar- geïnspireerd om met Jezus in Gods orde, in Zijn Rijk te wonen.
Het kán, God heeft ‘t laten zien! De herders hebben ‘t gezien.
En ze zéiden: We hebben ‘t zelf gezien!
Ja, dat inspireert, dat ontroert, dat maakt krachtig, dat maakt vreugdevol, dat maakt gastvrij!
En daar kunnen we nog jaren, nog eeuwen mee voort.
En uit dat geheel van geschiedenis en verhaal spreekt telkens vooral de bijzondere betekenis die mensen erin beleefd hebben over God.
Al wel ruim 5000 jaar spreken mensen over hun Godsbelevingen.
Het Joodse volk, het volk Israel, vertelt telkens opnieuw de verhalen over hoe zij volk-van-God zijn geworden, over hoe zij -als volk- telkens weer door God geroepen worden om volk-tot-zijn-eer te zijn. En over hoe zij zich telkens weer -in vreugde en vertrouwen, door vallen en opstaan- op Hem richten. Zó inspiratie biedend voor het leven van telkens nieuwe generaties.
Het volk Israel is over de hele wereld verspreid, in de loop der eeuwen; het Joodse geloof dus ook. En de -heel persoonlijke- verhalen over hun God kunnen dus overal gehoord worden.
En ook door de christelijke kerken zijn de verhalen overal over de wereld verteld. Want christenen hebben de opdracht uitgevoerd om ook onder niet-Joden over de God van de bevrijding, de God van koning David te vertellen; want die hebben ze door Jezus leren kennen.
En wát een geschiedenissen hébben mensen door de eeuwen heen meegemaakt, rond kerk en synagoge! We hebben allemaal wel zo, in een flits, een voorbeeld in gedachten van wat er in naam van de kerk verkeerd is gegaan, ten opzichte van Joden, ten opzichte van andere volken.
Maar gelukkig, na ruim 5000 jaar van belevingen van mensen met mensen en met God -tot in de diepste diepten van ellende-, blíjven joodse mensen het volhouden om aan volgende generaties te vertellen over hun God, ook hun éigen nieuwe belevingen. En, na ongeveer 2000 jaar van verder vertellen over de bijzondere geboorte van een zoon van een timmerman, zitten tóch weer velen in de kerk met de hoopvolle verwachting iets nieuws over dat wonderlijke kind te horen te zullen krijgen.
Welke eigen -nieuwe- beleving kunnen wij vertellen; een verhaal dat ons raakt, dat ons iets doet, dat ons inspireert, dat betekenis aan ons leven zal geven.
Want, éen ding dat ik de laatste jaren geleerd heb, is dat veel mensen, vooral jonge mensen, er naar verlangen om authentieke, echte verhalen te horen te krijgen -van gewone medemensen- waaruit ze kunnen leren wát waardevol is in het leven en hoe we voor dat waardevolle kunnen stáan. We wíllen -ook tegenwoordig- zulke verhalen te horen krijgen; maar niet op een oude gestrenge manier van ‘je moet dit maar gewoon aannemen, ook al begrijp je het niet allemaal'. De manier waarop we elkaar met onze verhalen tegemoet kunnen treden, tegemoet-komend aan onze vragen en aan onze verlangens-naar-waarden, is níet de manier van de strenge, rechtlijnige gezagsverhalen -waarbij de vaders en ‘de heren' ‘t voor het zeggen hebben-, maar de manier van het broederlijk en zusterlijk uitwisselen van groeiende inzichten uit wat je meemaakt.
Dat wat jij meemaakt en wat je daarin als waardevol-voor-het-leven ontdekt, wil ik graag horen; voor mezelf om te toetsen, om af te wegen. Waar gáat ‘t nou om in ‘t leven, wat is belangrijk, en hoe kan ík meedoen in wat essentieel is; ik, timmerman, ik vrachtwagenchauffeur, ik computer-deskundige, ik vrouw, ik man, jongen, meisje ...
Op welke momenten in je leven merk je, of heb je gemerkt, dat God in jouw leven een rol speelt? -En ik vraag geen oude formuleringen, ik vraag naar jóuw belevingen, bevindingen-. Kom naast me zitten, zoals m'n broer naast me komt, en zoals m'n zus, en zoals m'n vrienden.
Vertel, b.v., wat het je doet, gedáan heeft toen de liefde jou overkwam; dat er iemand is die van jóu houdt. Je hébt de liefde geproefd!?
Vertel, wat het betékent om werk te kunnen doen waar je iets van jezelf in kwijt kunt, waar het er toe dóet dat jíj dat werk doet, dat jíj er bent. Dat ook jij niet voor niks geboren bent.
Vertel, hoe práchtig de schepping in elkaar zit en dat je daar van kan geníeten; van zó veel mooie bloemen, bomen, dieren, sterren, mensen, ...; zó goed gemaakt! En daar ben jij -o, hoe wonderlijk- een klein onderdeeltje van.
Vertel, hoe je geráakt wordt, hoe je ontroerd wordt; waardoor je kunt vloeken -ja, dat ook-, en ook hoe je strijdbaar blijft, én waarom je kunt jubelen.
Ja, het doet verdomde pijn om de wereld, om mensen te moeten zien lijden. En daar word ik verdrietig van, en daar word ik boos van. Want ik heb gezíen dat mensen arm gemáakt worden -doordat elders mensen zich verrijken-.
Het is een grof schandaal, ten hemel schreiend, dat er met Kerst in rijke landen voor miljoenen wordt opgevreten, aan reerug, aan zalmmoes. Godgeklaagd!
Zo, dit is taal van een dominee die in de fabriek gewerkt heeft, die in het derde-wereldland Vietnam de diepe armoede gezien heeft, en die God en Jezus en z'n hele kliek al lang een keer aan de kant geschoven had.
Soms voelt ‘t zó machteloos.
En dán, dan gaan we tóch door.
Hoe dóen we dat?
Ja, hoe doen we dat?
Ik doe ‘t doordat God míj weer heeft vastgepakt; -zo heb ik dat beleefd-.
Opnieuw -door de dood heen, zeg maar- heb ik liefde geproefd, heb ik verwondering beleefd, voel ik me weerbaar, door Jezus, met God.
Ja, ook in Israel en Palestina ! Misschien wel juist daar, samen met welwillende joden, christenen en moslims.
Dus: Vertel, hoe je je -soms- zo héerlijk strijdbaar kan voelen, dat je het er niet bij kúnt laten zitten. Al die machten van onrecht en onvrede, en domheid, hébben gewoon geen gelijk.
Kijk, naar de schaapherders, dat ruwe volk; kijk, naar bouwvakkers; kijk, naar je medemens.
Is er éen minder dan jij? Is er éen meer dan jij? Achten we ons gelijkwaardig? Willen we écht, als broers, als zussen, van elkaar horen wat we écht belangrijk vinden in het leven?
Nee, willen we echt láten zíen, láten horen, wat we belangrijk vinden in ons leven; en wat we daarover -van God- geleerd hebben?
En willen we ons dan ook wel -in die gelijkwaardigheid- laten gezeggen, willen we ons wel laten corrigeren?
Wíllen we wel -als mannen b.v.- van onze zusters leren, of van onze medebroeders?
Of laten we ons door domme machten-van-de-verleiding leiden?; en moet er dán écht gezag, ‘gezag en orde' bij optreden? Willen we alleen maar door ondervinding, door schade en schande, leren?; met ook schade voor anderen.
Laat je gezeggen, open je hart, luister naar de schaapherders -die op hun beurt luisteren naar de boodschappers, naar de profeten, naar de engelen-: zij loven en prijzen God, omdat Hij hen de redder heeft laten zien.
Jawel, met God, met Gods Zoon, met hem als vriend, als broer -en in zijn zusterlijke Geest- zál het anders gaan!
Vrede kan wél, gerechtigheid kan wél; liefde zal de sterkste blijken! Het Licht straalt, overal.
Het volk dat éen en al duisternis te verduren heeft -onverdraagzaamheid, onvrede, , krijgt Licht, krijgt kracht, wordt gedragen, wordt gezien, wordt verlost.
Dát is wat wij te horen krijgen: Waar wij -mannen en vrouwen- ons machteloos voelen in de rijkdommelijke wan-orde, daar worden we -ook na zoveel-duizend jaar- geïnspireerd om met Jezus in Gods orde, in Zijn Rijk te wonen.
Het kán, God heeft ‘t laten zien! De herders hebben ‘t gezien.
En ze zéiden: We hebben ‘t zelf gezien!
Ja, dat inspireert, dat ontroert, dat maakt krachtig, dat maakt vreugdevol, dat maakt gastvrij!
En daar kunnen we nog jaren, nog eeuwen mee voort.
zaterdag 30 september 2017
Een huis voor alle volken
(Uitgesproken op 17 sept., vredeszondag, met dank voor de tekst van Bram Grandia in de PAX liturgiekrant)
Bijbellezing: Jesaja 56: 1-8.
U bent hier verzameld in een huis van gebed, een huis om God te ontmoeten. U bent ingegaan op de uitnodiging om vanavond hier te vergaderen. U dacht, waarschijnlijk: bij het begin van de vredesweek moet ik dáar zijn.
Ik vraag maar even: Voelde u zich nou geroepen door de God wiens aanwezigheid u hier vermoedt, of werd u gestuwd door de tijd en omstandigheden waarin we ons bevinden -een wereld vol tumult en geweld en oorlog?
Droomt u een droom van vrede en hebt u legitimatie van hogerhand nodig, van een hogere macht van buitenaf die ons nou ns de ultieme motieven aanreikt om nou eindelijk ns aan de vrede te beginnen, of hebben we daartoe genoeg aan de ont-waarding van medemensen die we indringend te zien krijgen, elke dag; en voelen we dat ook bij onszelf -mijn eigen waardigheid wordt aangetast-?
Hoe het ook zij, ík heb behoefte aan gezamenlijke ‘verheffing’. We zijn hier bijeen, lijkt mij, als ‘gemeente van Jeshaja’ (God is goed), in het ‘huis van gebed voor alle volken’.
Zo’n tekst aangereikt krijgen, dat is toch prachtig. Jesaja doet ons dromen; mij wel tenminste.
In de diverse media in onze tijd buitelen ideeën over elkaar heen: ‘de grenzen moeten dicht, nee open. We moeten het Wilhelmus gaan zingen; je moet je aanpassen, of nee, toch liever jezelf blijven; geen hoofddoek op, wel haar op je tanden’. Respectvol luisteren is er vaak niet bij, verschillen lijken groter dan ooit.
Midden in dergelijk tumult horen we dat God tot de profeet Jesaja spreekt over Zijn huis: één huis (van gebed) voor álle volken. Een haast onmogelijke droom.
Het volk Israël is na jarenlange ballingschap weer teruggekeerd naar hun eigen land. Het is een gemeenschap in opbouw, op zoek naar wat hen te doen staat, op zoek naar de eigen identiteit. En dan geeft Jesaja een Godsspraak door.
Een vredesorganisatie, een verzamelde groep vredelievende mensen, temidden van wan-orde en oorlogen, kan niet zonder mensen met verbeelding. In situaties van ogenschijnlijke uitzichtloosheid, hebben we mensen nodig die beelden hebben van rechtvaardigheid, én vreedzame plaatsen, scholen, buurten en steden.
Jesaja laat weten: Dit zegt God, de Eeuwige: Handel rechtvaardig, handhaaf het recht.
Dé voorwaarde voor álle handelen is: rechtvaardig handelen en gerechtigheid handhaven. Daar gaat het de God van Israël om. Omdat het volk dat niet deed, is het ver van huis geraakt -in ballingschap-. Nu wil men niet weer in dezelfde fout vallen. Hoe kun je dan goed en rechtvaardig leven? Door de sabbat, de rustdag, te houden en je verre te houden van al het kwaad. Gelukkig de mens die zo handelt.
Indrukwekkend hoe open dit beeld van het gebedshuis voor alle volken is. Het gaat om volken die recht doen. Bij deze God horen, is recht doen; hongerigen te eten geven, dorstigen te drinken geven, vreem-delingen opnemen, naakten kleden, zieken en gevangenen bezoeken.
In Palestina heb ik ze gezien. Mensen die de hoop levend houden. Gezamenlijk. Een gezamenlijk gebed, op straat, op vrijdag, moslims, christenen en joden samen. Op shabbat, op straat, joden, moslims en andere mensen van goede wil, in een vreedzame, gezamenlijke demonstratie voor vrede. Op zondag, bij de muur, in Betlehem, mensen uit alle volken samen in gebed vóor de opheffing van de illegale bezetting.
We hebben ze hier gezien, vorig jaar, in de Koorkerk, een bisschop, een imam, een dominee, uit de Centraal Afrikaanse Republiek. Middenin de ontketende oorlog van burgers tegen medeburgers, werken zij aan verzoening.
Ik citeer een collega: In mijn kerk is de tegenstelling niet meer die tussen geloof en ongeloof, maar gaat het om geloof versus cynisme. “Verlangen we naar een andere, betere wereld? Hebben we het nog níet opgegeven? Laten we dan samen gaan. ‘Als je mensen wil leren varen, leer ze dan geen boten bouwen, maar leer ze verlangen naar de eindeloze zee.’
Het gaat er vooral om dát je het gaat doen, omdát je er op vertrouwt dat dit het goede is; geen cynisme, maar geloof.
Om ook Etty Hillesum te citeren: ‘Er moet na deze tijd toch gezegd kunnen worden dat God hier is geweest. En waarom zou ik dat stukje verbeelding van God niet zijn? Een plek, een lichaam, een geest voor God om te verblijven.’ Het is niet de vraag ‘wat doet God voor mij?, God heeft óns nodig; als handen en voeten op aarde. Dat er aangewezen kan worden: Hij leeft, Hij is er. Dat je mensen ziet die dingen doen. Dat het er om gaat wie je bent: kind van deze God.
Wie hoort er eigenlijk allemaal bij? Gaat het God primair om het eigen volk?
In de Bijbelse oudheid was een gecastreerde man, een eunuch, iemand die een hoge overheidsfunctie kon bekleden, maar door zijn verminking niet meer geschikt bevonden werd om in het heiligdom van God te komen. Ook zou hij, bij gebrek aan nakomelingen, na zijn dood niet meer voortleven in de gemeenschap.
Een man zonder God, zonder toekomst, dus. Jesaja geeft nu juist aan deze mens de belofte, dat ook zíjn
naam voor altijd herdacht zal worden, in de tempel van God. De gangbare wereld omgekeerd.
De nieuwe toekomst waar Jesaja over spreekt, is er dus óok, of eigenlijk allereerst, voor de outcasts in de samenleving. Ook voor de gecastreerde man aan het hof die zegt: “Ik ben maar een dorre boom, ik heb geen nageslacht…” God ziet de situatie van deze mensen. Misschien zijn ze in de ogen van anderen en van zichzelf ‘nietsnutten’. Maar God verbindt zich ook aan hen: “De mensen die zich houden aan mijn wetten, zij die gerechtigheid doen en de sabbat houden, hen geef ik iets beters dan zonen en dochters: een gedenk-teken [Yad] en een naam [Shem] ín mijn tempel én binnen de muren van mijn stad.
Het woordje Yad betekent letterlijk hand, maar kan ook teken, gedenk-teken betekenen. Dan gaat het er om dat God aan deze uit-gestotenen een naam en een teken in de tempel geeft. Hun naam gaat niet verloren. Het is als de naam op een grafsteen, op een plaquette. Yad krijgt ook de betekenis van ‘plaats, deel, aandeel’. Dan betekent het dat juist zij een plaats en een functie in de gemeenschap krijgen.
Wie vandaag Yad Va Shem zegt, denkt meteen aan het Holocaustmonument in Jeruzalem. Het is de officiële staatsinstelling van Israël voor het herdenken van de Joodse slachtoffers van de Holocaust en van de redders van Joden. Het gevolg van het bezoeken van dit museum is dat je als je Yad Va Shem hoort, je niet ogenblikkelijk meer denkt aan de ontmanden en de vreemdelingen in Jesaja 56. Vanaf nu denk je aan alle vermoorde Joden in de Tweede Wereldoorlog.
Betekent die naam een nationalisering van de Jesajatekst, enkel over Joden, en daarmee een inperking van het universele karakter van de tekst? Avraham Burg zegt daar wat van.
Abraham Burg is schrijver en voormalig parlementsvoorzitter, van de Knesset. Hij schrijft: ‘Het museum zal in zijn toekomstige vorm een gedenkteken zijn voor al het onrecht dat mensen is aangedaan. Het zal een plek zijn die uitstraalt hoe krachtig de strijd is tegen geweld, waar ook ter wereld. Er zal een Armeense
vleugel zijn en een Servische vleugel, er zullen voorwerpen uit Rwanda en Namibië tentoongesteld
worden, er zal een presentatie zijn ter ere van de oorspronkelijke bewoners van Noord-Amerika, die werden
uitgeroeid door blonde generaals met blauwe ogen. Een Internationaal Hof voor de Berechtiging van Misdaden tegen de Mensheid zal gevestigd worden in Jeruzalem, de Stad van Vrede, en de rechters zullen afkomstig zijn uit de hele wereld. […] en boven de poort zal de profetie van Jesaja worden gegraveerd.
Een plaats dus waar Jesaja gewag van maakt; voor álle volken.
De nieuwe toekomst waar Jesaja over spreekt, geldt ook voor de vreemdeling. Als de vreemdeling de verbinding zoekt met Israëls God, God dient en Gods naam liefheeft -vrede en recht in praktijk brengt, dus-, dan hoort die vreemdeling er helemaal bij. Dat is het veelbelovend perspectief.
Aansluiten bij God, betekent echter niet per se dat de vreemdeling ook Joods moet worden. Het gaat erom dat zij, net als iedereen, geroepen zijn hun naaste lief te hebben en recht te doen. Afkomst of religie doet er niet toe: gerechtigheid doen, is voorwaarde om deel uit te maken van Gods verbond met de mens. Dit betekent een einde aan de uitsluiting. Tenminste, zegt de profeet, zó kijkt God daar tegen aan. (Profetie is dus niks anders dan ‘met Gods ogen naar de wereld kijken’.)
Er staat geen bordje ‘verboden voor vreemdelingen‘ op Gods huis. Gods huis staat open voor alle volken. Dat is een statement in een tijd – vlak na de ballingschap - waarin juist ook gezocht werd naar de eigen identiteit als volk ten opzichte van vreemdelingen. Een tijd waarin gemengde huwelijken verboden werden. Bij Jesaja ligt het criterium om bij God te horen niet in het behoren tot één bepaald volk, maar in het luisteren naar Gods geboden en het in praktijk brengen daarvan. Ieder die zich houdt aan Gods wetten, gerechtigheid doet dus, zal God naar de heilige tempelberg brengen. Zo ziet de nieuwe toekomst eruit: één huis voor iedereen.
Dat is volgens mij het hart van de joodse en christelijke traditie, én ook van de islamitische, zo durf ik wel te zeggen. Een inclusief hart, waarbij uitsluiting uit den boze is. Een reuze actueel thema in een tijd van nadruk op eigen volk en eigen volksidentiteit.
Hebben we hier nu legitimatie van hogerhand gekregen om voor vrede en gerechtigheid te gaan -omdat we die in onszelf en in onze samenleving toch niet zomaar weten te vinden-, of hebben we -toch in elk geval- extra aansporing, inspiratie, ‘vermaning’ ontvangen, uit een wel zeer bijzondere bron?
Vertrouwen we er op dat ‘leven in Gods verbond’ zin heeft? Vertrouwen we er op dat actief om vrede roepen, zal helpen, om de oorlog in Syrië te stoppen, bv., of die in Yemen, of blijven we bij zulke praktisch-politieke vragen dan toch ineens nog cynisch, of wórden dat weer, bv. bij de oorlogsretoriek rond Noord-Korea? -Waar overigens veel Zuidkoreanen hard roepen: hou daarmee op!
Roepen, het heeft weldegelijk zin; samen. We laten ons niet uit elkaar spelen. En ook dit moet luid geroepen worden: joden, christenen en moslims in Israel en Palestina houden niet op om -zelfs na 50 jaar bezetting van de Westbank en Gaza- te roepen: stop er mee, wij willen gewoon samen leven als goede buren.
En, omdat het dicht op onze huid komt, ook dit moet gezegd, gebeden: wij zijn niet bang, wij laten ons niet bang maken, niet door IS en aanverwanten, en ook niet door extreem rechts -dat hier in onze eigen omgeving brutaal de straat opeist, vandaag in Enschede-. We laten ons niet bang maken. We laten ons als mensen van goede wil bijeen roepen in een huis van gebed voor alle volken.
En vanavond voel ík me hier ‘opgetild’, boven m’n verwarring uit, hier wordt het beste van onszelf naar boven geroepen én te binnen gebracht.
We bidden: God van Vrede,
U laat U raken door wat mensen meemaken, U wilt hen nabij zijn.
Wij danken U dat U ons nabij gekomen bent, in een volk, in een mens; telkens opnieuw in mensen. Wij danken dat U een God bent die mét ons gaat op de weg door het leven, in vrolijke en in harde tijden. We danken dat U ons draagt als een moeder en leidt als een vader. Geef dat wij ons door U láten leiden en láten dragen.
Dank U wel, God, dat bevrijding iets is van alle tijden, van vroeger en net zo goed van nu, van vandaag. Dank U wel dat bevrijding ook mógelijk is; geen mooie droom om naar te verlangen, maar werkelijkheid daar waar mensen, vol van uw Geest laten zien dat niets hen kan knechten, klein maken of louter en alleen slachtoffer van omstandigheden of van andere mensen.
Om uw Vrede bidden wij, wij hier bijeen, samen met mensen wereldwijd,
voor een wereld waar wél plaats is voor uw Visioen, voor mensen die dromen hebben afgeleerd, stomgeslagen door al het geweld.
God van alle mensen, om uw Vrede bidden wij, voor hen die moeten leven te midden van onrecht en haat,
aanslagen en oorlogen, verwoesting en verwarring, racisme en discriminatie, uitbuiting en vernedering,
honger en armoede, ziekte en dood, angst en onzekerheid.
Gelukkig zijn er groepen mensen, in de Centraal Afrikaanse Republiek, in Palestina, in Hongarije, in Frankrijk, in Berlijn, in Enschede, in Middelburg, die samen zeggen Wij laten ons niet bang maken.
Goede God, om uw Vrede bidden wij, dat wij mogen spreken tot elkaars verbeelding, dat wij mogen oplichten in uw Licht bij een ander, dat wij mogen bewegen in uw Geest, mensen verbindend -naar uw beeld en gelijkenis.
We bidden om bezieling en begeestering in ons leven. Bezieling en enthousiasme bij alles wat we doen, opdat onze samenleving een bezielde en aantrekkelijke samenleving zal zijn waar vertrouwen in het leven aanstekelijk werkt, waar geloof en hoop inspiratie geven, waar liefde ons samenbindt. Mogen de kerk, de synagoge en de moskee daarvan een werkplaats zijn, waar we samen komen om te oefenen in geloof, om hoop op te doen, om liefde te leren en om dit alles in onze gemeenschappen en daarbuiten met hart en ziel in praktijk te brengen.
Bijbellezing: Jesaja 56: 1-8.
U bent hier verzameld in een huis van gebed, een huis om God te ontmoeten. U bent ingegaan op de uitnodiging om vanavond hier te vergaderen. U dacht, waarschijnlijk: bij het begin van de vredesweek moet ik dáar zijn.
Ik vraag maar even: Voelde u zich nou geroepen door de God wiens aanwezigheid u hier vermoedt, of werd u gestuwd door de tijd en omstandigheden waarin we ons bevinden -een wereld vol tumult en geweld en oorlog?
Droomt u een droom van vrede en hebt u legitimatie van hogerhand nodig, van een hogere macht van buitenaf die ons nou ns de ultieme motieven aanreikt om nou eindelijk ns aan de vrede te beginnen, of hebben we daartoe genoeg aan de ont-waarding van medemensen die we indringend te zien krijgen, elke dag; en voelen we dat ook bij onszelf -mijn eigen waardigheid wordt aangetast-?
Hoe het ook zij, ík heb behoefte aan gezamenlijke ‘verheffing’. We zijn hier bijeen, lijkt mij, als ‘gemeente van Jeshaja’ (God is goed), in het ‘huis van gebed voor alle volken’.
Zo’n tekst aangereikt krijgen, dat is toch prachtig. Jesaja doet ons dromen; mij wel tenminste.
In de diverse media in onze tijd buitelen ideeën over elkaar heen: ‘de grenzen moeten dicht, nee open. We moeten het Wilhelmus gaan zingen; je moet je aanpassen, of nee, toch liever jezelf blijven; geen hoofddoek op, wel haar op je tanden’. Respectvol luisteren is er vaak niet bij, verschillen lijken groter dan ooit.
Midden in dergelijk tumult horen we dat God tot de profeet Jesaja spreekt over Zijn huis: één huis (van gebed) voor álle volken. Een haast onmogelijke droom.
Het volk Israël is na jarenlange ballingschap weer teruggekeerd naar hun eigen land. Het is een gemeenschap in opbouw, op zoek naar wat hen te doen staat, op zoek naar de eigen identiteit. En dan geeft Jesaja een Godsspraak door.
Een vredesorganisatie, een verzamelde groep vredelievende mensen, temidden van wan-orde en oorlogen, kan niet zonder mensen met verbeelding. In situaties van ogenschijnlijke uitzichtloosheid, hebben we mensen nodig die beelden hebben van rechtvaardigheid, én vreedzame plaatsen, scholen, buurten en steden.
Jesaja laat weten: Dit zegt God, de Eeuwige: Handel rechtvaardig, handhaaf het recht.
Dé voorwaarde voor álle handelen is: rechtvaardig handelen en gerechtigheid handhaven. Daar gaat het de God van Israël om. Omdat het volk dat niet deed, is het ver van huis geraakt -in ballingschap-. Nu wil men niet weer in dezelfde fout vallen. Hoe kun je dan goed en rechtvaardig leven? Door de sabbat, de rustdag, te houden en je verre te houden van al het kwaad. Gelukkig de mens die zo handelt.
Indrukwekkend hoe open dit beeld van het gebedshuis voor alle volken is. Het gaat om volken die recht doen. Bij deze God horen, is recht doen; hongerigen te eten geven, dorstigen te drinken geven, vreem-delingen opnemen, naakten kleden, zieken en gevangenen bezoeken.
In Palestina heb ik ze gezien. Mensen die de hoop levend houden. Gezamenlijk. Een gezamenlijk gebed, op straat, op vrijdag, moslims, christenen en joden samen. Op shabbat, op straat, joden, moslims en andere mensen van goede wil, in een vreedzame, gezamenlijke demonstratie voor vrede. Op zondag, bij de muur, in Betlehem, mensen uit alle volken samen in gebed vóor de opheffing van de illegale bezetting.
We hebben ze hier gezien, vorig jaar, in de Koorkerk, een bisschop, een imam, een dominee, uit de Centraal Afrikaanse Republiek. Middenin de ontketende oorlog van burgers tegen medeburgers, werken zij aan verzoening.
Ik citeer een collega: In mijn kerk is de tegenstelling niet meer die tussen geloof en ongeloof, maar gaat het om geloof versus cynisme. “Verlangen we naar een andere, betere wereld? Hebben we het nog níet opgegeven? Laten we dan samen gaan. ‘Als je mensen wil leren varen, leer ze dan geen boten bouwen, maar leer ze verlangen naar de eindeloze zee.’
Het gaat er vooral om dát je het gaat doen, omdát je er op vertrouwt dat dit het goede is; geen cynisme, maar geloof.
Om ook Etty Hillesum te citeren: ‘Er moet na deze tijd toch gezegd kunnen worden dat God hier is geweest. En waarom zou ik dat stukje verbeelding van God niet zijn? Een plek, een lichaam, een geest voor God om te verblijven.’ Het is niet de vraag ‘wat doet God voor mij?, God heeft óns nodig; als handen en voeten op aarde. Dat er aangewezen kan worden: Hij leeft, Hij is er. Dat je mensen ziet die dingen doen. Dat het er om gaat wie je bent: kind van deze God.
Wie hoort er eigenlijk allemaal bij? Gaat het God primair om het eigen volk?
In de Bijbelse oudheid was een gecastreerde man, een eunuch, iemand die een hoge overheidsfunctie kon bekleden, maar door zijn verminking niet meer geschikt bevonden werd om in het heiligdom van God te komen. Ook zou hij, bij gebrek aan nakomelingen, na zijn dood niet meer voortleven in de gemeenschap.
Een man zonder God, zonder toekomst, dus. Jesaja geeft nu juist aan deze mens de belofte, dat ook zíjn
naam voor altijd herdacht zal worden, in de tempel van God. De gangbare wereld omgekeerd.
De nieuwe toekomst waar Jesaja over spreekt, is er dus óok, of eigenlijk allereerst, voor de outcasts in de samenleving. Ook voor de gecastreerde man aan het hof die zegt: “Ik ben maar een dorre boom, ik heb geen nageslacht…” God ziet de situatie van deze mensen. Misschien zijn ze in de ogen van anderen en van zichzelf ‘nietsnutten’. Maar God verbindt zich ook aan hen: “De mensen die zich houden aan mijn wetten, zij die gerechtigheid doen en de sabbat houden, hen geef ik iets beters dan zonen en dochters: een gedenk-teken [Yad] en een naam [Shem] ín mijn tempel én binnen de muren van mijn stad.
Het woordje Yad betekent letterlijk hand, maar kan ook teken, gedenk-teken betekenen. Dan gaat het er om dat God aan deze uit-gestotenen een naam en een teken in de tempel geeft. Hun naam gaat niet verloren. Het is als de naam op een grafsteen, op een plaquette. Yad krijgt ook de betekenis van ‘plaats, deel, aandeel’. Dan betekent het dat juist zij een plaats en een functie in de gemeenschap krijgen.
Wie vandaag Yad Va Shem zegt, denkt meteen aan het Holocaustmonument in Jeruzalem. Het is de officiële staatsinstelling van Israël voor het herdenken van de Joodse slachtoffers van de Holocaust en van de redders van Joden. Het gevolg van het bezoeken van dit museum is dat je als je Yad Va Shem hoort, je niet ogenblikkelijk meer denkt aan de ontmanden en de vreemdelingen in Jesaja 56. Vanaf nu denk je aan alle vermoorde Joden in de Tweede Wereldoorlog.
Betekent die naam een nationalisering van de Jesajatekst, enkel over Joden, en daarmee een inperking van het universele karakter van de tekst? Avraham Burg zegt daar wat van.
Abraham Burg is schrijver en voormalig parlementsvoorzitter, van de Knesset. Hij schrijft: ‘Het museum zal in zijn toekomstige vorm een gedenkteken zijn voor al het onrecht dat mensen is aangedaan. Het zal een plek zijn die uitstraalt hoe krachtig de strijd is tegen geweld, waar ook ter wereld. Er zal een Armeense
vleugel zijn en een Servische vleugel, er zullen voorwerpen uit Rwanda en Namibië tentoongesteld
worden, er zal een presentatie zijn ter ere van de oorspronkelijke bewoners van Noord-Amerika, die werden
uitgeroeid door blonde generaals met blauwe ogen. Een Internationaal Hof voor de Berechtiging van Misdaden tegen de Mensheid zal gevestigd worden in Jeruzalem, de Stad van Vrede, en de rechters zullen afkomstig zijn uit de hele wereld. […] en boven de poort zal de profetie van Jesaja worden gegraveerd.
Een plaats dus waar Jesaja gewag van maakt; voor álle volken.
De nieuwe toekomst waar Jesaja over spreekt, geldt ook voor de vreemdeling. Als de vreemdeling de verbinding zoekt met Israëls God, God dient en Gods naam liefheeft -vrede en recht in praktijk brengt, dus-, dan hoort die vreemdeling er helemaal bij. Dat is het veelbelovend perspectief.
Aansluiten bij God, betekent echter niet per se dat de vreemdeling ook Joods moet worden. Het gaat erom dat zij, net als iedereen, geroepen zijn hun naaste lief te hebben en recht te doen. Afkomst of religie doet er niet toe: gerechtigheid doen, is voorwaarde om deel uit te maken van Gods verbond met de mens. Dit betekent een einde aan de uitsluiting. Tenminste, zegt de profeet, zó kijkt God daar tegen aan. (Profetie is dus niks anders dan ‘met Gods ogen naar de wereld kijken’.)
Er staat geen bordje ‘verboden voor vreemdelingen‘ op Gods huis. Gods huis staat open voor alle volken. Dat is een statement in een tijd – vlak na de ballingschap - waarin juist ook gezocht werd naar de eigen identiteit als volk ten opzichte van vreemdelingen. Een tijd waarin gemengde huwelijken verboden werden. Bij Jesaja ligt het criterium om bij God te horen niet in het behoren tot één bepaald volk, maar in het luisteren naar Gods geboden en het in praktijk brengen daarvan. Ieder die zich houdt aan Gods wetten, gerechtigheid doet dus, zal God naar de heilige tempelberg brengen. Zo ziet de nieuwe toekomst eruit: één huis voor iedereen.
Dat is volgens mij het hart van de joodse en christelijke traditie, én ook van de islamitische, zo durf ik wel te zeggen. Een inclusief hart, waarbij uitsluiting uit den boze is. Een reuze actueel thema in een tijd van nadruk op eigen volk en eigen volksidentiteit.
Hebben we hier nu legitimatie van hogerhand gekregen om voor vrede en gerechtigheid te gaan -omdat we die in onszelf en in onze samenleving toch niet zomaar weten te vinden-, of hebben we -toch in elk geval- extra aansporing, inspiratie, ‘vermaning’ ontvangen, uit een wel zeer bijzondere bron?
Vertrouwen we er op dat ‘leven in Gods verbond’ zin heeft? Vertrouwen we er op dat actief om vrede roepen, zal helpen, om de oorlog in Syrië te stoppen, bv., of die in Yemen, of blijven we bij zulke praktisch-politieke vragen dan toch ineens nog cynisch, of wórden dat weer, bv. bij de oorlogsretoriek rond Noord-Korea? -Waar overigens veel Zuidkoreanen hard roepen: hou daarmee op!
Roepen, het heeft weldegelijk zin; samen. We laten ons niet uit elkaar spelen. En ook dit moet luid geroepen worden: joden, christenen en moslims in Israel en Palestina houden niet op om -zelfs na 50 jaar bezetting van de Westbank en Gaza- te roepen: stop er mee, wij willen gewoon samen leven als goede buren.
En, omdat het dicht op onze huid komt, ook dit moet gezegd, gebeden: wij zijn niet bang, wij laten ons niet bang maken, niet door IS en aanverwanten, en ook niet door extreem rechts -dat hier in onze eigen omgeving brutaal de straat opeist, vandaag in Enschede-. We laten ons niet bang maken. We laten ons als mensen van goede wil bijeen roepen in een huis van gebed voor alle volken.
En vanavond voel ík me hier ‘opgetild’, boven m’n verwarring uit, hier wordt het beste van onszelf naar boven geroepen én te binnen gebracht.
We bidden: God van Vrede,
U laat U raken door wat mensen meemaken, U wilt hen nabij zijn.
Wij danken U dat U ons nabij gekomen bent, in een volk, in een mens; telkens opnieuw in mensen. Wij danken dat U een God bent die mét ons gaat op de weg door het leven, in vrolijke en in harde tijden. We danken dat U ons draagt als een moeder en leidt als een vader. Geef dat wij ons door U láten leiden en láten dragen.
Dank U wel, God, dat bevrijding iets is van alle tijden, van vroeger en net zo goed van nu, van vandaag. Dank U wel dat bevrijding ook mógelijk is; geen mooie droom om naar te verlangen, maar werkelijkheid daar waar mensen, vol van uw Geest laten zien dat niets hen kan knechten, klein maken of louter en alleen slachtoffer van omstandigheden of van andere mensen.
Om uw Vrede bidden wij, wij hier bijeen, samen met mensen wereldwijd,
voor een wereld waar wél plaats is voor uw Visioen, voor mensen die dromen hebben afgeleerd, stomgeslagen door al het geweld.
God van alle mensen, om uw Vrede bidden wij, voor hen die moeten leven te midden van onrecht en haat,
aanslagen en oorlogen, verwoesting en verwarring, racisme en discriminatie, uitbuiting en vernedering,
honger en armoede, ziekte en dood, angst en onzekerheid.
Gelukkig zijn er groepen mensen, in de Centraal Afrikaanse Republiek, in Palestina, in Hongarije, in Frankrijk, in Berlijn, in Enschede, in Middelburg, die samen zeggen Wij laten ons niet bang maken.
Goede God, om uw Vrede bidden wij, dat wij mogen spreken tot elkaars verbeelding, dat wij mogen oplichten in uw Licht bij een ander, dat wij mogen bewegen in uw Geest, mensen verbindend -naar uw beeld en gelijkenis.
We bidden om bezieling en begeestering in ons leven. Bezieling en enthousiasme bij alles wat we doen, opdat onze samenleving een bezielde en aantrekkelijke samenleving zal zijn waar vertrouwen in het leven aanstekelijk werkt, waar geloof en hoop inspiratie geven, waar liefde ons samenbindt. Mogen de kerk, de synagoge en de moskee daarvan een werkplaats zijn, waar we samen komen om te oefenen in geloof, om hoop op te doen, om liefde te leren en om dit alles in onze gemeenschappen en daarbuiten met hart en ziel in praktijk te brengen.
maandag 4 september 2017
Samen leven vieren
Onderstaande tekst, gehoord hebbend het lied 'Mag ik dan bij jou? van Claudia de Breij
en gelezen: uit O.T. Toraboek Deuteronomium 14: 22-29 en uit N.T. Geschriftenboek Handelingen 4: 31-35. (De aanwezigen hebben eten meegebracht voor de voedselbank en voor de gezamenlijke lunch.)
Laten we eten en drinken en vrolijk zijn.' - Dat is nou niet bepaald een calvinistische uitspraak. Feestvieren, dat hebben stijle calvinisten altijd overgelaten aan de Roomsen.
In Dt 14 is het een opdracht aan Israel: "gij zult voor het aangezicht van de Heer, uw God, eten en u verheugen...", zo staat er. Elk jaar moet Israel naar het heiligdom gaan met een tiende van z'n inkomen, om daarvan te eten en te drinken en vrolijk te zijn.
In de voorbereiding van deze startzondag kregen we het over -als we een open kerk willen zijn, voor het dorp bv., dan zullen we een open gemeenschap zijn in de zin van 'ieder is welkom -kom maar binnen’- en ook: open ‘naar buiten’, mede-deelzaam met de minder-bedeelden. We delen bv. met de voedselbank, ...
Zo kwamen we op de bijbeltekst in Handelingen over de eerste christengemeente in Jerusalem waar men alles samen deelde. ‘De groep mensen die het geloof had aanvaard, leefde eendrachtig samen. Geen van hen beschouwde zijn bezittingen als zijn persoonlijk eigendom, want ze hadden alles gemeenschappelijk. Niemand onder hen leed enig gebrek’.
We lazen de tekst en ontdekten dat de beschreven praktijk voor ons nu in onze hedendaagse levenspraktijk, ook voor ons kerkelijken, niet zo vanzelfsprekend is. Integendeel.
Enkelen van u kennen wellicht de rockband Queen nog? De roemruchte zanger, Freddy Mercury, schreeuwde het uit: ´Is this the world we created? We made it all wrong! If there´s a God looking down on us, what will he say: What have you created! ´Wat hebben wij er een verschrikkelijke wereld van gemaakt! En Bob Dylan zong lang geleden: ´´The times, they are a-changing´´. En Frank Boeijen zingt :´Het leven is anders sinds de dag dat God is doodverklaard´.
En we lezen nu in Handelingen, over de eerste christengemeente in Jerusalem, dat daar in de stad de naam van Jezus veel verzet oproept. De leiders van het volk verbieden de mensen om die naam nog te gebruiken!
Is het bij ons ook zo ver gekomen? Dat God niet meer in het openbaar zichtbaar en hoorbaar mag zijn? ‘Geloven dat doe je maar thuis, in je eigen besloten kring, zo wordt ons voorgehouden, door velen van onze economische, politieke en filosofische leiders. De plaats waar God nog in de samenleving te vinden was, is leeg verklaard. We kunnen wel zonder. We redden ons prima, Zo horen we.
Totdat we op grenzen stuiten; en vervolgens toevlucht zoeken -nee, niet eens bewust, maar stilletjes-, bij andere ‘hogere’ krachten. En zo wordt de lege plaats -bijna ongemerkt- bezet; bezet door krachten die zich aan ons voordoen, of die aan ons gepresenteerd worden, als de ware verlosser. Vrijheid, dat moeten we hebben. ‘Laat het maar aan de vrije markt over, dan komt het allemaal goed’. En d’r worden ook zondebokken aangewezen -aan wie we de schuld kunnen geven voor alles wat niet goed gaat.
Het is dus niet de sekularisatie -vrij van betuttelende godsdiensten-, die erg is; het zijn de afgoden -ja, zo mogen we ze wel noemen- die we toelaten om de lege plaats op te vullen. We redden het níet -alleen-, maar we hebben niet door bij welke mens-ont-erende krachten -die zich als dé redders voordoen- we onze toevlucht zoeken. Het zijn die zogenaamd ‘hogere machten’ die de goede God nog verder in de verdachten-hoek zetten. En het zijn zij die de centrale lege plek gaan innemen -als we niet oppassen.
Wat doen mensen van de goede God als ze ontkenning en ontkrachting ondervinden?
In Handelingen 4 in die gemeente in Jerusalem, is dat volkomen duidelijk: bidden! Er worden geen doe-het-zelf-strategieën bedacht, maar de God van hemel en aarde wordt aangeroepen.
Geleid door de Geest zien ze dat Psalm 2 op deze situatie van toepassing is. Wat ze om zich heen zien gebeuren, is te benoemen als ‘verzet tegen de gezalfde van de Eeuwige’. Het juk dat in naam van on-machten wordt opgelegd, moet dus afgeweerd, afgeworpen worden. ‘Van de boeien moeten we ons bevrijden’, zo staat er in de psalm.
Wat doet de gemeente in Jerusalem? Er wordt gebeden, gebeden dat -ondanks de sterk opkomende afgodische krachten- Gods plan wél in vervulling gaat, zelfs dwars door alle vijandschap heen!
Na dit gebed wordt op drie manieren duidelijk dat Gods Geest wel werkt! Zijn kracht gaat stromen als antwoord op het gebed van de leerlingen van Jezus die samen zijn om te zoeken naar het plan van de Eeuwige.
1 De plaats waar ze bijeen zijn, begint te beven.
2 Allen worden vervuld van de heilige Geest. Volstromen met de Geest is kennelijk steeds opnieuw nodig.
3 Allen spreken vrijmoedig over de boodschap van God.
In Dt 14 gaat het over de tienden. Een tiende deel van de opbrengst van het land, van het koren, de druiven, de olijfolie, samen met de eerstgeborenen van de runderen en het kleinvee-, een tiende deel zal de Israeliet elk jaar bij het heiligdom inleveren.
In het aanbieden van de tienden en de eerstelingen zit de gedachte dat je bezit ten diepste nooit enkel jóuw bezit is, maar dat Gód de eigenlijke bezitter van het land is. Het land, de aarde, die is niet van jou, maar die heb je van God gekregen,in bruikleen. Gód is de Gever van de oogst, van de opbrengst van het land, en daarom zul je God ook een tiende en de eerstelingen van het land en het vee geven.
De tienden hebben dus direkt te maken met hoe je omgaat met de aarde, met bezit, met rijkdom. Geloof en milieu, geloof en ekonomie: ze hangen direkt met elkaar samen.
Nou is het opvallende hier in Dt 14, dat de nadruk allereerst erop gelegd wordt dat je zélf, van je tienden, feest moet gaan vieren. Opvallend, want die opbrengst van het land en van het vee moet je dus wel aan jezelf besteden. En je moet er nog feest van gaan vieren ook!
Maar, wacht even. Het gaat niet om zomaar een feest; het gaat om een feest "voor het aangezicht van de Heer, uw God". Je moet wel degelijk eerst je tienden inleveren en er dan feest van vieren in het heiligdom, de plaats die God verkiezen zal -en dat slaat dan op de tempel in Jeruzalem.
Je moet wel degelijk eerst de tienden inleveren. Daar kom je niet onderuit. Als je te ver van Jeruzalem afwoont, of als God je zo overvloedig gezegend heeft dat het geen doen is om met een tiende daarvan naar Jeruzalem te sjouwen, dan kan het ook anders: dan verkoop je thuis je tiende en ga je met het geld daarvan naar Jeruzalem en koop je dáar vervolgens weer wat je maar lekker vindt om feest mee te vieren, koeien, schapen, geiten, wijn en sterke drank. Dat feest moet je dus wel degelijk vieren "voor het aangezicht van de Heer, uw God". Je kunt niet thuisblijven, want daar is dat aangezicht van God niet.
En er hoort nóg iets bij, namelijk dat je elk derde jaar je tiende volledig afstaat. Je moet het afstaan aan de mensen voor wie het leven meestal géén feest is; de armen, de zwakken, de kanslozen. Met name genoemd: de vreemdeling, de wees en de weduwe.
Opmerkelijk, hoe nauw dat dus met elkaar samenhangt: het aanbieden van de tienden aan God én het aanbieden van de tienden aan de armen en zwakken; het feestvieren met je eigen familie, én het er voor zorgen dat ook de mensen voor wie het leven bepaald géén feest is een beetje vreugde zullen ervaren; het delen in de gaven die God geeft én het delen daarvan met wie géén opbrengst hebben.
Opmerkelijk, hoe nauw dat met elkaar samenhangt; zelfs zó nauw, dat Gods zegen voor jou ervan afhangt. Want zo eindigt het: "...opdat de Heer, uw God, u zegene in al het werk, dat uw hand doet." De medemens zul je dus laten delen in de zegen die jij van God ontvangt. Daarvoor krijg je die zegen van God. De barmhartigheid die God jou bewijst zodat je genoeg hebt om tienden af te staan-, die barmhartigheid zul jij ook bewijzen aan wie er niet zo barmhartig aan toe zijn.
In de evangelieën klaagt Jezus de leiders aan omdat ze dát nou juist niet doen. Jezus bedoelt: het gaat ook bij de voorschriften voor de tienden er uiteindelijk om dat er recht geschiedt aan de rechtelozen; dat je hen barmhartigheid bewijst; dat geloof in God ook het liefhebben van je naaste inhoudt.
Feest vieren voor God en feest vieren samen met de minsten, daar gaat het dus om.
De eerste gemeente in Jerusalem heeft dus heel goed begrepen wat er in de Tora, in het boek Deutero-nomium bedoeld wordt. Dat wat je méer hebt dan wat je voor jezelf nodig hebt, dat stel je beschikbaar aan je leef-gemeenschap, in een samen-leef-vorm waar je ‘liefhebben van God en mens’ in praktijk kan brengen. Of waar je dat toch minstens met elkaar kan oefenen.
De kibbutz in Israel was ook -nog niet zo lang geleden- een mooie vorm van samen-delen. De sabbath op vrijdagavond beginnen met de gezamenlijke sabbathmaaltijd, ach, zo mooi. (Ik was er, jaren geleden.)
Feest vieren voor God en feest vieren samen met de minsten, daar gaat het dus om.
Waarom is dat belangrijk? - "...opdat u steeds opnieuw leert te leven in ontzag voor de Heer, uw God", zo staat er in vs 23. Dat brengen van de tienden om daarvan feest te vieren voor Gods aangezicht, samen met de zwakken en armen-, dat heeft dus een heel speciaal doel: het gaat direkt om je geloof, om je eerbied en ontzag voor God, om je liefde voor de Eeuwige. Dat feestvieren van de tienden, dat is er dus ook om te leren dat de Eeuwige de enige God is bij wie het heil te vinden is.
En om er aan vast te houden, het niet verloren te laten gaan, het niet uit handen te laten nemen, de plaats niet te laten bezetten.
Het gaat dus om een heel 'geestelijke' en 'spirituele' zaak: het leren vrezen van de Heer, je leven lang; maar tegelijk gaat het om een heel 'sociale' en 'materiële' zaak: het delen van je rijkdom met de armen om zo samen met de kanslozen van het leven een feest te maken.
En als we nu opnieuw gastvrijheid, een open huis, een open kerk, willen oefenen, dan hebben we vanmorgen toch al een mooie bede gehoord: ‘Als het onweer komt, en als ik dan bang ben, mag ik dan bij Jou ...?
Bidden wij ook maar weer, tégen de on-machten in: ‘Als er een clubje komt waar ik niet bij wil horen, mag ik dan bij Jou? Als er een regel komt waar ik niet aan voldoen kan, mag ik dan bij Jou? En als ik iets moet zijn wat ik nooit geweest ben, mag ik dan bij Jou? Als de oorlog komt en als ik dan moet schuilen, mag ik dan bij Jou?
God, blijf in ons midden. Dan blijven wij gastvrij, dan blijven wij dat oefenen; open kerk, open huis. En dan zorgen de diakenen dat onze tienden bij de voedselbank komen.
Zo gaan we samen verder. Nog vele jaren.
en gelezen: uit O.T. Toraboek Deuteronomium 14: 22-29 en uit N.T. Geschriftenboek Handelingen 4: 31-35. (De aanwezigen hebben eten meegebracht voor de voedselbank en voor de gezamenlijke lunch.)
Laten we eten en drinken en vrolijk zijn.' - Dat is nou niet bepaald een calvinistische uitspraak. Feestvieren, dat hebben stijle calvinisten altijd overgelaten aan de Roomsen.
In Dt 14 is het een opdracht aan Israel: "gij zult voor het aangezicht van de Heer, uw God, eten en u verheugen...", zo staat er. Elk jaar moet Israel naar het heiligdom gaan met een tiende van z'n inkomen, om daarvan te eten en te drinken en vrolijk te zijn.
In de voorbereiding van deze startzondag kregen we het over -als we een open kerk willen zijn, voor het dorp bv., dan zullen we een open gemeenschap zijn in de zin van 'ieder is welkom -kom maar binnen’- en ook: open ‘naar buiten’, mede-deelzaam met de minder-bedeelden. We delen bv. met de voedselbank, ...
Zo kwamen we op de bijbeltekst in Handelingen over de eerste christengemeente in Jerusalem waar men alles samen deelde. ‘De groep mensen die het geloof had aanvaard, leefde eendrachtig samen. Geen van hen beschouwde zijn bezittingen als zijn persoonlijk eigendom, want ze hadden alles gemeenschappelijk. Niemand onder hen leed enig gebrek’.
We lazen de tekst en ontdekten dat de beschreven praktijk voor ons nu in onze hedendaagse levenspraktijk, ook voor ons kerkelijken, niet zo vanzelfsprekend is. Integendeel.
Enkelen van u kennen wellicht de rockband Queen nog? De roemruchte zanger, Freddy Mercury, schreeuwde het uit: ´Is this the world we created? We made it all wrong! If there´s a God looking down on us, what will he say: What have you created! ´Wat hebben wij er een verschrikkelijke wereld van gemaakt! En Bob Dylan zong lang geleden: ´´The times, they are a-changing´´. En Frank Boeijen zingt :´Het leven is anders sinds de dag dat God is doodverklaard´.
En we lezen nu in Handelingen, over de eerste christengemeente in Jerusalem, dat daar in de stad de naam van Jezus veel verzet oproept. De leiders van het volk verbieden de mensen om die naam nog te gebruiken!
Is het bij ons ook zo ver gekomen? Dat God niet meer in het openbaar zichtbaar en hoorbaar mag zijn? ‘Geloven dat doe je maar thuis, in je eigen besloten kring, zo wordt ons voorgehouden, door velen van onze economische, politieke en filosofische leiders. De plaats waar God nog in de samenleving te vinden was, is leeg verklaard. We kunnen wel zonder. We redden ons prima, Zo horen we.
Totdat we op grenzen stuiten; en vervolgens toevlucht zoeken -nee, niet eens bewust, maar stilletjes-, bij andere ‘hogere’ krachten. En zo wordt de lege plaats -bijna ongemerkt- bezet; bezet door krachten die zich aan ons voordoen, of die aan ons gepresenteerd worden, als de ware verlosser. Vrijheid, dat moeten we hebben. ‘Laat het maar aan de vrije markt over, dan komt het allemaal goed’. En d’r worden ook zondebokken aangewezen -aan wie we de schuld kunnen geven voor alles wat niet goed gaat.
Het is dus niet de sekularisatie -vrij van betuttelende godsdiensten-, die erg is; het zijn de afgoden -ja, zo mogen we ze wel noemen- die we toelaten om de lege plaats op te vullen. We redden het níet -alleen-, maar we hebben niet door bij welke mens-ont-erende krachten -die zich als dé redders voordoen- we onze toevlucht zoeken. Het zijn die zogenaamd ‘hogere machten’ die de goede God nog verder in de verdachten-hoek zetten. En het zijn zij die de centrale lege plek gaan innemen -als we niet oppassen.
Wat doen mensen van de goede God als ze ontkenning en ontkrachting ondervinden?
In Handelingen 4 in die gemeente in Jerusalem, is dat volkomen duidelijk: bidden! Er worden geen doe-het-zelf-strategieën bedacht, maar de God van hemel en aarde wordt aangeroepen.
Geleid door de Geest zien ze dat Psalm 2 op deze situatie van toepassing is. Wat ze om zich heen zien gebeuren, is te benoemen als ‘verzet tegen de gezalfde van de Eeuwige’. Het juk dat in naam van on-machten wordt opgelegd, moet dus afgeweerd, afgeworpen worden. ‘Van de boeien moeten we ons bevrijden’, zo staat er in de psalm.
Wat doet de gemeente in Jerusalem? Er wordt gebeden, gebeden dat -ondanks de sterk opkomende afgodische krachten- Gods plan wél in vervulling gaat, zelfs dwars door alle vijandschap heen!
Na dit gebed wordt op drie manieren duidelijk dat Gods Geest wel werkt! Zijn kracht gaat stromen als antwoord op het gebed van de leerlingen van Jezus die samen zijn om te zoeken naar het plan van de Eeuwige.
1 De plaats waar ze bijeen zijn, begint te beven.
2 Allen worden vervuld van de heilige Geest. Volstromen met de Geest is kennelijk steeds opnieuw nodig.
3 Allen spreken vrijmoedig over de boodschap van God.
In Dt 14 gaat het over de tienden. Een tiende deel van de opbrengst van het land, van het koren, de druiven, de olijfolie, samen met de eerstgeborenen van de runderen en het kleinvee-, een tiende deel zal de Israeliet elk jaar bij het heiligdom inleveren.
In het aanbieden van de tienden en de eerstelingen zit de gedachte dat je bezit ten diepste nooit enkel jóuw bezit is, maar dat Gód de eigenlijke bezitter van het land is. Het land, de aarde, die is niet van jou, maar die heb je van God gekregen,in bruikleen. Gód is de Gever van de oogst, van de opbrengst van het land, en daarom zul je God ook een tiende en de eerstelingen van het land en het vee geven.
De tienden hebben dus direkt te maken met hoe je omgaat met de aarde, met bezit, met rijkdom. Geloof en milieu, geloof en ekonomie: ze hangen direkt met elkaar samen.
Nou is het opvallende hier in Dt 14, dat de nadruk allereerst erop gelegd wordt dat je zélf, van je tienden, feest moet gaan vieren. Opvallend, want die opbrengst van het land en van het vee moet je dus wel aan jezelf besteden. En je moet er nog feest van gaan vieren ook!
Maar, wacht even. Het gaat niet om zomaar een feest; het gaat om een feest "voor het aangezicht van de Heer, uw God". Je moet wel degelijk eerst je tienden inleveren en er dan feest van vieren in het heiligdom, de plaats die God verkiezen zal -en dat slaat dan op de tempel in Jeruzalem.
Je moet wel degelijk eerst de tienden inleveren. Daar kom je niet onderuit. Als je te ver van Jeruzalem afwoont, of als God je zo overvloedig gezegend heeft dat het geen doen is om met een tiende daarvan naar Jeruzalem te sjouwen, dan kan het ook anders: dan verkoop je thuis je tiende en ga je met het geld daarvan naar Jeruzalem en koop je dáar vervolgens weer wat je maar lekker vindt om feest mee te vieren, koeien, schapen, geiten, wijn en sterke drank. Dat feest moet je dus wel degelijk vieren "voor het aangezicht van de Heer, uw God". Je kunt niet thuisblijven, want daar is dat aangezicht van God niet.
En er hoort nóg iets bij, namelijk dat je elk derde jaar je tiende volledig afstaat. Je moet het afstaan aan de mensen voor wie het leven meestal géén feest is; de armen, de zwakken, de kanslozen. Met name genoemd: de vreemdeling, de wees en de weduwe.
Opmerkelijk, hoe nauw dat dus met elkaar samenhangt: het aanbieden van de tienden aan God én het aanbieden van de tienden aan de armen en zwakken; het feestvieren met je eigen familie, én het er voor zorgen dat ook de mensen voor wie het leven bepaald géén feest is een beetje vreugde zullen ervaren; het delen in de gaven die God geeft én het delen daarvan met wie géén opbrengst hebben.
Opmerkelijk, hoe nauw dat met elkaar samenhangt; zelfs zó nauw, dat Gods zegen voor jou ervan afhangt. Want zo eindigt het: "...opdat de Heer, uw God, u zegene in al het werk, dat uw hand doet." De medemens zul je dus laten delen in de zegen die jij van God ontvangt. Daarvoor krijg je die zegen van God. De barmhartigheid die God jou bewijst zodat je genoeg hebt om tienden af te staan-, die barmhartigheid zul jij ook bewijzen aan wie er niet zo barmhartig aan toe zijn.
In de evangelieën klaagt Jezus de leiders aan omdat ze dát nou juist niet doen. Jezus bedoelt: het gaat ook bij de voorschriften voor de tienden er uiteindelijk om dat er recht geschiedt aan de rechtelozen; dat je hen barmhartigheid bewijst; dat geloof in God ook het liefhebben van je naaste inhoudt.
Feest vieren voor God en feest vieren samen met de minsten, daar gaat het dus om.
De eerste gemeente in Jerusalem heeft dus heel goed begrepen wat er in de Tora, in het boek Deutero-nomium bedoeld wordt. Dat wat je méer hebt dan wat je voor jezelf nodig hebt, dat stel je beschikbaar aan je leef-gemeenschap, in een samen-leef-vorm waar je ‘liefhebben van God en mens’ in praktijk kan brengen. Of waar je dat toch minstens met elkaar kan oefenen.
De kibbutz in Israel was ook -nog niet zo lang geleden- een mooie vorm van samen-delen. De sabbath op vrijdagavond beginnen met de gezamenlijke sabbathmaaltijd, ach, zo mooi. (Ik was er, jaren geleden.)
Feest vieren voor God en feest vieren samen met de minsten, daar gaat het dus om.
Waarom is dat belangrijk? - "...opdat u steeds opnieuw leert te leven in ontzag voor de Heer, uw God", zo staat er in vs 23. Dat brengen van de tienden om daarvan feest te vieren voor Gods aangezicht, samen met de zwakken en armen-, dat heeft dus een heel speciaal doel: het gaat direkt om je geloof, om je eerbied en ontzag voor God, om je liefde voor de Eeuwige. Dat feestvieren van de tienden, dat is er dus ook om te leren dat de Eeuwige de enige God is bij wie het heil te vinden is.
En om er aan vast te houden, het niet verloren te laten gaan, het niet uit handen te laten nemen, de plaats niet te laten bezetten.
Het gaat dus om een heel 'geestelijke' en 'spirituele' zaak: het leren vrezen van de Heer, je leven lang; maar tegelijk gaat het om een heel 'sociale' en 'materiële' zaak: het delen van je rijkdom met de armen om zo samen met de kanslozen van het leven een feest te maken.
En als we nu opnieuw gastvrijheid, een open huis, een open kerk, willen oefenen, dan hebben we vanmorgen toch al een mooie bede gehoord: ‘Als het onweer komt, en als ik dan bang ben, mag ik dan bij Jou ...?
Bidden wij ook maar weer, tégen de on-machten in: ‘Als er een clubje komt waar ik niet bij wil horen, mag ik dan bij Jou? Als er een regel komt waar ik niet aan voldoen kan, mag ik dan bij Jou? En als ik iets moet zijn wat ik nooit geweest ben, mag ik dan bij Jou? Als de oorlog komt en als ik dan moet schuilen, mag ik dan bij Jou?
God, blijf in ons midden. Dan blijven wij gastvrij, dan blijven wij dat oefenen; open kerk, open huis. En dan zorgen de diakenen dat onze tienden bij de voedselbank komen.
Zo gaan we samen verder. Nog vele jaren.
Abonneren op:
Posts (Atom)